Lucas
Chapter 16
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Nog sprak Hij tot zijn leerlingen: Er was eens een rijk man, die een rentmeester had. Deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn goederen verkwistte.
1A PIL kotin majani on tounpadak kan: Ol kapwapwa men mia, me a jaunkoa men indandeki, a peitlakit a koa kapwa kan.
2Hij ontbood hem, en zeide: Wat hoor ik van u? Geef rekenschap van uw beheer; want ge kunt geen rentmeester meer blijven.
2I ari eker don i indan i: Iaduen ai ronadar duen koe? Kaineneta noum kijin likau duen om dodok! Pwe koe jolar kak jaunkoa.
3Toen dacht de rentmeester bij zichzelf: Wat zal ik doen? Want mijn heer neemt mij het rentmeesterschap af; en voor spitten ben ik niet sterk genoeg, voor bedelen schaam ik mij.
3Jaunkoa ap madamadaua indada: Da me i en wia, pwe ai monjap pan ki jan ia ai koa, nan I jota kak weweir, a poekipoeki me i namenokki.
4Ik weet wat ik doen moet, opdat ze mij bij zich in huis zullen nemen, wanneer ik als rentmeester ben afgezet.
4I ap ajada, me i pan wia, i lao japwilidi jan ai koa, pwe irail en kajamo ia Ion on nan im ar akan.
5Hij ontbood één voor één de schuldenaars van zijn heer. En tot den eersten sprak hij: Hoeveel zijt ge mijn heer schuldig?
5I ari ekeredo me pwaipwand on a monjap, ap idok ren men maj: Da me om pwaipwand on ai monjap?
6Hij zei: Honderd vat olie. Hij sprak tot hem: Ziehier uw schuldbekentenis; ga zitten, en schrijf: Vijftig.
6A inda: Potel en le epuki. A indai on i: Ale noum puk mondi pitipit intiniedi me limeijok!
7En tot een tweede sprak hij: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? Hij zei: Honderd mud tarwe. Hij sprak tot hem: Ziehier uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig.
7Ap pil indai on amen: A koe, da me om pwaipwand? A inda: Kopa en wan korn epuki. A indan i: Ale noum puk intiniedi me waleijok!
8En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij met overleg had gehandeld. Waarachtig, de kinderen dezer wereld behartigen hun belangen met meer overleg dan de kinderen van het licht.
8Monjap ap kapina jaunkoa japun, pweki a dodok lolekon. Pwe jeri en jappa kan me lolekon ni jon ar jan jeri en marain akan.
9Ik zeg u: Maakt u vrienden door de ongerechte mammon, opdat, wanneer hij u komt te ontvallen, zij u mogen opnemen in de eeuwige tenten.
9I ap indai on komail, komail wia kompoke pamail ki mamon japun pwe komail lao jama malar, ren kajamolon on nan deu potopot.
10Wie betrouwbaar is in het kleine, is ook betrouwbaar in het grote; en die onbetrouwbaar is in het kleine, is ook onbetrouwbaar in het grote.
10Meamen apwali mau me tikitik o, nan i me pil kin apwali mau me lapalap. A me kin japun ni me tikitik o, nan i me pil japun ni me toto.
11Zo gij dus onbetrouwbaar zijt in de valse rijkdom, wie zal u dan de waarachtige rijkdom toevertrouwen?
11Ma komail jota apwali mau ai pali pa, ij me pan liki on omail pai pali poa?
12En zo gij onbetrouwbaar zijt in het goed van een ander, wie zal u geven, wat u toekomt.
12O ma komail jota apwali mau en amen a kapwa, ij me pan liki on komail me udan omail?
13Geen dienaar kan twee heren dienen; hij zal of den één haten en den ander beminnen, of den één aanhangen en den ander verachten. Gij kunt God niet dienen en de mammon.
13Jota ladu men me pan kak papa jaumaj riamen; pwe a pan kailonki amen o pok on me teio. De kajampwaleki amen o mama leki me teio. Komail jota pan kak pariai pena Kot o mamon.
14De farizeën hoorden dit alles; maar omdat ze gierig waren, lachten ze Hem uit.
14Pari jar akan, me kin pok on moni, pil ronadar mepukat, ap kaurureki i.
15Hij zei hun: Gij doet u als rechtvaardig voor in het oog van de mensen; maar God kent uw harten. Want wat verheven is bij de mensen, is een gruwel in Gods oog.
15A kotin majani on irail: Nan komail me kin akapunki pein komail ren aramaj, a Kot kin mani nan monion omail. Pwe me kajampwal ren aramaj, kin me mal ren Kot.
16De Wet en de Profeten waren tot aan Johannes van kracht; van toen af is het koninkrijk Gods verkondigd, en allen bestormen het met geweld.
