Lucas 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Maar op de eerste dag der week, zeer vroeg in de morgen, gingen ze naar het graf met de specerijen, die ze hadden bereid.
1První pak den po sobotě, velmi ráno vyšedše, přišly k hrobu, nesouce vonné věci, kteréž byly připravily, a některé jiné byly spolu s nimi.
2Ze vonden de steen van het graf op zij gerold;
2I nalezly kámen odvalený od hrobu.
3en toen ze er in waren gegaan, vonden ze het lichaam van den Heer Jesus niet.
3A všedše tam, nenalezly těla Pána Ježíše.
4Terwijl ze nu niet goed wisten, wat ze er van moesten denken, zie, daar stonden twee mannen bij haar in schitterend gewaad.
4I stalo se, když ony se toho užasly, aj, muži dva postavili se podle nich, v rouše stkvoucím.
5Toen ze hevig verschrikt het hoofd ter aarde bogen, spraken ze tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?
5Když se pak ony bály, a sklonily tváři své k zemi, řekli k nim: Co hledáte živého s mrtvými?
6Hier is Hij niet; Hij is verrezen. Herinnert u, wat Hij tot u heeft gezegd, toen Hij nog in Galilea was:
6Neníť ho tuto, ale vstalť jest. Rozpomeňte se, kterak mluvil vám, když ještě v Galilei byl,
7“De Mensenzoon moet in de handen van zondaars worden overgeleverd en gekruisigd, maar de derde dag zal Hij verrijzen”.
7Řka: Že Syn člověka musí vydán býti v ruce hříšných lidí, a ukřižován býti, a třetí den z mrtvých vstáti.
8Nu herinnerden ze zich zijn woorden.
8I rozpomenuly se na slova jeho.
9Ze gingen heen van het graf, en vertelden dit alles aan al de elf en de overigen.
9A navrátivše se od hrobu, zvěstovaly to všecko těm jedenácti učedlníkům i jiným všechněm.
10Het waren Maria Magdalena, Johanna, en Maria van Jakobus; ook de andere vrouwen, die bij haar waren, zeiden hetzelfde aan de apostelen.
10Byly pak ženy ty: Maria Magdaléna a Johanna a Maria matka Jakubova, a jiné některé s nimi, kteréž vypravovaly to apoštolům.
11Maar ze hielden haar woorden voor beuzelpraat, en ze geloofden haar niet.
11Ale oni měli za bláznovství slova jejich, a nevěřili jim.
12Toch stond Petrus op, en liep naar het graf; hij bukte zich voorover, en zag alleen de windsels liggen. Hij ging heen, verbaasd over wat er gebeurd was.
12Tedy Petr vstav, běžel k hrobu, a pohleděv do něho, uzřel prostěradla, ana sama leží. I odšel, divě se sám v sobě, co se to stalo.
13En zie, diezelfde dag waren er twee van hen op weg naar een dorp, Emmaus genaamd, dat zestig stadiën van Jerusalem ligt.
13A aj, dva z nich šli toho dne do městečka, kteréž bylo vzdálí od Jeruzaléma honů šedesáte, jemuž jméno Emaus.
14Ze spraken met elkander over al wat er gebeurd was.
14A rozmlouvali vespolek o těch všech věcech, kteréž se byly staly.
15Terwijl ze met elkander spraken en van gedachten wisselden, kwam ook Jesus er bij, en ging met hen mee.
15I stalo se, když rozmlouvali a sebe se otazovali, že i Ježíš, přiblíživ se k nim, šel s nimi.
16Maar hun ogen waren gesloten, zodat ze Hem niet erkenden.
16Ale oči jejich držány byly, aby ho nepoznali.
17Hij zei hun: Wat bespreekt gij zo druk met elkaar onderweg? Verdrietig bleven ze staan;
17I řekl k nim: Které jsou to věci, o nichž rozjímáte vespolek, jdouce, a proč jste smutní?
18en een van hen, die Kléofas heette, gaf Hem ten antwoord: Zijt Gij dan vreemdeling in Jerusalem, dat Gij alleen niet weet, wat daar dezer dagen gebeurd is?
