Lucas
Chapter 24
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Maar op de eerste dag der week, zeer vroeg in de morgen, gingen ze naar het graf met de specerijen, die ze hadden bereid.
1A NIN tapin wik, nin joran kaualap re pwara don joujou o, wado potik kai me re kaonopadar;
2Ze vonden de steen van het graf op zij gerold;
2Irail ari diaradar, me takai o kadapura jan joujou o,
3en toen ze er in waren gegaan, vonden ze het lichaam van den Heer Jesus niet.
3O irail lao pedelon on lole, ap jota diarada kalep en Kaun Iejuj.
4Terwijl ze nu niet goed wisten, wat ze er van moesten denken, zie, daar stonden twee mannen bij haar in schitterend gewaad.
4Kadekadeo irail lao injenjued kidar, kilan, ol riamen, me likau kida likau linan, ap pwara don irail.
5Toen ze hevig verschrikt het hoofd ter aarde bogen, spraken ze tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?
5Irail lao majapwekadar o ikiokidi nan pwel, ira ap majani on irail: Da me komail raparapaki me maur amen ren me melar akan?
6Hier is Hij niet; Hij is verrezen. Herinnert u, wat Hij tot u heeft gezegd, toen Hij nog in Galilea was:
6A joer kotikot met, a iajadar. Tamanda, me a kotin majani on komail ni a kotikoteta Kalilaa,
7“De Mensenzoon moet in de handen van zondaars worden overgeleverd en gekruisigd, maar de derde dag zal Hij verrijzen”.
7Mamajani: Nain aramaj pan panalan ni pa en me dipan akan, o lopuela, o ni ran kajilu a pan iajada.
8Nu herinnerden ze zich zijn woorden.
8Ir ari tamanda a majan akan.
9Ze gingen heen van het graf, en vertelden dit alles aan al de elf en de overigen.
9O purodo jan nin joujou o, ap kaireki mepukat on ekamen ko o on me tei kan karoj.
10Het waren Maria Magdalena, Johanna, en Maria van Jakobus; ook de andere vrouwen, die bij haar waren, zeiden hetzelfde aan de apostelen.
10Maria men Makdala, o Ioana, o Maria in en Iokopuj, o me tei ko me ian irail, me kaireki mepukat on wanporon akan.
11Maar ze hielden haar woorden voor beuzelpraat, en ze geloofden haar niet.
11A arail kajoi likamata kajoi likam pot re ’rail, ap jota kamelele.
12Toch stond Petrus op, en liep naar het graf; hij bukte zich voorover, en zag alleen de windsels liggen. Hij ging heen, verbaasd over wat er gebeurd was.
12Petruj ap uda tanalan joujou o, rukedi on lole, ap diarada, me likau linen akan ta wonon waja kij, ap purodo jan o puriamui kida me wiauier.
13En zie, diezelfde dag waren er twee van hen op weg naar een dorp, Emmaus genaamd, dat zestig stadiën van Jerusalem ligt.
13A kilan ni ran ota riamen re ’rail momaitelan kijin kanim eu ad a Emaulj; a doo jan lerujalem mail wonu de iju.
14Ze spraken met elkander over al wat er gebeurd was.
14Ira ari kajokajoi penaer duen mepukat karoj.
15Terwijl ze met elkander spraken en van gedachten wisselden, kwam ook Jesus er bij, en ging met hen mee.
15Kadekadeo ni ara kajokajoi o idedok pena, pein Iejuj ap kotin pwara don ira o ian ira kotila.
16Maar hun ogen waren gesloten, zodat ze Hem niet erkenden.
16A maj ara me atiat, pwe re de aja i.
17Hij zei hun: Wat bespreekt gij zo druk met elkaar onderweg? Verdrietig bleven ze staan;
17I ari kotin majani on ira: Da me koma kajokajoi pena ni oma alialu, o da me koma injenjued kila?
18en een van hen, die Kléofas heette, gaf Hem ten antwoord: Zijt Gij dan vreemdeling in Jerusalem, dat Gij alleen niet weet, wat daar dezer dagen gebeurd is?
18Amen ira, me ad a Kleopaj, ap japen indan i: Koe men wai ta men nan lerujalem, me jaja, me wiauier waja o ni ran pukat?
