Spreuken
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een goede naam is meer waard dan een groot vermogen, Bemind te zijn is beter dan zilver en goud.
1[Melius est nomen bonum quam divitiæ multæ; super argentum et aurum gratia bona.
2Rijk en arm ontmoeten elkaar, Jahweh is hun aller Schepper.
2Dives et pauper obviaverunt sibi: utriusque operator est Dominus.
3De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
3Callidus vidit malum, et abscondit se; innocens pertransiit, et afflictus est damno.
4Het loon voor ootmoed en vreze voor Jahweh Is rijkdom, aanzien en leven.
4Finis modestiæ timor Domini, divitiæ, et gloria, et vita.
5Doornen en strikken liggen op de weg van den valsaard; Wie zijn leven liefheeft, blijft er ver vandaan.
5Arma et gladii in via perversi; custos autem animæ suæ longe recedit ab eis.
6Oefen kinderen in de weg, die ze moeten gaan, Dan wijken ze ook in hun ouderdom er niet van af.
6Proverbium est: adolescens juxta viam suam; etiam cum senuerit, non recedet ab ea.
7Wie rijk is, heerst over de armen; Wie leent, wordt de slaaf van wie uitleent.
7Dives pauperibus imperat, et qui accipit mutuum servus est fœnerantis.
8Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten; De vrucht van zijn arbeid gaat te niet.
8Qui seminat iniquitatem metet mala, et virga iræ suæ consummabitur.
9Een vriendelijk mens wordt gezegend, Want hij deelt met den arme zijn brood.
9Qui pronus est ad misericordiam benedicetur: de panibus enim suis dedit pauperi. Victoriam et honorem acquiret qui dat munera; animam autem aufert accipientium.
10Jaag den spotter weg, en het twisten houdt op, Er komt een eind aan vechten en schimpen.
10Ejice derisorem, et exibit cum eo jurgium, cessabuntque causæ et contumeliæ.
11De zuivere van harte wordt door Jahweh bemind, De vleier is de vriend van den koning.
11Qui diligit cordis munditiam, propter gratiam labiorum suorum habebit amicum regem.
12De ogen van Jahweh houden vol kennis de wacht; Hij verijdelt de woorden van den zondaar.
12Oculi Domini custodiunt scientiam, et supplantantur verba iniqui.
13De luiaard zegt: Buiten loopt een leeuw, Midden op straat word ik nog verscheurd!
13Dicit piger: Leo est foris; in medio platearum occidendus sum.
14Een diepe kuil is de mond van vreemde vrouwen; Op wien Jahweh vertoornd is, die valt erin.
14Fovea profunda os alienæ: cui iratus est Dominus, incidet in eam.
15Al zit de dwaasheid in het hart van een kind geworteld, De tuchtroede haalt ze er uit!
15Stultitia colligata est in corde pueri, et virga disciplinæ fugabit eam.
16Wie een arme verdrukt, brengt hem voordeel; Wie aan een rijkaard iets geeft, veroorzaakt gebrek
16Qui calumniatur pauperem ut augeat divitias suas, dabit ipse ditiori, et egebit.]
17Woorden van wijzen Neig uw oor en luister naar mijn woorden; Zet uw aandacht erop, om ze te leren kennen.
17[Inclina aurem tuam, et audi verba sapientium: appone autem cor ad doctrinam meam,
18Het is goed, als ge ze ter harte neemt, En ze allen bestendig op uw lippen hebt.
18quæ pulchra erit tibi cum servaveris eam in ventre tuo, et redundabit in labiis tuis:
19Opdat ge in Jahweh uw vertrouwen moogt stellen, Maak ik ze heden bekend, ook aan u!
19ut sit in Domino fiducia tua, unde et ostendi eam tibi hodie.
20Een dertigtal heb ik er voor u opgeschreven: Ze bevatten goede raad en ervaring;
20Ecce descripsi eam tibi tripliciter, in cogitationibus et scientia:
21Ze leren u de waarheid en betrouwbare woorden, Zodat ge een goed antwoord kunt geven aan hen die u ondervragen
21ut ostenderem tibi firmitatem et eloquia veritatis, respondere ex his illis qui miserunt te.
22Buit een arme niet uit, omdat hij arm is, Trap in de poort niet op den kleinen man;
22Non facias violentiam pauperi quia pauper est, neque conteras egenum in porta:
23Want Jahweh zal het voor hen opnemen, En die hèn beroven, van het leven beroven.
23quia judicabit Dominus causam ejus, et configet eos qui confixerunt animam ejus.
24Sluit geen vriendschap met een driftkop, Laat u niet in met een heethoofd;
24Noli esse amicus homini iracundo, neque ambules cum viro furioso:
25Anders raakt ge vertrouwd met hun wegen, En zet ge een valstrik voor uzelf.
25ne forte discas semitas ejus, et sumas scandalum animæ tuæ.
26Behoor niet tot hen, die handslag geven, En borg blijven voor schulden;
26Noli esse cum his qui defigunt manus suas, et qui vades se offerunt pro debitis:
27Als ge niets hebt om te betalen, Haalt men het bed onder u weg.
27si enim non habes unde restituas, quid causæ est ut tollat operimentum de cubili tuo?
28Raak niet aan de eeuwenoude grenzen, Die uw voorvaderen hebben getrokken.
28Ne transgrediaris terminos antiquos, quos posuerunt patres tui.
29Ziet ge iemand die handig is met zijn werk, Hij komt bij koningen in dienst; Het gewone volk hoeft hij niet te dienen!
29Vidisti virum velocem in opere suo? coram regibus stabit, nec erit ante ignobiles.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.