18A odpověděv jeden, kterémuž jméno Kleofáš, řekl jemu: Ty sám jeden jsi z příchozích do Jeruzaléma, ještos nezvěděl, co se stalo v něm těchto dnů?
19Hij zei hun: Wat dan? Ze zeiden Hem: Het betreft Jesus van Názaret, die een profeet was, machtig in werk en in woord, voor God en voor het hele volk,
19Kterýmžto on řekl: I co? Oni pak řekli jemu: O Ježíšovi Nazaretském, kterýž byl muž prorok, mocný v slovu i v skutku, před Bohem i přede vším lidem,
20en dien onze opperpriesters en oversten ter dood hebben overgeleverd en gekruisigd.
20A kterak jej vydali přední kněží a knížata naše na odsouzení k smrti, i ukřižovali jej.
21Wij zelf hadden gehoopt, dat Hij het was, die Israël zou verlossen; maar met dat al is het nu reeds de derde dag, sinds dat alles gebeurd is.
21My pak jsme se nadáli, že by on měl vykoupiti lid Izraelský. Ale nyní tomu všemu třetí den jest dnes, jakž se to stalo.
22Toch hebben enige vrouwen, die bij ons behoren, ons doen ontstellen. Ze waren in de vroegte bij het graf gekomen,
22Ale i ženy některé z našich zděsily nás, kteréž ráno byly u hrobu,
23en hadden zijn lichaam niet gevonden; maar ze zijn komen zeggen, dat ze een verschijning van engelen hadden gehad, die zeiden, dat Hij leeft.
23A nenalezše těla jeho, přišly, pravíce, že jsou také vidění andělské viděly, kteřížto praví, že by živ byl.
24Daarop zijn sommigen van ons naar het graf gegaan, en hebben alles bevonden, zoals de vrouwen het hadden verteld; maar Hemzelf hebben ze niet gezien.
24I chodili někteří z našich k hrobu, a nalezli tak, jakž pravily ženy, ale jeho neviděli.
25Nu sprak Hij tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet beter gelooft aan al wat de profeten hebben gezegd.
25Tedy on řekl k nim: Ó blázni a zpozdilí srdcem k věření všemu tomu, což mluvili Proroci.
26Moest de Christus dit alles niet lijden, en zó zijn glorie binnengaan?
26Zdaliž nemusil těch věcí trpěti Kristus a tak vjíti v slávu svou?
27En te beginnen met Moses en al de profeten, verklaarde Hij hun, wat in heel de Schrift over Hem was voorspeld.
27A počav od Mojžíše a všech Proroků, vykládal jim všecka ta písma, kteráž o něm byla.
28Toen ze bij het dorp waren gekomen, waar ze naar toe gingen, hield Hij Zich, alsof Hij verder wilde gaan.
28A vtom přiblížili se k městečku, do kteréhož šli, a on potrh se, jako by chtěl dále jíti.
29Maar ze drongen bij Hem aan, en zeiden: Blijf bij ons, want het wordt avond, en de dag is al voorbij. Hij ging dus naar binnen, om bij hen te blijven.
29Ale oni přinutili ho, řkouce: Zůstaň s námi, nebo se již připozdívá, a den se nachýlil. I všel, aby s nimi zůstal.
30Nadat Hij Zich met hen aan tafel had aangelegd, nam Hij het brood, sprak een dankgebed uit, brak het, en reikte het hun toe.
30I stalo se, když seděl s nimi za stolem, vzav chléb, dobrořečil, a lámaje, podával jim.
31Nu gingen hun de ogen open, en herkenden ze Hem. Maar Hij verdween uit hun gezicht.
31I otevříny jsou oči jejich, a poznali ho. On pak zmizel od očí jejich.
32Ze zeiden tot elkander: Brandde ons hart niet in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, en ons de Schriften verklaarde?
32I řekli vespolek: Zdaliž srdce naše v nás nehořelo, když mluvil nám na cestě a otvíral nám písma?
33Onmiddellijk stonden ze op, en keerden naar Jerusalem terug. Ze vonden er alle elf met hun gezellen bijeen,
33A vstavše v tu hodinu, vrátili se do Jeruzaléma, a nalezli shromážděných jedenácte, a ty, kteříž s nimi byli,
34die hun zeiden: De Heer is waarachtig verrezen, en is aan Simon verschenen.
