Spreuken 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist.
1[Melior est buccella sicca cum gaudio quam domus plena victimis cum jurgio.
2Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis.
2Servus sapiens dominabitur filiis stultis, et inter fratres hæreditatem dividet.
3De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh!
3Sicut igne probatur argentum et aurum camino, ita corda probat Dominus.
4De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden.
4Malus obedit linguæ iniquæ, et fallax obtemperat labiis mendacibus.
5Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft.
5Qui despicit pauperem exprobrat factori ejus, et qui ruina lætatur alterius non erit impunitus.
6Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen.
6Corona senum filii filiorum, et gloria filiorum patres eorum.
7Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal.
7Non decent stultum verba composita, nec principem labium mentiens.
8Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes.
8Gemma gratissima exspectatio præstolantis; quocumque se vertit, prudenter intelligit.
9Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden.
9Qui celat delictum quærit amicitias; qui altero sermone repetit, separat fœderatos.
10Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas.
10Plus proficit correptio apud prudentem, quam centum plagæ apud stultum.
11Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af.
11Semper jurgia quærit malus: angelus autem crudelis mittetur contra eum.
12Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid.
12Expedit magis ursæ occurrere raptis fœtibus, quam fatuo confidenti in stultitia sua.
13Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken.
13Qui reddit mala pro bonis, non recedet malum de domo ejus.
14Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst.
14Qui dimittit aquam caput est jurgiorum, et antequam patiatur contumeliam judicium deserit.]
15Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh.
15[Qui justificat impium, et qui condemnat justum, abominabilis est uterque apud Deum.
16Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft?
16Quid prodest stulto habere divitias, cum sapientiam emere non possit? Qui altum facit domum suam quærit ruinam, et qui evitat discere incidet in mala.
17Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder.
17Omni tempore diligit qui amicus est, et frater in angustiis comprobatur.
18Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste.
18Stultus homo plaudet manibus, cum spoponderit pro amico suo.
19Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val.
19Qui meditatur discordias diligit rixas, et qui exaltat ostium quærit ruinam.
20Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten.
20Qui perversi cordis est non inveniet bonum, et qui vertit linguam incidet in malum.
21Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde.
21Natus est stultus in ignominiam suam; sed nec pater in fatuo lætabitur.
22Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente.
22Animus gaudens ætatem floridam facit; spiritus tristis exsiccat ossa.
23De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien.
23Munera de sinu impius accipit, ut pervertat semitas judicii.
24De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde.
24In facie prudentis lucet sapientia; oculi stultorum in finibus terræ.
25Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde.
25Ira patris filius stultus, et dolor matris quæ genuit eum.
26Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten!
26Non est bonum damnum inferre justo, nec percutere principem qui recta judicat.
27Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig.
27Qui moderatur sermones suos doctus et prudens est, et pretiosi spiritus vir eruditus.
28Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.
28Stultus quoque, si tacuerit, sapiens reputabitur, et si compresserit labia sua, intelligens.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.