19Hij zei hun: Wat dan? Ze zeiden Hem: Het betreft Jesus van Názaret, die een profeet was, machtig in werk en in woord, voor God en voor het hele volk,
19A kotin majani on ira: Pwe dakot? Ira ap indan i: Duen Iejuj en Najaret, me jaukop manaman amen ni a wiawia o majan akan mon Kot o aramaj karoj.
20en dien onze opperpriesters en oversten ter dood hebben overgeleverd en gekruisigd.
20O duen jamero lapalap o atail jaumaj akan ar panala i pwen pakadeikada on matala o kalopuela i.
21Wij zelf hadden gehoopt, dat Hij het was, die Israël zou verlossen; maar met dat al is het nu reeds de derde dag, sinds dat alles gebeurd is.
21A je kiki on, me a pan kotin kamaioda wein Ijrael. Ari ran wet pon jili pon murin mepukat wiauier.
22Toch hebben enige vrouwen, die bij ons behoren, ons doen ontstellen. Ze waren in de vroegte bij het graf gekomen,
22O pil kij at li akai kamajak kin kit ar pwaralan joujou o jankonai.
23en hadden zijn lichaam niet gevonden; maar ze zijn komen zeggen, dat ze een verschijning van engelen hadden gehad, die zeiden, dat Hij leeft.
23Ni ar jota diar kalep a, rap puredo indada, me re diaradar janjal en tounlan kai, me katitiki, me a iajadar,
24Daarop zijn sommigen van ons naar het graf gegaan, en hebben alles bevonden, zoals de vrouwen het hadden verteld; maar Hemzelf hebben ze niet gezien.
24O kij at kai kolan joujou o, ap diaradar, duen li oko kajoka joida, a i me re jota diarada.
25Nu sprak Hij tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet beter gelooft aan al wat de profeten hebben gezegd.
25A kotin majani on ira: O koma meid lolepon o pwand nan monion omail, en kamelele meakan, me jaukop akan kopadar.
26Moest de Christus dit alles niet lijden, en zó zijn glorie binnengaan?
26Kaidin i, me udan Krijtuj en kalokolok ap kodalan a linan?
27En te beginnen met Moses en al de profeten, verklaarde Hij hun, wat in heel de Schrift over Hem was voorspeld.
27A ap kotin kawewe on ira kijin likau kan duen pein i, tapiada ni Mojej kokodo lel jaukop akan.
28Toen ze bij het dorp waren gekomen, waar ze naar toe gingen, hield Hij Zich, alsof Hij verder wilde gaan.
28Irail ap koren ion kanim, me irail koko on. I ari kajonejon ira, dene a pan kotin daulul.
29Maar ze drongen bij Hem aan, en zeiden: Blijf bij ons, want het wordt avond, en de dag is al voorbij. Hij ging dus naar binnen, om bij hen te blijven.
29Ira ap nidinidiki i potoan on: Kom kotikoteta re at, pwe a pan waja ponier o ran wet koren ion imwijokela. A ap kotilon on nan im o, pwen mimieta re ra.
30Nadat Hij Zich met hen aan tafel had aangelegd, nam Hij het brood, sprak een dankgebed uit, brak het, en reikte het hun toe.
30Kadekadeo ni a kotin ian ira ni tepel o, a kotin limada prot, laolaoki, a lao pilitiki pena, a kotiki on ira.
31Nu gingen hun de ogen open, en herkenden ze Hem. Maar Hij verdween uit hun gezicht.
31Maj ara ap pad pajaner, ira ap aja i. A ap kotin joredi jan mo ’ra.
32Ze zeiden tot elkander: Brandde ons hart niet in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, en ons de Schriften verklaarde?
32Ira ap inda nan pun ara: Monion ata jota mokimokid ni a kotin mamajani on kita pon al o, ni a kotin kawewe on kita kijin likau kan?
33Onmiddellijk stonden ze op, en keerden naar Jerusalem terug. Ze vonden er alle elf met hun gezellen bijeen,
33Ira ari uda ni auer ota o purelan lerujalem, o diarada ekamen ko, o me ian ir, kot pena waja takij,
34die hun zeiden: De Heer is waarachtig verrezen, en is aan Simon verschenen.
