Spreuken
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wie op tucht gesteld is, is op kennis gesteld; Wie geen vermaning kan velen, is als redeloos vee.
1[Qui diligit disciplinam diligit scientiam; qui autem odit increpationes insipiens est.
2De deugdzame geniet het welbehagen van Jahweh, Doortrapte mensen veroordeelt Hij.
2Qui bonus est hauriet gratiam a Domino; qui autem confidit in cogitationibus suis impie agit.
3Door misdaad houdt de mens geen stand, Maar de wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar.
3Non roborabitur homo ex impietate, et radix justorum non commovebitur.
4Een flinke vrouw is de kroon van haar man; Een die zich misdraagt, een kanker in zijn gebeente.
4Mulier diligens corona est viro suo; et putredo in ossibus ejus, quæ confusione res dignas gerit.
5Wat rechtvaardigen overleggen is recht, Wat bozen uitdenken bedrog.
5Cogitationes justorum judicia, et consilia impiorum fraudulenta.
6In de woorden der bozen loert levensgevaar, Maar de mond der vromen brengt redding.
6Verba impiorum insidiantur sanguini; os justorum liberabit eos.
7De bozen worden omvergeworpen, en ze zijn er niet meer; Het huis der rechtvaardigen houdt stand.
7Verte impios, et non erunt; domus autem justorum permanebit.
8Naar de mate van zijn doorzicht wordt men geprezen, Maar een nar is niet in tel.
8Doctrina sua noscetur vir; qui autem vanus et excors est patebit contemptui.
9Beter onderschat te worden en over een knecht beschikken, Dan voornaam te doen en broodgebrek hebben.
9Melior est pauper et sufficiens sibi quam gloriosus et indigens pane.
10De rechtvaardige kent de noden zelfs van zijn vee, Maar het hart der bozen is zonder erbarmen.
10Novit justus jumentorum suorum animas; viscera autem impiorum crudelia.
11Wie zijn akker bebouwt, heeft eten genoeg; Maar wie zijn tijd verbeuzelt, lijdt gebrek.
11Qui operatur terram suam satiabitur panibus; qui autem sectatur otium stultissimus est. Qui suavis est in vini demorationibus, in suis munitionibus relinquit contumeliam.
12De burcht der bozen stort in puin, De wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar.
12Desiderium impii munimentum est pessimorum; radix autem justorum proficiet.]
13Door zijn tong te misbruiken loopt de boze in de val, Maar de rechtvaardige ontkomt uit de benauwdheid.
13[Propter peccata labiorum ruina proximat malo; effugiet autem justus de angustia.
14Wat van iemands lippen komt, wordt hem rijkelijk vergolden; En wat iemands handen doen, valt terug op hemzelf.
14De fructu oris sui unusquisque replebitur bonis, et juxta opera manuum suarum retribuetur ei.
15De dwaze houdt zijn weg voor recht; Alleen wie naar raad luistert, is wijs.
15Via stulti recta in oculis ejus; qui autem sapiens est audit consilia.
16Een dwaas laat ogenblikkelijk zijn woede blijken, Wijs is hij, die een belediging doodzwijgt.
16Fatuus statim indicat iram suam; qui autem dissimulat injuriam callidus est.
17Wie waarheid spreekt, verbreidt recht; Maar een valse getuige pleegt bedrog.
17Qui quod novit loquitur, index justitiæ est; qui autem mentitur, testis est fraudulentus.
18Sommigen laten zich woorden ontvallen als dolkstoten, Maar de tong der wijzen verzacht.
18Est qui promittit, et quasi gladio pungitur conscientiæ: lingua autem sapientium sanitas est.
19Het woord der waarheid houdt eeuwig stand, Een leugentong slechts een ogenblik.
19Labium veritatis firmum erit in perpetuum; qui autem testis est repentinus, concinnat linguam mendacii.
20Ontgoocheling is het lot van wie kwaad beramen; Maar bij hen, die heilzame raad geven, heerst vreugde.
20Dolus in corde cogitantium mala; qui autem pacis ineunt consilia, sequitur eos gaudium.
21Geen kwaad zal den rechtvaardige treffen, Maar de bozen worden door het ongeluk achtervolgd.
21Non contristabit justum quidquid ei acciderit: impii autem replebuntur malo.
22Jahweh heeft een afschuw van leugentaal, Maar welbehagen in hen, die de waarheid betrachten.
22Abominatio est Domino labia mendacia; qui autem fideliter agunt placent ei.
23Een wijze houdt zijn wetenschap voor zich, Een dwaas loopt met zijn domheid te koop.
23Homo versatus celat scientiam, et cor insipientium provocat stultitiam.]
24De hand der vlijtigen zal regeren, Vadsigheid leidt tot slavernij.
24[Manus fortium dominabitur; quæ autem remissa est, tributis serviet.
25Kommer in het hart maakt een mens neerslachtig, Een goed woord fleurt hem weer op.
25Mœror in corde viri humiliabit illum, et sermone bono lætificabitur.
26Een rechtvaardige vindt zijn weide wel, Maar de weg der bozen voert hen op een dwaalspoor.
26Qui negligit damnum propter amicum, justus est; iter autem impiorum decipiet eos.
27Een vadsig mens zal geen wild verschalken, Een ijverig mens verwerft een kostbaar bezit.
27Non inveniet fraudulentus lucrum, et substantia hominis erit auri pretium.
28Op de weg der deugd is leven, Het pad der boosheid leidt naar de dood.
28In semita justitiæ vita; iter autem devium ducit ad mortem.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.