Spreuken 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
1[Melior est pauper qui ambulat in simplicitate sua quam dives torquens labia sua, et insipiens.
2Zonder verstand deugt zelfs de ijver niet; Wie te haastig loopt, doet een misstap.
2Ubi non est scientia animæ, non est bonum, et qui festinus est pedibus offendet.
3Door zijn dwaasheid komt de mens op het verkeerde pad, Maar hij zelf wijt het aan Jahweh!
3Stultitia hominis supplantat gressus ejus, et contra Deum fervet animo suo.
4Rijkdom maakt vele vrienden, Een arme raakt zijn vrienden kwijt.
4Divitiæ addunt amicos plurimos; a paupere autem et hi quos habuit separantur.
5Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal niet ontkomen.
5Testis falsus non erit impunitus, et qui mendacia loquitur non effugiet.
6Velen dingen naar de gunst van een voorname; Wie geschenken geeft, heeft allen tot vriend.
6Multi colunt personam potentis, et amici sunt dona tribuentis.
7Als een arme al door zijn broers wordt gehaat, Hoever zullen zijn vrienden zich dan van hem terugtrekken! Wie te veel spreekt, wordt een meester in de boosheid; Wie woorden najaagt, ontkomt niet.
7Fratres hominis pauperis oderunt eum; insuper et amici procul recesserunt ab eo.] [Qui tantum verba sectatur nihil habebit;
8Wie verstand verwerft, heeft zichzelven lief; Wie inzicht bewaart, zal het goede ondervinden.
8qui autem possessor est mentis diligit animam suam, et custos prudentiæ inveniet bona.
9Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal omkomen.
9Falsus testis non erit impunitus, et qui loquitur mendacia peribit.
10Weelde staat een dwaas evenmin, Als een knecht het heersen over vorsten.
10Non decent stultum deliciæ, nec servum dominari principibus.
11Wijsheid maakt den mens lankmoedig; Hij gaat er groot op, een misstap te vergeven.
11Doctrina viri per patientiam noscitur, et gloria ejus est iniqua prætergredi.
12Een toornig koning brult als een leeuw, Maar als dauw op het groen is zijn gunst.
12Sicut fremitus leonis, ita et regis ira, et sicut ros super herbam, ita et hilaritas ejus.
13Een dwaas kind is een ramp voor zijn vader, Het getwist van een vrouw een gestadig druppelend lek.
13Dolor patris filius stultus, et tecta jugiter perstillantia litigiosa mulier.
14Huis en have worden van vader geërfd, Maar een verstandige vrouw komt van Jahweh.
14Domus et divitiæ dantur a parentibus; a Domino autem proprie uxor prudens.
15Luiheid verwekt een diepe slaap, Een trage geest moet honger lijden.
15Pigredo immittit soporem, et anima dissoluta esuriet.
16Wie de geboden in acht neemt, behoedt zichzelf; Wie niet past op zijn wandel, zal sterven.
16Qui custodit mandatum custodit animam suam; qui autem negligit viam suam mortificabitur.
17Wie goed is voor een arme, leent aan Jahweh; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
17Fœneratur Domino qui miseretur pauperis, et vicissitudinem suam reddet ei.
18Tuchtig uw kind, zo lang er nog hoop is; Maar laat u niet vervoeren tot toorn.
18Erudi filium tuum; ne desperes: ad interfectionem autem ejus ne ponas animam tuam.
19Een driftig mens zal moeten boeten; Wilt ge hem helpen, ge maakt het nog erger.
19Qui impatiens est sustinebit damnum, et cum rapuerit, aliud apponet.
20Luister naar raad, en neem vermaning aan, Opdat ge tenslotte wijs moogt zijn.
20Audi consilium, et suscipe disciplinam, ut sis sapiens in novissimis tuis.
21Vele plannen gaan er om in den mens, Maar het besluit van Jahweh, dàt komt tot stand.
21Multæ cogitationes in corde viri; voluntas autem Domini permanebit.
22Goedheid strekt den mens tot gewin, Beter arm te zijn dan wreed
22Homo indigens misericors est, et melior est pauper quam vir mendax.
23Het ontzag voor Jahweh leidt ten leven; Men rust dan tevreden, niet door rampen bezocht.
23Timor Domini ad vitam, et in plenitudine commorabitur absque visitatione pessima.]
24Als een luiaard zijn hand in de schotel heeft gestoken, Brengt hij haar nog niet eens naar de mond.
24[Abscondit piger manum suam sub ascella, nec ad os suum applicat eam.
25Slaat ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Vermaant ge een verstandig mens, hij leert er nog uit.
25Pestilente flagellato stultus sapientior erit; si autem corripueris sapientem, intelliget disciplinam.
26Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verjaagt, Is een kind, dat beschaamt en te schande maakt.
26Qui affligit patrem, et fugat matrem, ignominiosus est et infelix.
27Mijn zoon, houdt ge op, naar vermaning te luisteren, Dan dwaalt ge af van verstandige taal.
27Non cesses, fili, audire doctrinam, nec ignores sermones scientiæ.
28Een kwaadwillige getuige spot met het recht, De mond der bozen stort onrecht uit.
28Testis iniquus deridet judicium, et os impiorum devorat iniquitatem.
29Voor de spotters liggen roeden gereed, En slagen voor de rug van de dwazen.
29Parata sunt derisoribus judicia, et mallei percutientes stultorum corporibus.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.