Spreuken
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn zoon, neem mijn woorden in acht, En neem mijn wenken ter harte;
1[Fili mi, custodi sermones meos, et præcepta mea reconde tibi. Fili,
2Onderhoud mijn geboden, opdat ge moogt leven, Let op mijn wenken als op de appel van uw oog.
2serva mandata mea, et vives; et legem meam quasi pupillam oculi tui:
3Leg ze als een band om uw vingers, Schrijf ze op de tafel van uw hart
3liga eam in digitis tuis, scribe illam in tabulis cordis tui.
4Zeg tot de wijsheid: “gij zijt mijn zuster”, Noem het verstand: “een bekende”;
4Dic sapientiæ: Soror mea es, et prudentiam voca amicam tuam:
5Opdat ze u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal.
5ut custodiant te a muliere extranea, et ab aliena quæ verba sua dulcia facit.
6Want kijkend door het venster van mijn woning Door de tralies heen,
6De fenestra enim domus meæ per cancellos prospexi,
7Lette ik op het onervaren volk, En zag onder de jongemannen een onverstandigen knaap.
7et video parvulos; considero vecordem juvenem,
8Hij ging langs de straat, dicht bij haar hoek, En sloeg de richting in naar haar huis,
8qui transit per plateam juxta angulum et prope viam domus illius graditur:
9In de schemering, toen de avond viel En het nachtelijk duister.
9in obscuro, advesperascente die, in noctis tenebris et caligine.
10Daar komt de vrouw op hem af, Opzichtig gekleed met duidelijke bedoelingen.
10Et ecce occurrit illi mulier ornatu meretricio, præparata ad capiendas animas: garrula et vaga,
11Wat ziet ze er losbandig en lichtzinnig uit, In huis kunnen haar voeten het niet houden;
11quietis impatiens, nec valens in domo consistere pedibus suis;
12Ze loopt de straat, de pleinen op, En bij elke hoek staat ze op wacht!
12nunc foris, nunc in plateis, nunc juxta angulos insidians.
13Ze grijpt hem vast, geeft hem een kus, En zegt tot hem met een onbeschaamd gezicht:
13Apprehensumque deosculatur juvenem, et procaci vultu blanditur, dicens:
14Dankoffers had ik te brengen, Vandaag heb ik mijn geloften betaald;
14Victimas pro salute vovi; hodie reddidi vota mea:
15Daarom ging ik naar buiten, u tegemoet, Om u te zoeken, en ik hèb u gevonden.
15idcirco egressa sum in occursum tuum, desiderans te videre, et reperi.
16Dekens heb ik op bed gelegd, Bonte dekens van egyptisch lijnwaad;
16Intexui funibus lectulum meum; stravi tapetibus pictis ex Ægypto:
17Ik heb mijn bed met myrrhe besprenkeld, Met aloë en kaneel.
17aspersi cubile meum myrrha, et aloë, et cinnamomo.
18Kom, laat ons dronken worden van minne, En tot de morgen zwelgen in liefde.
18Veni, inebriemur uberibus, et fruamur cupitis amplexibus donec illucescat dies.
19Mijn man is niet thuis, Hij is op een verre reis;
19Non est enim vir in domo sua: abiit via longissima:
20Een buidel geld heeft hij bij zich gestoken, Dus komt hij met volle maan pas terug.
20sacculum pecuniæ secum tulit; in die plenæ lunæ reversurus est in domum suam.
21Door haar radde taal verleidde ze hem, Met haar gladde tong troonde ze hem mee.
21Irretivit eum multis sermonibus, et blanditiis labiorum protraxit illum.
22Daar loopt de sukkel met haar mee, Als een stier, die naar de slachtbank gaat; Als een hert, dat huppelt naar het net,
22Statim eam sequitur quasi bos ductus ad victimam, et quasi agnus lasciviens, et ignorans quod ad vincula stultus trahatur:
23Totdat een pijl hem het hart doorboort; Als een vogel, die scheert naar de strik, En niet vermoedt, dat het om zijn leven gaat.
23donec transfigat sagitta jecur ejus, velut si avis festinet ad laqueum, et nescit quod de periculo animæ illius agitur.
24Welnu dan, kinderen, luistert naar mij, Schenkt uw aandacht aan mijn woorden.
24Nunc ergo, fili mi, audi me, et attende verbis oris mei.
25Laat u niet op haar wegen verleiden, Dwaalt niet op haar paden rond.
25Ne abstrahatur in viis illius mens tua, neque decipiaris semitis ejus;
26Want talrijke slachtoffers heeft ze gemaakt, Velen heeft ze om hals gebracht;
26multos enim vulneratos dejecit, et fortissimi quique interfecti sunt ab ea.
27Een weg naar de onderwereld is haar huis, Vandaar daalt men af naar het dodenrijk.
27Viæ inferi domus ejus, penetrantes in interiora mortis.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.