Spreuken 30
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Woorden van Agoer, den zoon van Jake, uit Massa De mens spreekt: Ik heb mij afgemat, o God; Ik heb mij afgemat, o God; ik ben op!
1Verba Congregantis, filii Vomentis. Visio quam locutus est vir cum quo est Deus, et qui Deo secum morante confortatus, ait:
2Ik ben de domste van alle mensen, Ik bezit geen mensenverstand;
2[Stultissimus sum virorum, et sapientia hominum non est mecum.
3Maar God heeft mij wijsheid geleerd Nu bezit ik kennis van den Heilige!
3Non didici sapientiam, et non novi scientiam sanctorum.
4Wie steeg ten hemel op, en daalde weer neer; Wie ving de wind in zijn holle hand; Wie bond het water in zijn mantel; Wie stelde de grenzen der aarde vast? Hoe is zijn naam, hoe de naam van zijn zoon? Zeg het mij, wanneer ge het weet.
4Quis ascendit in cælum, atque descendit? quis continuit spiritum in manibus suis? quis colligavit aquas quasi in vestimento? quis suscitavit omnes terminos terræ? quod nomen est ejus, et quod nomen filii ejus, si nosti?
5Elk woord van God is vertrouwd; Hij is een schild, voor wie op Hem bouwen.
5Omnis sermo Dei ignitus: clypeus est sperantibus in se.
6Voeg aan zijn woorden niets toe, Anders berispt Hij u, en blijkt ge een leugenaar.
6Ne addas quidquam verbis illius, et arguaris, inveniarisque mendax.
7Twee dingen wil ik van U vragen, Weiger mij die niet, eer ik sterf:
7Duo rogavi te: ne deneges mihi antequam moriar:
8Onwaarheid en leugentaal, Houd ze verre van mij! Geef mij armoede noch rijkdom, Maar schenk mij het voedsel, dat ik nodig heb,
8vanitatem et verba mendacia longe fac a me; mendicitatem et divitias ne dederis mihi: tribue tantum victui meo necessaria,
9Opdat ik U in mijn overvloed niet verloochene En zeggen durf: “Wie is Jahweh!” Of in mijn armoede niet tot stelen kom, En mij vergrijp aan de Naam van mijn God.
9ne forte satiatus illiciar ad negandum, et dicam: Quis est Dominus? aut egestate compulsus, furer, et perjurem nomen Dei mei.
10Belaster een knecht niet bij zijn meester; Anders vloekt hij u, en boet gij ervoor.
10Ne accuses servum ad dominum suum, ne forte maledicat tibi, et corruas.]
11Wee het geslacht, dat zijn vader vloekt, En zijn moeder niet eert;
11[Generatio quæ patri suo maledicit, et quæ matri suæ non benedicit;
12Het geslacht, dat zich onschuldig waant, Maar niet eens is schoongewassen van zijn vuil;
12generatio quæ sibi munda videtur, et tamen non est lota a sordibus suis;
13Het geslacht dat uit de hoogte neerziet, En de wenkbrauwen optrekt;
13generatio cujus excelsi sunt oculi, et palpebræ ejus in alta surrectæ;
14Het geslacht, met tanden als zwaarden En kiezen als messen, Om den arme van de aarde weg te vreten, En den behoeftige weg van zijn grond.
14generatio quæ pro dentibus gladios habet, et commandit molaribus suis, ut comedat inopes de terra, et pauperes ex hominibus.
15De bloedzuiger heeft twee dochters, Ze heten: Hap, hap! Drie dingen zijn niet te verzadigen; Vier dingen zeggen nimmer: genoeg!
15Sanguisugæ duæ sunt filiæ, dicentes: Affer, affer. Tria sunt insaturabilia, et quartum quod numquam dicit: Sufficit.
16De onderwereld, De onvruchtbare moederschoot, Het land, dat water te kort komt, Het vuur, dat nooit “genoeg” zegt.
16Infernus, et os vulvæ, et terra quæ non satiatur aqua: ignis vero numquam dicit: Sufficit.
17Een oog, dat met vader spot, En met de gehoorzaamheid aan moeder lacht: De raven van het dal zullen het uitpikken, De jonge arenden het opvreten.
17Oculum qui subsannat patrem, et qui despicit partum matris suæ, effodiant eum corvi de torrentibus, et comedant eum filii aquilæ !]
18Drie dingen zijn mij te wonderlijk, Vier dingen begrijp ik niet:
18[Tria sunt difficilia mihi, et quartum penitus ignoro:
19De weg van een arend door de lucht, De weg van een slang over de rots, De weg van een schip midden door zee, En de weg van een man naar een meisje.
19viam aquilæ in cælo, viam colubri super petram, viam navis in medio mari, et viam viri in adolescentia.
20Maar dit is de weg van een overspelige vrouw: Ze eet, veegt zich de mond af, En zegt: Ik heb geen kwaad gedaan.
20Talis est et via mulieris adulteræ, quæ comedit, et tergens os suum dicit: Non sum operata malum.
21Onder drie dingen beeft de aarde, Onder vier dingen houdt ze het niet uit:
21Per tria movetur terra, et quartum non potest sustinere:
22Onder een slaaf, wanneer hij koning wordt; Onder een dwaas, als hij genoeg te eten heeft;
22per servum, cum regnaverit; per stultum, cum saturatus fuerit cibo;
23Onder een oude vrijster, die nog een man vindt; En onder een slavin, die haar meesteres verdringt
23per odiosam mulierem, cum in matrimonio fuerit assumpta; et per ancillam, cum fuerit hæres dominæ suæ.]
24Vier dingen zijn de kleinste op aarde; Toch zijn ze wijzen te slim af!
24[Quatuor sunt minima terræ, et ipsa sunt sapientiora sapientibus:
25De mieren: het is een volk zonder kracht, Maar ‘s zomers vergaart het zijn voedsel;
25formicæ, populus infirmus, qui præparat in messe cibum sibi;
26De klipdassen: het zijn zwakke dieren, Maar ze hebben hun hol in de rots;
26lepusculus, plebs invalida, qui collocat in petra cubile suum;
27De sprinkhanen: ze hebben geen koning, Maar hun zwerm trekt ordelijk uit;
27regem locusta non habet, et egreditur universa per turmas suas;
28Een hagedis: ze laat zich met de handen vatten, Maar ze woont in de paleizen des konings.
28stellio manibus nititur, et moratur in ædibus regis.
29Drie dingen hebben een statige tred; Vier dingen hebben een statige gang:
29Tria sunt quæ bene gradiuntur, et quartum quod incedit feliciter:
30Een leeuw, de held onder de dieren, Voor niets schrikt hij terug;
30leo, fortissimus bestiarum, ad nullius pavebit occursum;
31Een haan, die trots voor de kippen uitloopt; Een bok, die de geiten voorafgaat; Een koning aan het hoofd van zijn troepen.
31gallus succinctus lumbos; et aries; nec est rex, qui resistat ei.
32Moogt ge dwaas zijn of verstandig: Als ge u verheffen wilt, hand op de mond!
32Est qui stultus apparuit postquam elevatus est in sublime; si enim intellexisset, ori suo imposuisset manum.
33Want een druk op melk geeft boter, Een druk op de neus geeft bloed, Een druk op de gramschap geeft twist!
33Qui autem fortiter premit ubera ad eliciendum lac exprimit butyrum; et qui vehementer emungit elicit sanguinem; et qui provocat iras producit discordias.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.