Spreuken
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde,
1[Fili mi, si spoponderis pro amico tuo, defixisti apud extraneum manum tuam:
2Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen:
2illaqueatus es verbis oris tui, et captus propriis sermonibus.
3Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste;
3Fac ergo quod dico, fili mi, et temetipsum libera, quia incidisti in manum proximi tui. Discurre, festina, suscita amicum tuum.
4Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap;
4Ne dederis somnum oculis tuis, nec dormitent palpebræ tuæ.
5Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar.
5Eruere quasi damula de manu, et quasi avis de manu aucupis.]
6Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs!
6[Vade ad formicam, o piger, et considera vias ejus, et disce sapientiam.
7Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser,
7Quæ cum non habeat ducem, nec præceptorem, nec principem,
8Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen.
8parat in æstate cibum sibi, et congregat in messe quod comedat.
9Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap?
9Usquequo, piger, dormies? quando consurges e somno tuo?
10Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar:
10Paululum dormies, paululum dormitabis, paululum conseres manus ut dormias;
11En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover!
11et veniet tibi quasi viator egestas, et pauperies quasi vir armatus. Si vero impiger fueris, veniet ut fons messis tua, et egestas longe fugiet a te.]
12Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal;
12[Homo apostata, vir inutilis, graditur ore perverso;
13Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers;
13annuit oculis, terit pede, digito loquitur,
14Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt!
14pravo corde machinatur malum, et omni tempore jurgia seminat.
15Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel.
15Huic extemplo veniet perditio sua, et subito conteretur, nec habebit ultra medicinam.]
16Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw:
16[Sex sunt quæ odit Dominus, et septimum detestatur anima ejus:
17Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten;
17oculos sublimes, linguam mendacem, manus effundentes innoxium sanguinem,
18Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden;
18cor machinans cogitationes pessimas, pedes veloces ad currendum in malum,
19Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt.
19proferentem mendacia testem fallacem, et eum qui seminat inter fratres discordias.]
20Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde;
20[Conserva, fili mi, præcepta patris tui, et ne dimittas legem matris tuæ.
21Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals.
21Liga ea in corde tuo jugiter, et circumda gutturi tuo.
22Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt.
22Cum ambulaveris, gradiantur tecum; cum dormieris, custodiant te: et evigilans loquere cum eis.
23Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven.
23Quia mandatum lucerna est, et lex lux, et via vitæ increpatio disciplinæ:
24Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde.
24ut custodiant te a muliere mala, et a blanda lingua extraneæ.
25Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden;
25Non concupiscat pulchritudinem ejus cor tuum, nec capiaris nutibus illius:
26Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven
26pretium enim scorti vix est unius panis, mulier autem viri pretiosam animam capit.
27Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit;
27Numquid potest homo abscondere ignem in sinu suo, ut vestimenta illius non ardeant?
28Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt?
28aut ambulare super prunas, ut non comburantur plantæ ejus?
29Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af.
29sic qui ingreditur ad mulierem proximi sui, non erit mundus cum tetigerit eam.
30Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft;
30Non grandis est culpa cum quis furatus fuerit: furatur enim ut esurientem impleat animam;
31Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft.
31deprehensus quoque reddet septuplum, et omnem substantiam domus suæ tradet.
32Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen;
32Qui autem adulter est, propter cordis inopiam perdet animam suam;
33Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt.
33turpitudinem et ignominiam congregat sibi, et opprobrium illius non delebitur:
34Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien;
34quia zelus et furor viri non parcet in die vindictæ,
35Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel!
35nec acquiescet cujusquam precibus, nec suscipiet pro redemptione dona plurima.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.