Spreuken
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De wijn is een spotter, de drank luidruchtig; Onwijs is hij, die zich eraan te buiten gaat.
1[Luxuriosa res vinum, et tumultuosa ebrietas: quicumque his delectatur non erit sapiens.
2Een toornig koning brult als een leeuw; Wie hem prikkelt, vergrijpt zich aan zichzelf.
2Sicut rugitus leonis, ita et terror regis: qui provocat eum peccat in animam suam.
3Het is een eer voor den mens, buiten twisten te blijven; Alleen dwazen zoeken ruzie.
3Honor est homini qui separat se a contentionibus; omnes autem stulti miscentur contumeliis.
4Als een luiaard in de herfst niet wil ploegen, Zoekt hij in de oogsttijd tevergeefs.
4Propter frigus piger arare noluit; mendicabit ergo æstate, et non dabitur illi.
5Diep water is het, wat iemand bij zichzelf overlegt; Maar een verstandig mens weet het te putten.
5Sicut aqua profunda, sic consilium in corde viri; sed homo sapiens exhauriet illud.
6Velen worden vriendelijke mensen genoemd; Waar vindt men echter iemand, die betrouwbaar is?
6Multi homines misericordes vocantur; virum autem fidelem quis inveniet?]
7Een deugdzaam mens, die onberispelijk wandelt: Ook na zijn dood gaat het zijn kinderen goed.
7[Justus qui ambulat in simplicitate sua beatos post se filios derelinquet.
8De koning, die op zijn rechterstoel zit, Zift met zijn ogen al wat slecht is.
8Rex qui sedet in solio judicii dissipat omne malum intuitu suo.
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein gehouden, Ik ben vrij van zonde?
9Quis potest dicere: Mundum est cor meum; purus sum a peccato?
10Tweeërlei gewicht en tweeërlei maat: Jahweh heeft van beide een afschuw.
10Pondus et pondus, mensura et mensura: utrumque abominabile est apud Deum.
11Zelfs uit het gedrag van een kind kan men opmaken, Of zijn daden zuiver zijn en oprecht.
11Ex studiis suis intelligitur puer, si munda et recta sint opera ejus.
12Een oor dat hoort, en een oog dat ziet: Jahweh heeft ze beide gemaakt.
12Aurem audientem, et oculum videntem: Dominus fecit utrumque.
13Wees niet verzot op slapen, anders wordt ge arm; Houd uw ogen open, en ge krijgt eten genoeg.
13Noli diligere somnum, ne te egestas opprimat: aperi oculos tuos, et saturare panibus.
14Slecht! Slecht! klaagt de koper; Maar als hij is weggegaan, gaat hij er groot op
14Malum est, malum est, dicit omnis emptor; et cum recesserit, tunc gloriabitur.
15Er is goud, er zijn veel juwelen, Maar het kostbaarst bezit zijn verstandige lippen.
15Est aurum et multitudo gemmarum, et vas pretiosum labia scientiæ.]
16Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis een pand van hem, terwille van vreemden.
16[Tolle vestimentum ejus qui fidejussor extitit alieni, et pro extraneis aufer pignus ab eo.
17Gestolen brood smaakt iemand wel goed, Maar achteraf heeft hij een mond vol zand.
17Suavis est homini panis mendacii, et postea implebitur os ejus calculo.
18Alleen door beraad komen plannen ten uitvoer; Voer dus de strijd met beleid.
18Cogitationes consiliis roborantur, et gubernaculis tractanda sunt bella.
19Wie altijd maar babbelt, verraadt licht een geheim; Bemoei u dus niet met een praatvaar.
19Ei qui revelat mysteria, et ambulat fraudulenter, et dilatat labia sua, ne commiscearis.
20Als iemand zijn vader en moeder vervloekt, Gaat zijn lamp uit, wanneer de duisternis intreedt.
20Qui maledicit patri suo et matri, extinguetur lucerna ejus in mediis tenebris:
21Een bezit, te spoedig verkregen, Brengt tenslotte geen zegen.
21hæreditas ad quam festinatur in principio, in novissimo benedictione carebit.
22Zeg niet: Ik zal u het kwaad vergelden! Vertrouw op Jahweh; Hij zal u helpen.
22Ne dicas: Reddam malum: exspecta Dominum, et liberabit te.
23Tweeërlei gewicht is een gruwel voor Jahweh, Een valse weegschaal is kwaad.
23Abominatio est apud Dominum pondus et pondus; statera dolosa non est bona.
24Door Jahweh zijn de schreden der mensen bepaald; Hoe zou ook de mens zijn weg kunnen zien?
24A Domino diriguntur gressus viri: quis autem hominum intelligere potest viam suam?
25In de val loopt hij, die ijlings “Heilig” roept En eerst ná zijn geloften overlegt.
25Ruina est homini devorare sanctos, et post vota retractare.]
26Een wijs koning zift de bozen uit, En laat het rad over hen heengaan.
26[Dissipat impios rex sapiens, et incurvat super eos fornicem.
27Jahweh slaat de geest der mensen gade En doorzoekt alle schuilhoeken der ziel.
27Lucerna Domini spiraculum hominis, quæ investigat omnia secreta ventris.
28Liefde en trouw beschermen den koning, Op rechtvaardigheid stut hij zijn troon.
28Misericordia et veritas custodiunt regem, et roboratur clementia thronus ejus.
29Het sieraad der jongemannen is hun kracht, Grijze haren zijn de pronk van de ouderdom.
29Exsultatio juvenum fortitudo eorum, et dignitas senum canities.
30Bloedige striemen polijsten het hart, Slagen de schuilhoeken der ziel.
30Livor vulneris absterget mala, et plagæ in secretioribus ventris.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.