Lucas
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Op een van die dagen, dat Hij het volk in de tempel onderrichtte en het evangelie verkondigde, traden de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten op Hem toe,
1KADEKADEO eu ran ni a kotin kawewe on aramaj akan nan im en kaudok o, o padaki ronamau, jamero lapalap, o jaunkawewe, ianaki jaumaj akan ap ko don i.
2en zeiden tot Hem: Zeg ons, met wat recht doet Gij dit alles; of wie heeft U dit recht gegeven?
2Potoan on i indada: Majani on kit, manaman en ij, me komui wiaki mepukat? De ij me ki on komui manaman wet?
3Hij gaf hun ten antwoord: Ook Ik zal u een vraag stellen; antwoordt Mij.
3A kotin japen majani on irail: I pil pan kalelapok meakot re omail, komail en japen ia!
4Was het doopsel van Johannes van de hemel of van de mensen?
4En Ioanej a paptaij men nanlan, de me ren aramaj?
5Ze overlegden bij zichzelf: Als we zeggen: “Van de hemel”, dan zal Hij antwoorden: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
5Irail ap lamelame nan pun arail indada: Ma kitail pan inda, men nanlan, a pan majani on kitail: Da me komail jo pojonki i?
6Zeggen we: “Van de mensen”, dan zal het hele volk ons stenigen; want het is overtuigd, dat Johannes een profeet was.
6A ma kitail inda, me ren aramaj, aramaj karoj ap pan kate kit, pwe re kin wia jaukopki Ioanej.
7Ze antwoordden dus, dat ze niet wisten, waar het vandaan was.
7Irail ari japen, me re jaja, waja me a kojan ia.
8Nu sprak Jesus tot hen: Dan zeg Ik u evenmin, met welk recht Ik dit alles doe.
8Iejuj ap kotin majani on irail: Ari, I pil jota pan indai on komail, manaman en ij, me I wiaki mepukat.
9Nu stelde Hij het volk deze gelijkenis voor: Een man plantte een wijngaard, verpachtte hem aan landbouwers, en vertrok voor lange tijd naar het buitenland.
9A ap kotin tapiada majani on pokon o karajeraj wet: Aramaj amen padukedier mat en wain eu, ap liki on jaumat akai, o kokola nan wai anjau warai.
10Op de vastgestelde tijd zond hij een knecht tot de landbouwers, opdat ze hem zijn aandeel der vruchten van de wijngaard zouden geven. Maar de landbouwers sloegen hem, en stuurden hem met lege handen weg.
10A lao anjau, a kadaralan jaumat akan ladu men, pwe ren ki on kijan wan wain. A jaumat akan woki i, o kadarala i kaip.
11Opnieuw zond hij een anderen knecht; maar ze sloegen en hoonden hem, en stuurden hem met lege handen weg.
11A murin met a pil kadarala amen ladu, a re pil woki i, o wia juedi on, o kadarala i kaip.
12Nog zond hij een derde; ook hem verwondden ze, en smeten hem er uit.
12A murin met a kadarala kajilimen. A re pil kame i o jiken wei jan.
13Toen sprak de heer van de wijngaard: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; misschien dat ze voor hem ontzag zullen hebben.
13Monjap en mat en wain o ap majani: Da me i en wiada? I pan kadarala nai ol kompok, ele re pan majak, ni ar pan kilan i.
14Maar toen de landbouwers hem zagen, overlegden ze met elkaar, en zeiden: Dat is de erfgenaam; laten we hem doden, dan zullen wij de erfenis krijgen.
14A jaumat akan lao kilaner i, rap lamelame nan pun ar indada: Iei i, me pan ale jojo, kitail pan kamela, pwen id aneki a jojo.
15Ze wierpen hem buiten de wijngaard, en doodden hem. Wat zal nu de heer van de wijngaard met hen doen?
