Spreuken 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Spreuken van Salomon, den zoon van David, Den koning van Israël:
1Přísloví Šalomouna syna Davidova, krále Izraelského,
2Ze leren u kennen wijsheid en tucht, Ze geven u begrip voor verstandige woorden;
2Ku poznání moudrosti a cvičení, k vyrozumívání řečem rozumnosti,
3Ze voeden u op tot heilzame tucht, Rechtschapenheid, plichtsbesef en oprechtheid.
3K dosažení vycvičení v opatrnosti, spravedlnosti, soudu a toho, což pravého jest,
4Aan de onnozelen schenken ze ervaring, Aan jonge mensen doordachte kennis.
4Aby dána byla hloupým důmyslnost, mládenečku umění a prozřetelnost.
5Als een wijze ze hoort, zal hij zijn inzicht verdiepen, Een verstandig mens zal er ideeën door krijgen;
5Když poslouchati bude moudrý, přibude mu umění, a rozumný bude vtipnější,
6Spreuk en strikvraag zal hij doorzien, De woorden der wijzen en hun problemen.
6K srozumění podobenství, a výmluvnosti řeči moudrých a pohádkám jejich.
7Het ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid; Maar ongelovigen lachen om wijsheid en tucht.
7Bázeň Hospodinova jest počátek umění, moudrostí a cvičením pohrdají blázni.
8Mijn zoon, luister dus naar de wenken van uw vader, Sla niet in de wind, wat uw moeder u leerde;
8Poslouchej, synu můj, cvičení otce svého, a neopouštěj naučení matky své.
9Want het siert uw hoofd als een krans, Uw hals als een snoer.
9Neboť to přidá příjemnosti hlavě tvé, a bude zlatým řetězem hrdlu tvému.
10Mijn zoon, als zondaars u willen verleiden, stem niet toe,
10Synu můj, jestliže by tě namlouvali hříšníci, nepřivoluj.
11Als ze u zeggen: Ga met ons mee, Laat ons loeren op bloed, Laat ons zo maar onschuldigen belagen,
11Jestliže by řekli: Poď s námi, úklady čiňme krvi, skryjeme se proti nevinnému bez ostýchání se;
12Gelijk de onderwereld hen levend verslinden, Als zij, die ten grave dalen, geheel en al;
12Sehltíme je jako hrob za živa, a v cele jako ty, jenž sstupují do jámy;
13Allerlei kostbare schatten zullen we vinden, Onze huizen vullen met buit;
13Všelijakého drahého zboží dosáhneme, naplníme domy své loupeží;
14Ge moogt meeloten in onze kring, Eén buidel zullen we samen delen!
14Vrz los svůj mezi nás, měšec jeden budeme míti všickni:
15Mijn zoon, ga dan niet met hen mee, En houd uw voet af van hun pad;
15Synu můj, nevycházej na cestu s nimi, zdrž nohu svou od stezky jejich;
16Want hun voeten ijlen naar het kwade, En haasten zich, om bloed te vergieten.
16Nebo nohy jejich ke zlému běží, a pospíchají k vylévání krve.
17Maar zoals het niet geeft, of het net wordt gespannen, Terwijl alle vogels het zien:
17Jistě, že jakož nadarmo roztažena bývá sít před očima jakéhokoli ptactva,
18Zo loeren ze slechts op hun eigen bloed, En belagen ze hun eigen leven!
18Tak tito proti krvi své ukládají, skrývají se proti dušem svým.
19Zo gaat het allen, die uit zijn op oneerlijke winst: Deze beneemt zijn bezitters het leven.
19Takovéť jsou cesty každého dychtícího po zisku, duši pána svého uchvacuje.
20De wijsheid roept luid in de straten, Op de pleinen verheft ze haar stem;
20Moudrost vně volá, na ulicech vydává hlas svůj.
21Ze roept op de tinne der muren, En spreekt aan de ingang der poorten:
21V největším hluku volá, u vrat brány, v městě, a výmluvnosti své vypravuje, řka:
22Hoe lang nog, dommen, blijft gij liever onnozel, Blijven de eigenwijzen verwaand, Willen de dwazen van geen wijsheid horen?
22Až dokud hloupí milovati budete hloupost, a posměvači posměch sobě libovati, a blázni nenáviděti umění?
23Keert u tot mijn vermaning; Dan stort ik mijn geest over u uit, En maak u mijn woorden bekend.
23Obraťtež se k domlouvání mému. Hle, vynáším vám ducha svého, a v známost vám uvodím slova svá.
24Maar zo ge weigert, als ik roep, En niemand er op let, als ik mijn hand verhef;
24Poněvadž jsem volala, a odpírali jste; vztahovala jsem ruku svou, a nebyl, kdo by pozoroval,
25Zo ge mijn raad geheel en al in de wind slaat, En van mijn vermaning niet wilt weten:
25Anobrž strhli jste se všeliké rady mé, a trestání mého jste neoblíbili:
26Zal ik lachen, wanneer het u slecht gaat, Zal ik spotten, wanneer uw verschrikking komt als een onweer;
26Pročež i já v bídě vaší smáti se budu, posmívati se budu, když přijde to, čehož se bojíte,
27Wanneer uw ongeluk nadert als een orkaan, Wanneer benauwdheid en angst u overvallen!
27Když přijde jako hrozné zpuštění to, čehož se bojíte, a bída vaše jako bouře nastane, když přijde na vás trápení a ssoužení.
28Dan zal men mij roepen, maar zal ik niet antwoorden, Zal men mij zoeken, maar mij niet vinden!
28Tehdy volati budou ke mně, a nevyslyším; ráno hledati mne budou, a nenaleznou mne.
29Omdat ze van wijsheid niets wilden weten, En het ontzag voor Jahweh niet hebben verkozen,
29Proto že nenáviděli umění, a bázně Hospodinovy nevyvolili,
30Van mijn raad niets moesten hebben, En al mijn vermaan in de wind hebben geslagen:
30Aniž povolili radě mé, ale pohrdali všelikým domlouváním mým.
31Zullen ze eten de vrucht van hun wandel, Verzadigd worden met wat ze beraamden.
31Protož jísti budou ovoce skutků svých, a radami svými nasyceni budou.
32Want de onnozelen komen door hun onverschilligheid om, De dwazen storten door hun lichtzinnigheid in het verderf;
32Nebo pokoj hloupých zmorduje je, a štěstí bláznů zahubí je.
33Maar die naar mij luistert, zal in veiligheid wonen, Bevrijd van de vrees voor de rampen!
33Ale kdož mne poslouchá, bydliti bude bezpečně, pokoj maje před strachem zlých věcí.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.