Lucas 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nog sprak Hij tot zijn leerlingen: Er was eens een rijk man, die een rentmeester had. Deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn goederen verkwistte.
1Промовив же і до учеників своїх: Один чоловік був багатий, що мав приставника; і обвинувачено сього йому, що розсипає маєток його.
2Hij ontbood hem, en zeide: Wat hoor ik van u? Geef rekenschap van uw beheer; want ge kunt geen rentmeester meer blijven.
2І, покликавши його, каже йому: Що се чую про тебе? Дай менї перелїк з твого приставництва, бо не можна вже тобі бути приставником.
3Toen dacht de rentmeester bij zichzelf: Wat zal ik doen? Want mijn heer neemt mij het rentmeesterschap af; en voor spitten ben ik niet sterk genoeg, voor bedelen schaam ik mij.
3Каже ж у собі приставник: Що менї робити, що пан мій бере приставництво від мене? Копати не вмію, просити соромлюсь.
4Ik weet wat ik doen moet, opdat ze mij bij zich in huis zullen nemen, wanneer ik als rentmeester ben afgezet.
4Знаю, що зроблю, щоб, як відставлений буду від приставництва, прийняли мене в господи свої.
5Hij ontbood één voor één de schuldenaars van zijn heer. En tot den eersten sprak hij: Hoeveel zijt ge mijn heer schuldig?
5І покликавши кожного з довжників пана свого, каже первому: Скільки ти винен панові моєму?
6Hij zei: Honderd vat olie. Hij sprak tot hem: Ziehier uw schuldbekentenis; ga zitten, en schrijf: Vijftig.
6Він же каже: Сто мір оливи. І каже йому: Візьми твою розписку, та сївши хутко, пиши пятьдесять.
7En tot een tweede sprak hij: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? Hij zei: Honderd mud tarwe. Hij sprak tot hem: Ziehier uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig.
7Потім другому каже: Ти ж скільки винен? Він же каже: Сто мір пшеницї. І каже йому: Візьми твою розписку, та напиши вісїмдесять.
8En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij met overleg had gehandeld. Waarachtig, de kinderen dezer wereld behartigen hun belangen met meer overleg dan de kinderen van het licht.
8І похвалив пан приставника неправедного, що мудро вчинив; сини бо віку сього мудріщі над синів сьвітла в родї своїм.
9Ik zeg u: Maakt u vrienden door de ongerechte mammon, opdat, wanneer hij u komt te ontvallen, zij u mogen opnemen in de eeuwige tenten.
9І я вам глаголю: Робіть собі приятелів від мамони неправди, щоб, як будете в недостатках, прийняли вас у вічні оселї.
10Wie betrouwbaar is in het kleine, is ook betrouwbaar in het grote; en die onbetrouwbaar is in het kleine, is ook onbetrouwbaar in het grote.
10Вірний у найменшому, і в великому вірний, а в найменшому неправедний, і в великому неправедний.
11Zo gij dus onbetrouwbaar zijt in de valse rijkdom, wie zal u dan de waarachtige rijkdom toevertrouwen?
11Коли ж оце у неправедній мамонї вірні не будете, то правдиве хто вам звірить?
12En zo gij onbetrouwbaar zijt in het goed van een ander, wie zal u geven, wat u toekomt.
12І коли у чужому вірні не були, ваше хто вам дасть?
13Geen dienaar kan twee heren dienen; hij zal of den één haten en den ander beminnen, of den één aanhangen en den ander verachten. Gij kunt God niet dienen en de mammon.
13Жаден слуга не може двом панам служити: або одного ненавидїти ме, а другого любити ме; або до одного прихилить ся, а другим гордувати ме. Не можете Богові служити й мамонї.
14De farizeën hoorden dit alles; maar omdat ze gierig waren, lachten ze Hem uit.
14Чули ж се все й Фарисеї, що були сріблолюбцями, та й насьміхались із Него.
15Hij zei hun: Gij doet u als rechtvaardig voor in het oog van de mensen; maar God kent uw harten. Want wat verheven is bij de mensen, is een gruwel in Gods oog.
15І рече їм: Ви оправдуєте себе перед людьми, Бог же знає серця ваші, бо що в людей високе, те огида перед Богом.
16De Wet en de Profeten waren tot aan Johannes van kracht; van toen af is het koninkrijk Gods verkondigd, en allen bestormen het met geweld.
