Lucas 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu kwam Hij Jericho binnen, en trok er doorheen.
1І вийшовши проходив через Єрихон.
2En zie, daar was een man, Zacheüs geheten; hij was oppertolbeambte en rijk.
2І ось чоловік, на ймя званий Закхей, а був він старший між митниками, й був заможний.
3Hij wilde graag zien, wat voor een man Jesus was; maar door de menigte kon hij dat niet, want hij was klein van gestalte.
3І бажав бачити Ісуса, хто Він, та не зміг за народом, бо малого був зросту.
4Om Hem toch te kunnen zien, liep hij vooruit, en klom in een vijgeboom; want Hij moest daar voorbij.
4І, побігши наперед, вилїз на шовковицю, щоб подивитись на Него; бо туди мав проходити.
5Toen Jesus daar langs kwam, keek Hij omhoog, en zei Hem: Zacheüs, kom vlug naar beneden; want vandaag moet Ik in uw huis verblijven.
5І, як прийшов на те місце, споглянувши Ісус, побачив його, й рече до него: Закхею, злїзь боржій додолу; сьогоднї бо в дому твоїм треба менї бути.
6En hij kwam vlug naar beneden, en ontving Hem met vreugde.
6І злїз він боржій, і прийняв Його радїючи.
7Allen zagen het; ze begonnen te morren, en zeiden: Bij een zondaar heeft Hij zijn intrek genomen.
7І бачивши всї, нарікали, кажучи: Що до грішника чоловіка пійшов у гостину.
8Maar Zacheüs kwam bij den Heer staan, en sprak: Zie Heer, de helft van mijn vermogen schenk ik aan de armen; en zo ik iemand te kort heb gedaan, geef ik het vierdubbel terug.
8Ставши ж Закхей, каже до Господа: Ось половину достатку мого, Господи, даю вбогим; і коли кого чим обидив, віддаю вчетверо.
9Jesus zeide tot hem: Heden is er heil over dit huis gekomen; ook hij is een kind van Abraham.
9Рече ж до него Ісус: Що сьогоднї спасеннє домові сьому сталось, бо й він син Авраамів:
10Want de Mensenzoon is gekomen, om te zoeken en te redden wat verloren was.
10прийшов бо Син чоловічий, щоб шукати й спасати погибше.
11Daar ook de anderen dit hoorden, voegde Hij er een gelijkenis aan toe, omdat Hij dicht bij Jerusalem was, en men nu dacht, dat het koninkrijk Gods terstond zou verschijnen.
11Як же слухали вони се, додавши сказав приповість: бо був Він близько Єрусалиму, й думали вони, що зараз має царство Боже явитись.
12Hij sprak dus: Een man van hoge geboorte reisde eens naar een ver land, om er de koninklijke waardigheid te ontvangen, en dan terug te keren.
12Рече ж оце: Один чоловік значного роду йшов у землю далеку прийняти собі царство, та й вернутись.
13Hij riep tien van zijn dienaars, gaf hun tien ponden, en zei hun:Drijft er handel mee, tot ik terugkom.
13Покликавши ж десять слуг своїх, дав їм десять мин срібла, та й сказав до них: Орудуйте, поки прийду.
14Zijn landgenoten haatten hem echter, en zonden hem een gezantschap achterna met de opdracht: We willen hem niet als koning over ons.
14Міщане ж його ненавидїли його, й післали посли слїдом за ним, кажучи: Не хочемо сього, щоб царював над нами.
15Toen hij nu de koninklijke waardigheid had ontvangen, keerde hij terug, en liet de dienaars ontbieden, wien hij het geld had gegeven, om te vernemen, wat voor zaken ze hadden gedreven.
15І сталось, як вернув ся він, прийнявши царство, сказав прикликати собі слуг тих, що дав їм срібло, щоб знати, хто що зʼорудував.
16De eerste verscheen en sprak: Heer, uw pond heeft tien pond winst opgeleverd.
16Прийшов же первий, кажучи: Пане, мина твоя приробила десять мин.
17Hij zei hem: Heel best, goede knecht; omdat ge over weinig getrouw zijt geweest, ontvang het bestuur over tien steden.
17І рече йому: Гаразд, добрий слуго; що у найменшому вірен був єси, то май власть над десятьма городами.
18De tweede kwam, en sprak: Heer, uw pond heeft vijf pond opgebracht.
18І приступив другий, кажучи: Пане, мина твоя зробила пять мин.
19Tot hem zeide hij: Voer ook gij het bewind over vijf steden.
19Рече ж і сьому: І ти будь над пятьма городами.
20Nu kwam ook de derde en sprak: Heer, hier is uw pond; ik heb het zorgvuldig in een doek opgeborgen.
20Приступив і инший, кажучи: Пане, ось мина твоя, котру я мав сховану в хустцї:
21Want ik was bang voor u, omdat ge een streng man zijt. Ge vordert op, wat ge niet hebt gegeven, en ge maait wat ge niet hebt gezaaid.
21боявсь бо тебе, що ти чоловік жорстокий: береш, чого не клав єси, і жнеш, чого не сїяв.
22Hij zei hem: Met uw eigen woorden zal ik u oordelen, boze knecht. Ge wist, dat ik een streng man ben; dat ik opvorder wat ik niet heb gegeven, en maai wat ik niet heb gezaaid.
22Рече ж йому: З уст твоїх судити му тебе, лукавий слуго. Знав єси, що я чоловік жорстокий: беру, чого не клав, і жну, чого не сїяв;
23Waarom hebt ge dan mijn geld niet uitgezet op de bank; dan zou ik het bij mijn komst met rente hebben teruggekregen.
23а чом же не дав єси срібла мого у міняльню? і я, прийшовши, з лихвою виміг би його.