16Kapun o jaukop akan kokoper lel ni muein Ioanej. A jan ni anjau o ronamau en wein Kot kin lolok jili, a karoj kin pedelonki manaman.
17Toch zal gemakkelijker hemel en aarde vergaan, dan dat er een enkele streep van de Wet zou vervallen.
17Nan me monai, lan o jappa pan jorela, jan ekij kijan kapun en lokidokila.
18Wie zijn vrouw verstoot, en een andere huwt, pleegt echtbreuk; en wie een vrouw huwt, die door haar man is verstoten, pleegt echtbreuk.
18Meamen kajela a paud, ap paudeki amen li, nan i me kamal, o meamen me paudekida me lokidokila jan ren ol amen, nan i me kamal.
19Er was eens een rijk man, die in purper en fijn linnen gekleed ging, en, dag in dag uit, een weelderig leven genoot.
19Ol kapwapwa men mia, me a likau waitata o materok o a kin kamadip o peren ni ran karoj.
20Maar er was ook een bedelaar, Lázarus geheten, die zich bij zijn voorportaal had neergelegd. Hij was met zweren bedekt,
20O pil amen ol me jamama, ad a Lajaruj, me kin wonon pan wanim en ol kapwapwa o; a kenjela kili karoj.
21en was begerig, om zijn honger te stillen met de afval van de tafel van den rijke; en de honden kwamen zijn zweren likken.
21Ap men tunole maremor akan, me kin pupedi ni tepel en me kapwapwa; a kidi kan kin tamotamo a kenj akan.
22Maar toen de arme gestorven was, werd hij door de engelen in Abrahams schoot gedragen. Daarna stierf ook de rijke, en werd begraven.
22A kadekadeo me jamama o mela o tounlan kai ap wadala pon kapa en Apraam. A me kapwapwa o pil mela o jaredier.
23En terwijl hij in de hel werd gefolterd, sloeg hij zijn ogen op, en zag Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot.
23Ni a mi nan pweleko, wajan waiwairok, ap jarada, udial Apraam ni waja doo o Lajaruj mondi pon kapa,
24En luid riep hij uit: Vader Abraham, heb medelijden met mij, en zend Lázarus hierheen; laat hem de top van zijn vinger in water dopen, om mijn tong te verfrissen; want ik lijd hier geweldige smart in de vlammen.
24Ap likwirda indada: Jam (ai) Apraam, kom kotin kupura ia, poronedo Lajaruj en kaduedi jondin pa a nan pil, ki on pon lo i, pwe i kin waiwairok nani iai wet.
25Maar Abraham sprak: Kind, denk er aan, dat gij in uw leven het goede hebt ontvangen, en Lázarus toen het kwade; nu wordt hij hier vertroost, en gij lijdt pijn.
25A Apraam kotin majani: Nai, tamanda, me koe tunoler om mau kan karoj ni maur om, a Lajaruj a me jued akan; ari a pan pereperenta, a koe pan kalokolok.
26Bovendien gaapt er tussen ons en u een geweldige afgrond; zodat men van hier niet naar u kan gaan, ook al zou men het willen, en men van ginds niet naar ons komen kan.
26A pil eu me kawela, wau kalaimun eu mi nan pun atail, pwe ma amen kit men japale won re omail, a jota pan kak, pil jota amen komail pan kakedo.
27Toen zeide hij: Ik bid u dan, vader, dat ge hem naar het huis van mijn vader stuurt.
27A ap inda: I ap men poeki, jam ai, komui en kotin poronelan Lajaruj nan im en jam ai.
28Want ik heb vijf broers; laat hij ze gaan waarschuwen, opdat ook zij niet in deze folterplaats komen.
28Pwe ri ai ol me limen, me a pan kaajaki irail; pwe ren de lel on waja apwal wet!
29Maar Abraham sprak tot hem: Ze hebben Moses en de profeten; laten ze luisteren naar hen.
29A Apraam majani on i: Mojej o jaukop akan mi re ’rail, ren nok ron irail.
30Hij zei: Neen, vader Abraham; maar wèl zullen ze zich bekeren, wanneer er iemand van de doden tot hen komt.
30A ol o potoan on: Kaidin jam (ai) Apraam, a ma amen jan ren me melar akan pan pwara don irail, rap pan kalula.
31Maar hij zei hem: Als ze niet luisteren naar Moses en de profeten, dan zullen ze zich ook niet laten gezeggen, zelfs al stond er iemand op uit de doden.
31A ap majani on i: Ma re jota pan ron Mojej o jaukop akan, re pil jota pan pojon la, ma amen pan maureda jan ren me melar akan.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.