34Ani praví: Že vstal Pán právě, a ukázal se Šimonovi.
35Nu verhaalden ook zij, wat er onderweg was gebeurd, en hoe ze Hem hadden herkend door het breken van het brood.
35I vypravovali oni také to, co se stalo na cestě, a kterak ho poznali v lámání chleba.
36Terwijl ze nog daarover spraken, stond Hij zelf in hun midden, en zeide hun: Vrede zij u.
36A když oni o tom rozmlouvali, postavil se Ježíš uprostřed nich, a řekl jim: Pokoj vám.
37Ze werden van schrik en vrees bevangen, en meenden een geest te zien.
37Oni pak zhrozivše se a přestrašeni byvše, domnívali se, že by ducha viděli.
38Maar Hij sprak tot hen: Waarom zijt gij ontsteld, en waarom komt er twijfel op in uw hart?
38I dí jim: Co se strašíte a myšlení vstupují na srdce vaše?
39Beziet mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij, en ziet toe; want een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb.
39Vizte ruce mé i nohy mé, žeť v pravdě já jsem. Dotýkejte se a vizte; neboť duch těla a kostí nemá, jako mne vidíte míti.
40En bij die woorden toonde Hij hun zijn handen en voeten.
40A pověděv to, ukázal jim ruce i nohy.
41En toen ze van blijdschap het nog niet geloofden, maar vol verbazing waren, zeide Hij hun: Hebt gij hier iets te eten?
41Když pak oni ještě nevěřili pro radost, ale divili se, řekl jim: Máte-li tu něco, ješto by se pojedlo?
42Ze gaven Hem een stuk gebraden vis.
42A oni podali jemu kusu ryby pečené a plástu strdi.
43Hij nam het, en at er van voor hun ogen.
43A vzav to, pojedl před nimi,
44Hij sprak tot hen: Dit is het, wat Ik tot u heb gesproken, toen Ik nog bij u was: “Alles moet worden vervuld, wat in de Wet van Moses, in Profeten en Psalmen van Mij staat geschreven”.
44A řekl jim: Tatoť jsou slova, kteráž jsem mluvil vám, ještě byv s vámi: Že se musí naplniti všecko, což psáno jest v Zákoně Mojžíšově a v Prorocích i v Žalmích o mně.
45Toen verhelderden Hij hun inzicht, zodat ze de Schriften konden verstaan.
45Tedy otevřel jim mysl, aby rozuměli Písmům.
46En Hij zeide hun: Zó staat er geschreven: dat de Christus zou lijden en op de derde dag uit de doden verrijzen;
46A řekl jim: Že tak psáno jest a tak musil Kristus trpěti, a třetího dne z mrtvých vstáti,
47en dat in zijn Naam bekering tot vergiffenis der zonden zou worden gepreekt aan alle volken, te beginnen bij Jerusalem.
47A aby bylo kázáno ve jménu jeho pokání a odpuštění hříchů mezi všemi národy, počna od Jeruzaléma.
48Gij zijt de getuigen hiervan.
48Vy jste pak svědkové toho.
49Zie, Ik zend de belofte van mijn Vader over u neer; blijft in de stad, totdat gij bekleed zijt met kracht uit den hogen.
49A aj, já pošli zaslíbení Otce svého na vás. Vy pak čekejte v městě Jeruzalémě, dokudž nebudete oblečeni mocí s výsosti.
50Toen leidde Hij hen naar Betánië, hief zijn handen op, en zegende hen.
50I vyvedl je ven až do Betany, a pozdvih rukou svých, dal jim požehnání.
51En terwijl Hij ze zegende, scheidde Hij van hen, en werd opgenomen ten hemel.
51I stalo se, když jim žehnal, bral se od nich, a nesen jest do nebe.
52Ze aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jerusalem terug.
52A oni poklonivše se jemu, navrátili se do Jeruzaléma s radostí velikou.
53En onafgebroken bleven ze God verheerlijken in de tempel.
53A byli vždycky v chrámě, chválíce a dobrořečíce Boha. Amen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.