16Закон і пророки до Йоана. З того ж часу царство Боже благовіствуєть ся, і кожен силою здобуває його.
17Toch zal gemakkelijker hemel en aarde vergaan, dan dat er een enkele streep van de Wet zou vervallen.
17Легше ж небу та землї перейти, нїж із закону одній титлї пропасти.
18Wie zijn vrouw verstoot, en een andere huwt, pleegt echtbreuk; en wie een vrouw huwt, die door haar man is verstoten, pleegt echtbreuk.
18Всякий, хто розводить ся з жінкою своєю, і женить ся з иншою, робить перелюб; і всякий, хто женить ся з розведеною з чоловіком, робить перелюб.
19Er was eens een rijk man, die in purper en fijn linnen gekleed ging, en, dag in dag uit, een weelderig leven genoot.
19Один же чоловік був заможний, і одягавсь у кармазин та висон, і жив що-дня пишно.
20Maar er was ook een bedelaar, Lázarus geheten, die zich bij zijn voorportaal had neergelegd. Hij was met zweren bedekt,
20Убогий же один був, на ймя Лазар, що лежав перед ворітьми його ввесь у струпі,
21en was begerig, om zijn honger te stillen met de afval van de tafel van den rijke; en de honden kwamen zijn zweren likken.
21і бажав погодуватись окрушинами, що падали з стола багатиревого; тільки ж і собаки приходячи лизали рани його.
22Maar toen de arme gestorven was, werd hij door de engelen in Abrahams schoot gedragen. Daarna stierf ook de rijke, en werd begraven.
22Стало ся ж, що вмер убогий, і перенесли його ангели на лоно Авраамове; умер же й багатир і поховали його.
23En terwijl hij in de hel werd gefolterd, sloeg hij zijn ogen op, en zag Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot.
23І в пеклї зняв він очі свої, бувши в муках, і побачив оддалеки Авраама, й Лазаря на лонї його.
24En luid riep hij uit: Vader Abraham, heb medelijden met mij, en zend Lázarus hierheen; laat hem de top van zijn vinger in water dopen, om mijn tong te verfrissen; want ik lijd hier geweldige smart in de vlammen.
24І покликнувши він, каже: Отче Аврааме, помилуй мене та пішли Лазаря, нехай умочить конець пальця свого в воду та прохолодить язик мій; бо я мучусь у поломї сьому.
25Maar Abraham sprak: Kind, denk er aan, dat gij in uw leven het goede hebt ontvangen, en Lázarus toen het kwade; nu wordt hij hier vertroost, en gij lijdt pijn.
25Рече ж Авраам: Дитино, спогадай, що прийняв єси добре твоє в життю твоїм, а Лазар так само лихе; тепер же він тут утїшаєть ся, а ти мучиш ся.
26Bovendien gaapt er tussen ons en u een geweldige afgrond; zodat men van hier niet naar u kan gaan, ook al zou men het willen, en men van ginds niet naar ons komen kan.
26Та ще й до того, між нами й вами пропасть велика утвердилась, щоб которі схотїли перейти звідсїля до вас, не здолїли; анї звідтіля до нас не перейшли.
27Toen zeide hij: Ik bid u dan, vader, dat ge hem naar het huis van mijn vader stuurt.
27Каже ж він: Благаю ж тебе, отче, щоб післав його до дому батька мого:
28Want ik heb vijf broers; laat hij ze gaan waarschuwen, opdat ook zij niet in deze folterplaats komen.
28маю бо пять братів; нехай сьвідкує їм, щоб і вони не прийшли у се місце муки.
29Maar Abraham sprak tot hem: Ze hebben Moses en de profeten; laten ze luisteren naar hen.
29Рече йому Авраам: Мають вони Мойсея і пророків; нехай слухають їх.
30Hij zei: Neen, vader Abraham; maar wèl zullen ze zich bekeren, wanneer er iemand van de doden tot hen komt.
30Він же каже: Нї, отче Аврааме; тільки ж, коли б хто з мертвих прийшов до них, покають ся.
31Maar hij zei hem: Als ze niet luisteren naar Moses en de profeten, dan zullen ze zich ook niet laten gezeggen, zelfs al stond er iemand op uit de doden.
31Рече ж йому: Коли Мойсея і пророків не слухають, то, коли б хто й з мертвих воскрес, не піймуть віри.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.