34Katitiki: Nan melel Kauno kotin iajadar o pwara don Jimon,
35Nu verhaalden ook zij, wat er onderweg was gebeurd, en hoe ze Hem hadden herkend door het breken van het brood.
35Ira ap kajokajoi, me wiauier nani al o, o duen ara ajaki i a pilitiki pajan prot.
36Terwijl ze nog daarover spraken, stond Hij zelf in hun midden, en zeide hun: Vrede zij u.
36A ni ar majan pena mepukat, pein Iejuj ap kotin pwara don nan pun arail majani on ir: Komail popol!
37Ze werden van schrik en vrees bevangen, en meenden een geest te zien.
37Irail ari majapwekadar o wapondar, o re kiki on, me ani men, me re udial.
38Maar Hij sprak tot hen: Waarom zijt gij ontsteld, en waarom komt er twijfel op in uw hart?
38A kotin majani on irail: Da me komail majak ki? O menda lamelam pukat mi nan monion omail?
39Beziet mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij, en ziet toe; want een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb.
39Komail kilan pa i kat o nai kat, pwe pein nai ta. Doke ia o kilan, pwe ani jota kin uduk o ti, duen omail kilan ia.
40En bij die woorden toonde Hij hun zijn handen en voeten.
40A lao majani mepukat, ap kajale on irail lim a o aluwilu a kan.
41En toen ze van blijdschap het nog niet geloofden, maar vol verbazing waren, zeide Hij hun: Hebt gij hier iets te eten?
41A ni ar jota non kamelele pweki ar peren o puriamuiki, ap kotin majani on irail: Jota kan omail met?
42Ze gaven Hem een stuk gebraden vis.
42Rap ki on i kijan mam inin o onik.
43Hij nam het, en at er van voor hun ogen.
43I ari konot mo ’rail.
44Hij sprak tot hen: Dit is het, wat Ik tot u heb gesproken, toen Ik nog bij u was: “Alles moet worden vervuld, wat in de Wet van Moses, in Profeten en Psalmen van Mij staat geschreven”.
44A kotin majani on irail: I majan akan, me I ki on komail er, ni ai mimieta re omail, pwe karoj en pwaida, me intinidier duen nai nan kapun en Mojej, o jaukop akan, o pjalm akan.
45Toen verhelderden Hij hun inzicht, zodat ze de Schriften konden verstaan.
45I ap kotin kalolikoni irail, pwe ren dedeki kijin likau kai.
46En Hij zeide hun: Zó staat er geschreven: dat de Christus zou lijden en op de derde dag uit de doden verrijzen;
46O kotin majani on irail Iduen a intinidier, o iduen udan kalokolok en Krijtuj, ap maureda jan ren me melar akan ni ran kajilu,
47en dat in zijn Naam bekering tot vergiffenis der zonden zou worden gepreekt aan alle volken, te beginnen bij Jerusalem.
47O padapadaki on wei karoj ni mar a, ren kalula, pwe dip akan en lapwada, a pan tapida nan Ierujalem.
48Gij zijt de getuigen hiervan.
48A komail me jaunkadede en mepukat.
49Zie, Ik zend de belofte van mijn Vader over u neer; blijft in de stad, totdat gij bekleed zijt met kracht uit den hogen.
49A kilan, I pan kadara don komail, me Jam ai inaukidar. A komail pan mimieta nan kanim o, komail lao audaudekier manaman jan poa.
50Toen leidde Hij hen naar Betánië, hief zijn handen op, en zegende hen.
50A kotin kalua ir alan Petanien, kotikida lim a, kapai irail ada.
51En terwijl Hij ze zegende, scheidde Hij van hen, en werd opgenomen ten hemel.
51Kadekadeo ni a kotin kapal ir ada, a kotiwei jan irail, kotidala nanlan.
52Ze aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jerusalem terug.
52Irail ari kaudok on i, ap pure don Ierujalem perenda kaualap;
53En onafgebroken bleven ze God verheerlijken in de tempel.
53O re potopot nan im en kaudok kapina o kaudok on Kot.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.