15Irail lao kajapoka jan i nan matuel o, ap kamela i. Da me monjap en mat en wain pan wiai on irail?
16Hij zal die landbouwers komen verdelgen, en de wijngaard aan anderen geven. Toen ze dit hoorden, zeiden ze: Dat nooit!
16A pan kodo kamela jaumat pukat, ap liki on akai a mat en wain. Irail lao roner mepukat, rap indada: O mepukat jota pan wiaui!
17Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat betekent dan wat er geschreven staat: “De steen, die de bouwlieden verwierpen, Hij is de hoeksteen geworden”?
17A kotin jaupei won irail ap kotin majani: Iaduen wewe en intin wet: Takai o, me jauje kajapokela, id wiala takai en pukakaim?
18Wie op deze steen valt, zal worden verbrijzeld; en op wien hij valt, dien zal hij verpletteren.
18Meamen, me pupedi pon takai wet pan ola. A me a pupedi on poa, a pan kapitaka pajan i.
19Nu zochten de opperpriesters en schriftgeleerden onmiddellijk de hand aan Hem te slaan; maar ze vreesden het volk. Want ze begrepen, dat Hij met die gelijkenis op hen had gedoeld.
19I dokan o jaunkawewe o jamero lapalap akan raparapaki en jaikidi i. A re majak aramaj akan, pwe re muilikiada, me a karajeraj kin irail.
20Ze lieten Hem nu bespieden, en zonden spionnen op Hem af, die zich als goedgezinden moesten voordoen, om Hem in zijn eigen woorden te verstrikken, en Hem dan over te leveren aan de overheid en aan de macht van den landvoogd.
20Irail ari majamajan i o kadarala liparok kai, me pan wia kin pein irail aramaj pun, pwe ren jaikikidi i a majan akan ap panalan jaunkapun o manaman en kopina.
21Ze vroegen Hem dus: Meester, we weten, dat Gij ronduit spreekt en leert, en niemand naar de ogen ziet, maar de weg van God naar waarheid leert.
21Irail ari kalelapok re a potoan on: Jaunpadak, kit potoan aja, me ar majan o padak kan me pun, o re jota kotin kupuroki janjal en aramaj. Pwe re kin kotin kaukaweweda melel duen al en Kot.
22Is het ons geoorloofd, den keizer belasting te betalen, of niet?
22Me pun kit en nopwei on nanmarki, de jo?
23Maar Hij doorzag hun list, en zei tot hen:
23A i kotin mani ar widin, ap majani on ir: Da me komail kajonejon kin ia?
24Toont Mij een tienling; wiens beeld en randschrift draagt hij? Ze zeiden: Van den keizer.
24Kajale don ia denar eu! Mom en ij o intin wet? Re japen potoan on: En nanmarki.
25Hij sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt, en geeft aan God, wat God toekomt.
25A i kotin majani on irail: Ari komail ki on nanmarki, me nain nanmarki, o on Kot, me japwilim en Kot!
26Ze konden hem in het bijzijn van het volk niet in zijn eigen woorden verstrikken; ze waren verbaasd over zijn antwoord, en zwegen stil
26Irail ari jota kak jaikikidi I a majan akan mon pokon o. Irail puriamuiki me a kotin japen, o nenenlata.
27Nu kwamen er enige sadduceën naar Hem toe, die de verrijzenis loochenen; ze ondervroegen Hem,
27Jadujar akai, me kin inda, me dene melar akan jolar pan maureda, ap kai don i kalelapok re a,
28en zeiden: Meester, Moses heeft ons voorgeschreven, dat, zo iemands broer gehuwd is en kinderloos sterft, zijn broer de vrouw moet huwen, en nakomelingschap voor zijn broer moet verwekken.
28Potoan on: Jaunpadak, Mojej intinie don kit, ma ri ol en amen pan mela, me a paud li dapwan men, ri a ol ap pan paudekida i, pwen kaipwi on ri a ol na jeri kai.