24En tot de omstanders zeide hij: Neemt hem het pond af, en geeft het aan hem, die de tien ponden heeft.
24І рече стоячим коло него: Візьміть від него мину, а дайте маючому десять мин.
25Ze zeiden hem: Heer, hij heeft reeds tien pond.
25(І казали йому: Пане, має десять мин.)
26Ik zeg u: Wie heeft, aan hem zal worden gegeven; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden wat hij bezit.
26Глаголю бо вам: Що всякому маючому дасть ся, від немаючого ж і, що має, візьметь ся від него.
27En wat mijn vijanden aangaat, die me niet tot koning over zich wilden, brengt ze hier, en steekt ze voor mijn ogen neer.
27А ворогів моїх тих, що не хочуть, щоб царював над ними, приведїть сюда, та й повбивайте передо мною.
28Na deze woorden ging Hij voorop, en trok naar Jerusalem.
28І, промовивши се, пійшов далїй, ідучи в Єрусалим.
29En toen Hij Bétfage en Betánië was genaderd, op de berg, die de Olijfberg heet, zond Hij twee van zijn leerlingen vooruit,
29І сталось, як наближавсь до Витфагиї та Витаниї, до гори, званої Оливної, післав двох з учеників своїх,
30en sprak: Gaat naar het dorp hier tegenover; zodra gij er binnen komt, zult gij er een veulen vinden, dat vastgebonden is, en waarop nog geen mens heeft gezeten; maakt het los, en brengt het hier.
30глаголючи: Ідїть у село, що перед вами, у котре ввійшовши, знайдете осля привязане, що на него нїхто з людей нїколи не сїдав. Одвязавши його, приведїть.
31En zo iemand u vraagt: Waarom maakt gij het los? moet gij hem zeggen: De Heer heeft het nodig.
31І коли хто вас поспитає: На що одвязуєте? так скажіть йому: Що Господеві треба його.
32Zij die vooruit werden gezonden, gingen er heen, en vonden het, zoals Hij het hun had gezegd.
32Пійшовши ж послані, знайшли, як Він сказав їм.
33Toen ze het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tot hen: Waarom maakt gij het veulen los?
33Як же одвязували вони осля, казали господарі його до них: На що одвязуєте осля?
34Ze zeiden: De Heer heeft het nodig.
34Вони ж сказали: Господеві його треба.
35En ze brachten het veulen bij Jesus, legden er hun mantels over heen, en hielpen Jesus er op.
35І привели його до Ісуса; й, накинувши свою одежу на осля, посадили Ісуса.
36Terwijl Hij voortreed, spreidden ze hun mantels uit over de weg.
36Як же Він їхав, простилали одежу свою по дорозї.
37En toen Hij reeds aan de helling van de Olijfberg was gekomen, begon heel de groep van leerlingen vol blijdschap met luider stem God te verheerlijken om al de wonderen, die ze hadden aanschouwd;
37Коли ж вже наближив ся Він до збочу гори Оливної, почало все множество учеників радуючись хвалити Бога голосом великим за всї чудеса, що бачили,
38en ze zeiden: Gezegend de Koning, Die komt in de naam des Heren! Vrede in de hemel, En glorie in den hogen!
38говорячи: Благословен грядущий цар в імя Господнє; впокій на небі, і слава на вишинах!
39Enige farizeën uit de menigte zeiden tot Hem: Meester, breng uw leerlingen tot bezinning.
39А деякі з Фарисеїв між народом казали до Него: Учителю, закажи ученикам Твоїм.
40Maar Hij gaf hun ten antwoord: Ik zeg u: Als zij zwijgen, dan zullen de stenen gaan roepen.
40І озвавшись рече їм: Глаголю вам, що коли сї замовкнуть, каміннє кричати ме.
41En toen Hij de stad naderde en haar zag, weende Hij over haar, en sprak:
41І, як наближивсь, то, побачивши город, заплакав над ним,
42Ach, mocht ook gij op deze dag nog erkennen, wat u tot vrede strekt; maar dat is thans voor uw ogen verborgen!
42глаголючи: О, коли б зрозумів і ти хоч у день сей твій, що для впокою твого! тепер же воно закрито перед очима твоїми.
43Waarachtig, er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal om u werpen, u omsingelen, en u van alle kanten benauwen;
43Бо прийдуть днї на тебе, й обкинуть вороги твої валами тебе, та й обляжуть тебе, й стиснуть тебе звідусюди.
44dat ze u zullen verdelgen, u en uw kinderen, die in u wonen; en dat ze bij u geen steen op de andere zullen laten, omdat ge uw tijd van ontferming niet hebt erkend.
44І з землею зрівняють тебе й дїти твої у тобі; і не зоставлять у тобі каменя на каменї; бо не розумів єси часу одвідин твоїх.
45Toen trad Hij de tempel binnen, en begon er de kooplieden uit te drijven.
45І ввійшовши у церкву, почав виганяти продаючих і купуючих,
46Hij zei hun: Er staat geschreven: “Mijn huis is een huis van gebed; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt”.
46глаголючи їм: Писано: Дом мій — дом молитви; ви ж його зробили вертепом розбійників.
47Nu leerde Hij dagelijks in de tempel. Maar de opperpriesters, schriftgeleerden en de hoofden van het volk zochten Hem te doden.
47І навчав що-дня в церкві. Архиєреї ж та письменники й значні людські шукали Його вбити.
48Ze vonden echter geen middel, om hun plan ten uitvoer te brengen; want al het volk hing Hem aan, en luisterde naar Hem.
48І не знайшли, що б зробити Йому; народ бо ввесь горнувсь до Него, слухаючи.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.