Lucas 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen Hij eens aan de oever van het meer van Gennézaret stond, drong de menigte op Hem aan, om het woord Gods te horen.
1І сталось, як народ товпивсь до Него слухати слово Боже, Він стояв коло озера Генисарецького.
2Nu zag Hij twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren er uitgegaan, en spoelden de netten.
2І побачив два човни, що стояли край озера, рибалки ж, одійшовши від них, полоскали неводи.
3Hij stapte in een der boten, die aan Simon toebehoorde, en verzocht hem, een weinig van wal te steken. Hij zette Zich neer, en begon van de boot uit de menigte te onderrichten.
3Ввійшовши ж ув один з човнів, що був Симонів, просив його від землї відчалити трохи. І сївши, навчав народ із човна.
4Toen Hij zijn toespraak had beëindigd, zei Hij tot Simon: Steek nu verder van wal, en werp uw netten uit voor de vangst.
4Як же перестав глаголати, рече до Симона: Поступи на глибінь, та закиньте неводи ваші на ловитву.
5Maar Simon antwoordde Hem: Meester, we hebben de hele nacht gewerkt, en niets gevangen; toch werp ik op uw woord de netten uit.
5І озвавшись Симон, каже Йому: Наставниче, всю ніч трудившись, нїчого не піймали ми; тільки ж, по слову Твоєму, закину невода.
6Ze deden het, en vingen zoveel vis, dat hun net er van scheurde.
6І, се зробивши, вловили пребагато риби; роздер ся ж невід їх,
7Nu wenkten ze hun makkers in de andere boot, om hen te komen helpen. Ze kwamen, en vulden beide boten tot zinkens toe.
7і махнули вони на товаришів своїх, що були в другому човнї, щоб прийшли помогти їм. І прийшли вони, й сповнили обидва човни, так що потопали вони.
8Toen Simon Petrus dit zag, viel hij Jesus te voet, en sprak: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.
8Бачивши ж Симон Петр, припав до колїн Ісусових, кажучи: Йди від мене: бо я чоловік грішний, Господи.
9Ontzetting had hem aangegrepen over de vangst, die ze hadden gedaan; hem en allen die bij hem waren,
9Страх бо обняв його і всїх із ним од улову риби, що вловили.
10ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die tot de gezellen van Simon behoorden. Maar Jesus zei tot Simon: Vrees niet; van nu af zult ge mensen vangen.
10Так само й Якова і Йоана, синів Зеведеєвих, що були спільниками Симоновими. І рече до Симона Ісус: Не лякай ся, від нинї людей ловити меш.
11Toen brachten ze de boten aan wal, verlieten alles, en volgden Hem.
11І пригнавши вони човни свої до берега, та покинувши все, пійшли слїдом за Ним.
12Eens, dat Hij Zich in zekere stad bevond, was daar een man, die melaats was van onder tot boven. Toen hij Jesus zag, viel hij op zijn aangezicht neer, en smeekte Hem: Heer, zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
12І сталось, як був Він ув однім городї, аж ось чоловік увесь у проказї. І, побачивши Ісуса, упавши на лице, благав Його, кажучи: Господи, коли хочеш, можеш мене очистити.
13Hij strekte de hand uit, raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond was zijn melaatsheid verdwenen.
13І простягши Він руку, приторкнувсь до него, глаголючи: Хочу, очистись. І зараз проказа покинула його.
14Hij beval hem, het niemand te zeggen, “maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer voor uw reiniging, wat Moses als bewijs voor hen heeft voorgeschreven.”
14І наказав Він йому нїкому не говорити, а, пійшовши, покажи себе священикові та принеси за очищеннє твоє, як звелїв Мойсей, на сьвідкуваннє їм.
15Hoe langer hoe meer begon zich zijn faam te verbreiden. Talrijke scharen kwamen bijeen, om Hem te horen en van hun ziekten te worden genezen.
15Та слово про Него розійшлось тим більш, і насходилось народу пребагато слухати й сцїлятись у Него від недуг своїх.
16Maar Hij trok Zich in de eenzaamheid terug, om te bidden.
16Він же виходив у пустиню та молив ся.
17Op zekere dag was Hij bezig met onderricht te geven, toen er ook farizeën bij kwamen zitten en wetgeleerden, die uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jerusalem waren gekomen. En de kracht des Heren deed Hem genezingen verrichten.
17І сталось одного дня, що Він учив, і сидїли Фарисеї та учителї закону, що поприходили з усїх сїл Галилейських та Юдейських і з Єрусалиму, й сила Господня була на сцїленнє їх.
18Zie, daar brachten enige mannen op een rustbed een man, die verlamd was; ze trachtten hem binnen te dragen, en voor Hem neer te leggen.
18І ось мужі принесли на постелї чоловіка, що був розслаблений, і шукали, як би внести його та положити перед Ним.
19Daar ze hem echter wegens de menigte niet naar binnen konden brengen, klommen ze op het dak, en lieten hem met het bed door het dak naar beneden, midden in het huis en vóór Jesus.