29Nu waren er zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.
29Ari, pwin pirien, ol ijimen mia, men maj paudeki li amen, ap mela, a jota na jeri ko.
30Nu huwde de tweede haar,
30A kariamen paude kida li o ap mela a jota na jeri ko.
31ook de derde, en zo verder alle zeven; en ze stierven kinderloos.
31A kajilimen paude kida i, iduen ir ijimen karoj, re mela, ap jota nairail jeri ko.
32Ten laatste stierf ook de vrouw.
32A ikmuri li o pil mela.
33Wien van hen zal ze nu bij de verrijzenis als vrouw toebehoren? Ze hebben haar immers alle zeven tot vrouw gehad.
33Ari, ni en me melar akan ar iajada, a pan en ij a paud? pwe ir ijimen karoj paude kida i.
34Jesus sprak tot hen: De kinderen dezer wereld huwen en worden uitgehuwd.
34Iejuj kotin majani on irail: Jeri en jappa et kin papaud o kapapaud.
35Maar zij, die waardig worden bevonden, deel te hebben aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, zullen huwen noch uitgehuwd worden.
35A me war on ale eu jap o konodi maureda jan ren me melar akan, re jota kin papaud de kapapaud.
36Ze kunnen immers niet meer sterven; want ze zijn aan engelen gelijk, en als kinderen der verrijzenis ook kinderen Gods.
36Pwe re pil jolar kak mela. Pwe re paroki on tounlan kan, o re jeri en Kot akan, pwe re jeri en kamaur.
37En dat de doden verrijzen, gaf ook Moses te kennen in het Braambosverhaal, wanneer hij den Heer den God van Abraham, den God van Isaäk en den God van Jakob noemt.
37A duen en me melar akan ar pan maureda, Mojej pil kadededa, ni a udial tuka o, ni a kaadaneki Kaun o: Kot en Apraam, o Kot en Ijaak, o Kot en Iakop.
38Hij is toch geen God van doden, maar van levenden; want allen leven voor Hem.
38Pwe Kot kaidin Kot en me melar akan, a en me maur akan, pwe karoj memaur on i.
39Toen namen sommigen van de schriftgeleerden het woord, en zeiden: Meester, Gij hebt goed gesproken;
39A Jaunkawewe kai japen indada: Jaunpadak, ar majan me pun.
40en ze durfden Hem geen vragen meer stellen.
40Irail ap jolar kak peidok re a okotme,
41Nu sprak Hij tot hen: Hoe beweert men toch, dat de Christus de Zoon van David is?
41I ari kotin majani on irail: Iaduen ar indinda, me Krijtuj nain Dawid?
42Want David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand,
42A pein Dawid katitiki nan puk en Pjalm: Kaun o kotin majani on ai Kaun: Mondi on ni pali maun i.
43Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten.
43Lao I pan wia kida om imwintiti utepan na om.
44David noemt Hem dus Heer; hoe is Hij dan zijn Zoon?
44Dawid ari wia kin i a Kaun, a iaduen a pan kak na ol?
45En terwijl al het volk het hoorde, sprak Hij tot zijn leerlingen:
45A ni aramaj karoj ronadar, a kotin majani on japwilim a tounpadak kan:
46Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden in lange gewaden rond te lopen en op de markt te worden begroet; die de eerste zetels begeren in de synagogen, en de eerste plaatsen aan de gastmalen;
46Kalaka jaunkawewe kan, me kin mauki momait jili nan likau reirei o mauki, aramaj en ranamau on irail nan waja en netinet akan, o men mondi leppantam nan jinakoke kan o ni tapin tepel.
47die het goed der weduwen verslinden, en voor de schijn lange gebeden verrichten. Ze zullen des te strenger worden gevonnist.
47Me kin nopur im en li odi kan, liajojki kapakap reirei, mepukat pan panalan kadeik apwal.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.