Spreuken 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een vriendelijk antwoord ontwapent de toorn, Een krenkend gezegde jaagt de woede op.
1[Responsio mollis frangit iram; sermo durus suscitat furorem.
2De tong der wijzen druipt van wijsheid, De mond der dommen stort dwaasheid uit.
2Lingua sapientium ornat scientiam; os fatuorum ebullit stultitiam.
3Jahweh’s ogen waren overal rond, Nauwkeurig lettend op slechten en goeden.
3In omni loco, oculi Domini contemplantur bonos et malos.
4Rustige taal is een boom des levens, Heftige woorden wonden de ziel.
4Lingua placabilis lignum vitæ; quæ autem immoderata est conteret spiritum.
5Een dwaas slaat het vermaan van zijn vader in de wind; Verstandig hij, die op een waarschuwing let.
5Stultus irridet disciplinam patris sui; qui autem custodit increpationes astutior fiet. In abundanti justitia virtus maxima est: cogitationes autem impiorum eradicabuntur.
6In het huis van den rechtvaardige heerst grote welvaart, Maar het gewin der zondaars gaat teloor.
6Domus justi plurima fortitudo, et in fructibus impii conturbatio.
7De lippen der wijzen verspreiden de kennis, Het hart der dwazen doet het niet.
7Labia sapientium disseminabunt scientiam; cor stultorum dissimile erit.
8Jahweh heeft een afschuw van het offer der bozen, Maar welbehagen in het gebed der rechtvaardigen.
8Victimæ impiorum abominabiles Domino; vota justorum placabilia.
9Jahweh verafschuwt de weg van een boosdoener; Hij houdt van hem, die naar rechtvaardigheid streeft.
9Abominatio est Domino via impii; qui sequitur justitiam diligitur ab eo.
10Strenge straf wacht hem, die het rechte pad verlaat; Wie niets van bestraffing wil weten, zal sterven.
10Doctrina mala deserenti viam vitæ; qui increpationes odit, morietur.
11Onderwereld en dodenrijk liggen open voor Jahweh, Hoeveel te meer de harten van de kinderen der mensen!
11Infernus et perditio coram Domino; quanto magis corda filiorum hominum !
12De spotter houdt er niet van, dat men hem vermaant; Daarom gaat hij niet met wijzen om.
12Non amat pestilens eum qui se corripit, nec ad sapientes graditur.]
13Een vrolijk hart maakt een blij gezicht, Verdriet in het hart slaat de geest terneer.
13[Cor gaudens exhilarat faciem; in mœrore animi dejicitur spiritus.
14Een verstandig hart streeft naar kennis, De mond der dommen vermeit zich in dwaasheid.
14Cor sapientis quærit doctrinam, et os stultorum pascitur imperitia.
15Een neerslachtig mens heeft steeds kwade dagen, Voor een blijmoedig karakter is het altijd feest.
15Omnes dies pauperis, mali; secura mens quasi juge convivium.
16Beter weinig te bezitten en Jahweh te vrezen, Dan vele schatten met wroeging erbij.
16Melius est parum cum timore Domini, quam thesauri magni et insatiabiles.
17Beter een schoteltje groente, waar liefde heerst, Dan een gemeste stier met haat erbij.
17Melius est vocari ad olera cum caritate, quam ad vitulum saginatum cum odio.
18Een driftkop stookt ruzie, Een lankmoedig mens bedaart de twist.
18Vir iracundus provocat rixas; qui patiens est mitigat suscitatas.
19De weg van een luiaard is als een doornheg, Het pad der vlijtigen is gebaand.
19Iter pigrorum quasi sepes spinarum; via justorum absque offendiculo.
20Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader, Een dwaas mens minacht zijn moeder.
20Filius sapiens lætificat patrem, et stultus homo despicit matrem suam.
21In dwaasheid vindt een onverstandig mens zijn genoegen, Een man van inzicht houdt de rechte weg.
21Stultitia gaudium stulto, et vir prudens dirigit gressus suos.
22Bij gebrek aan overleg mislukken de plannen, Na rijp beraad komen ze tot stand.
22Dissipantur cogitationes ubi non est consilium; ubi vero sunt plures consiliarii, confirmantur.
23Men kan plezier hebben in zijn eigen antwoord; Maar hoe treffend is een woord, dat van pas komt!
23Lætatur homo in sententia oris sui, et sermo opportunus est optimus.
24De wijze gaat de weg des levens omhoog, Hij wil het dodenrijk beneden ontwijken.
24Semita vitæ super eruditum, ut declinet de inferno novissimo.]
25Jahweh haalt het huis der hoogmoedigen neer, Maar zet de grenspaal van een weduwe vast.
25[Domum superborum demolietur Dominus, et firmos faciet terminos viduæ.
26Jahweh heeft een afschuw van snode plannen, Maar vriendelijke woorden zijn Hem rein.
26Abominatio Domini cogitationes malæ, et purus sermo pulcherrimus firmabitur ab eo.
27Wie oneerlijke winst maakt, schaadt zijn eigen huis; Maar wie van omkoperij niets moet hebben, blijft leven.
27Conturbat domum suam qui sectatur avaritiam; qui autem odit munera, vivet. Per misericordiam et fidem purgantur peccata: per timorem autem Domini declinat omnis a malo.
28Een rechtvaardig mens overweegt wat hij zegt, De mond der bozen stort onheil uit.
28Mens justi meditatur obedientiam; os impiorum redundat malis.
29Jahweh is verre van de zondaars, Maar Hij hoort het gebed der rechtvaardigen.
29Longe est Dominus ab impiis, et orationes justorum exaudiet.
30Stralende ogen verblijden het hart, Een goede tijding verkwikt het gebeente.
30Lux oculorum lætificat animam; fama bona impinguat ossa.
31Wie naar heilzame vermaning luistert, Woont in de kring der wijzen.
31Auris quæ audit increpationes vitæ in medio sapientium commorabitur.
32Wie de tucht niet telt, telt zich zelven niet; Wie naar vermaning luistert, krijgt inzicht.
32Qui abjicit disciplinam despicit animam suam; qui autem acquiescit increpationibus possessor est cordis.
33Het ontzag voor Jahweh voedt op tot wijsheid, Aan de eer gaat ootmoed vooraf.
33Timor Domini disciplina sapientiæ, et gloriam præcedit humilitas.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.