Spreuken 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde,
1Synu můj, slíbil-lis za přítele svého, podal-lis cizímu ruky své,
2Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen:
2Zapleten jsi slovy úst svých, jat jsi řečmi úst svých.
3Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste;
3Učiniž tedy toto, synu můj, a vyprosť se, poněvadžs se dostal v ruku přítele svého. Jdi, pokoř se, a probuď přítele svého.
4Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap;
4Nedej usnouti očím svým, a zdřímati víčkám svým.
5Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar.
5Vydři se jako srna z ruky, a jako pták z ruky čižebníka.
6Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs!
6Jdi k mravenci, lenochu, shlédni cesty jeho, a nabuď moudrosti.
7Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser,
7Kterýž nemaje vůdce, ani správce, ani pána,
8Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen.
8Připravuje v létě pokrm svůj, shromažďuje ve žni potravu svou.
9Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap?
9Dokudž lenochu ležeti budeš? Skoro-liž vstaneš ze sna svého?
10Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar:
10Maličko pospíš, maličko zdřímeš, maličko složíš ruce, abys poležel,
11En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover!
11V tom přijde jako pocestný chudoba tvá, a nouze tvá jako muž zbrojný.
12Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal;
12Èlověk nešlechetný, muž nepravý chodí v převrácenosti úst.
13Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers;
13Mhourá očima svýma, mluví nohama svýma, ukazuje prsty svými.
14Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt!
14Převrácenost všeliká jest v srdci jeho, smýšlí zlé všelikého času, sváry rozsívá.
15Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel.
15A protož v náhle přijde bída jeho, rychle setřín bude, a nebudeť uléčení.
16Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw:
16Těchto šesti věcí nenávidí Hospodin, a sedmá ohavností jest duši jeho:
17Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten;
17Očí vysokých, jazyka lživého, a rukou vylévajících krev nevinnou,
18Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden;
18Srdce, kteréž ukládá myšlení nepravá, noh kvapných běžeti ke zlému,
19Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt.
19Svědka lživého, mluvícího lež, a toho, jenž rozsívá různice mezi bratřími.
20Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde;
20Ostříhejž, synu můj, přikázaní otce svého, a neopouštěj naučení matky své.
21Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals.
21Přivazuj je k srdci svému ustavičně, a k hrdlu svému je připínej.
22Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt.
22Kamžkoli půjdeš, ono tě zprovodí, když spáti budeš, bude tě ostříhati, a když procítíš, bude s tebou rozmlouvati,
23Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven.
23(Nebo přikázaní jest svíce, a naučení světlo, a cesta života jsou domlouvání vyučující),
24Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde.
24Aby tě ostříhalo od ženy zlé, od úlisnosti jazyka ženy cizí.
25Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden;
25Nežádejž krásy její v srdci svém, a nechať tě nejímá víčky svými.
26Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven
26Nebo příčinou ženy cizoložné zchudl bys až do kusu chleba, anobrž žena cizoložná drahou duši ulovuje.
27Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit;
27Může-liž kdo skrýti oheň v klíně svém, aby roucho jeho se nepropálilo?
28Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt?
28Může-liž kdo choditi po uhlí řeřavém, aby nohy jeho se neopálily?
29Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af.
29Tak kdož vchází k ženě bližního svého, nebudeť bez viny, kdož by se jí koli dotkl.
30Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft;
30Neuvozují potupy na zloděje, jestliže by ukradl, aby nasytil život svůj, když lační,
31Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft.
31Ač postižen jsa, navracuje to sedmernásobně, vším statkem domu svého nahražuje:
32Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen;
32Ale cizoložící s ženou blázen jest; kdož hubí duši svou, tenť to činí;
33Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt.
33Trápení a lehkosti dochází, a útržka jeho nebývá shlazena.
34Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien;
34Nebo zůřivý jest hněv muže, a neodpouštíť v den pomsty.
35Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel!
35Neohlídá se na žádnou záplatu, aniž přijímá, by i množství darů dával.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.