19І, не знайшовши, як би внести його кріз натовп, вилїзли на хату, й кріз черепяну стелю спустили його з постїллю в середину перед Ісуса.
20Toen Hij hun geloof zag, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
20І, бачивши віру їх, рече йому: Чоловіче, оставляють ся тобі гріхи твої.
21Maar de schriftgeleerden en farizeën begonnen zich af te vragen: Wie is Hij dan toch? Hij zegt godslasteringen! Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?
21І почали міркувати письменники та Фарисеї, кажучи: Хто сей, що говорить хулу? Хто може оставляти гріхи, як тільки один Бог?
22Jesus, die hun gedachten kende, nam het woord en zei hun: Wat overlegt gij nog bij uzelf?
22Постерігши ж Ісус думки їх і озвавшись, рече до них: Що ви говорите в серцях ваших?
23Wat is gemakkelijker te zeggen: uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: sta op, en ga heen?
23Що легше? сказати: Оставляють ся тобі гріхи твої; або сказати: Встань та й ходи?
24Welnu, opdat gij weten moogt, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde, om zonden te vergeven, (hier sprak Hij tot den lamme:) Ik zeg u: Sta op, neem uw bed, en ga naar huis.
24От же, щоб знали ви, що власть має Син чоловічий на землї оставляти гріхи, (рече розслабленому:) Тобі глаголю: Устань, і, взявши постїль твою, йди до дому твого.
25Onmiddellijk stond hij op voor aller ogen, nam zijn bed, ging naar huis, en verheerlijkte God onderweg.
25І зараз уставши перед ними й узявши на чому лежав, пійшов до дому свого, прославляючи Бога.
26Allen stonden verbaasd, en loofden God; ze werden door vrees bevangen, en zeiden: We hebben heden wonderbare dingen gezien.
26І острах обняв усїх, і прославляли Бога, й сповнили ся страхом, кажучи: Що бачили предивне сьогоднї.
27Toen Hij daarna verder ging, zag Hij een tollenaar, Levi genaamd, aan het tolhuis zitten. Hij zeide hem: Volg Mij.
27А після сього вийшов, і побачив митника на ймя Левію, сидячого на митницї, і рече йому: Йди слїдом за мною.
28En hij stond op, liet alles achter, en volgde Hem.
28І, зоставивши все, уставши пійшов слїдом за Ним.
29Nu richtte Levi in zijn huis een groot gastmaal voor Hem aan; en een talrijke menigte van tollenaars en anderen lagen met hen aan tafel aan.
29І справив гостину велику Левій Йому у господї своїй, і було там багато митників і инших, що сидїли з ними.
30De farizeën en schriftgeleerden morden daarover tegen zijn leerlingen, en zeiden: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en zondaars?
30І нарікали письменники їх та Фарисеї на учеників Його, кажучи: На що з митниками та грішниками їсте й пєте?
31Jesus gaf hun ten antwoord: De gezonden hebben geen geneesheer nodig, wel de zieken.
31І озвавшись Ісус, рече до них: Не треба здоровому лїкаря, а недужому.
32Ik ben niet gekomen, om de rechtvaardigen te roepen, maar wel de zondaars, om ze te bekeren.
32Не прийшов я кликати праведників, а грішників до покаяння.
33Ze zeiden tot Hem: De leerlingen van Johannes en die der farizeën vasten en bidden dikwijls, maar de uwen eten en drinken.
33Вони ж казали до Него: Чого ж ученики Йоанові постять часто й молять ся, так само й Фарисейські, Твої ж їдять і пють?
34Jesus zei hun: Kunt gij dan de bruiloftsgasten laten vasten, zolang de bruidegom bij hen is?
34Він же рече до них: Чи зможете синів весїльних, поки жених з ними, заставити постити?
35Maar er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen wordt weggenomen; in die dagen zullen ze vasten.
35Прийдуть же днї, що візьмуть жениха від них, тодї постити муть у ті днї.
36Ook sprak Hij tot hen de volgende gelijkenis: Niemand scheurt een lap uit een nieuw kleed, om hem op een oud kleed te zetten; anders scheurt hij het nieuwe kleed stuk, terwijl de lap van het nieuwe toch niet bij het oude past.
36Сказав же й приповість до них: Що нїхто латки з одежини нової не пришиває до одежини старої; коли ж нї, то й нову розідре, й старій не личить латка з нового.
37Ook giet niemand nieuwe wijn in oude zakken; anders doet de nieuwe wijn de zakken bersten; de wijn loopt weg, en de zakken gaan verloren.
37І нїхто не наливає вина нового в бурдюки старі; коли ж нї, порве нове вино бурдюки, й вино витече, й бурдюки пропадуть.
38Neen, nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen.
38А вино нове в бурдюки нові наливають, то й буде все цїле.
39En niemand, die oude wijn heeft te drinken, verlangt naar de nieuwe; want hij zegt: de oude is best.
39Нїхто, пивши старе, не бажає зараз нового; каже бо: Старе лучче.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.