Spreuken
Chapter 16
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wel kan de mens bij zichzelf overleggen, Maar van Jahweh komt het antwoord van de mond.
1[Hominis est animam præparare, et Domini gubernare linguam.
2Al denkt de mens, dat al zijn wegen onschuldig zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst!
2Omnes viæ hominis patent oculis ejus; spirituum ponderator est Dominus.
3Wentel uw zorgen op Jahweh af, Dan komen uw plannen ten uitvoer.
3Revela Domino opera tua, et dirigentur cogitationes tuæ.
4Jahweh heeft alles gemaakt met een doel, Zo ook den zondaar voor de dag van het onheil.
4Universa propter semetipsum operatus est Dominus; impium quoque ad diem malum.
5Jahweh verafschuwt alle hooghartige mensen; De hand erop: ze ontkomen niet aan hun straf.
5Abominatio Domini est omnis arrogans; etiamsi manus ad manum fuerit, non est innocens. Initium viæ bonæ facere justitiam; accepta est autem apud Deum magis quam immolare hostias.
6Door oprechte liefde wordt de zonde uitgeboet, Uit vrees voor Jahweh leert men het kwaad mijden.
6Misericordia et veritate redimitur iniquitas, et in timore Domini declinatur a malo.
7Als Jahweh behagen heeft in iemands wegen, Maakt Hij zelfs diens vijanden met hem bevriend.
7Cum placuerint Domino viæ hominis, inimicos quoque ejus convertet ad pacem.
8Beter weinig met eerlijke middelen, Dan rijke inkomsten door onrecht.
8Melius est parum cum justitia quam multi fructus cum iniquitate.
9Al kan de mens bij zichzelf overleggen, Het is Jahweh, die zijn schreden richt.
9Cor hominis disponit viam suam, sed Domini est dirigere gressus ejus.]
10Van ‘s konings lippen komt een orakel, Bij een rechtszaak faalt zijn uitspraak niet.
10[Divinatio in labiis regis; in judicio non errabit os ejus.
11Een juiste balans en weegschaal zijn van Jahweh, En iedere gewichtssteen is zijn werk.
11Pondus et statera judicia Domini sunt, et opera ejus omnes lapides sacculi.
12Koningen moeten een afschuw van misdaden hebben; Alleen door rechtvaardigheid staat een troon sterk.
12Abominabiles regi qui agunt impie, quoniam justitia firmatur solium.
13Een koning heeft welbehagen in eerlijke taal, En houdt van iemand, die waarheid spreekt.
13Voluntas regum labia justa; qui recta loquitur diligetur.
14De toorn eens konings is de bode van de dood; Een wijs man weet hem te ontwapenen.
14Indignatio regis nuntii mortis, et vir sapiens placabit eam.
15Een vriendelijk gezicht van den koning betekent leven, Zijn welgevallen is als een wolk vol lenteregen.
15In hilaritate vultus regis vita, et clementia ejus quasi imber serotinus.]
16Wijsheid verwerven is beter dan goud, Ervaring krijgen verkieslijker dan zilver.
16[Posside sapientiam, quia auro melior est, et acquire prudentiam, quia pretiosior est argento.
17Het pad der deugdzamen weet het kwaad te vermijden; Wie op zijn weg let, beschermt zichzelf.
17Semita justorum declinat mala; custos animæ suæ servat viam suam.
18Hoogmoed komt vóór de val, Hooghartigheid, voordat men struikelt.
18Contritionem præcedit superbia, et ante ruinam exaltatur spiritus.
19Beter deemoedig te zijn met armen, Dan met hovaardigen buit te delen.
19Melius est humiliari cum mitibus quam dividere spolia cum superbis.
20Wie op zijn woorden let, heeft het goed; Gelukkig hij, die op Jahweh vertrouwt!
20Eruditus in verbo reperiet bona, et qui sperat in Domino beatus est.
21Een wijze geest wordt verstandig genoemd, Maar met goede woorden bereikt men nog meer.
21Qui sapiens est corde appellabitur prudens, et qui dulcis eloquio majora percipiet.
22Inzicht is een levensbron voor wie het bezit, Dwazen worden met dwaasheid bestraft.
22Fons vitæ eruditio possidentis; doctrina stultorum fatuitas.]
23Een wijze geest spreekt verstandige taal, Hij maakt, dat zijn woorden overtuigen.
23[Cor sapientis erudiet os ejus, et labiis ejus addet gratiam.
24Vriendelijke woorden zijn een honingraat, Zoet voor de ziel en verkwikkend voor het gebeente.
24Favus mellis composita verba; dulcedo animæ sanitas ossium.
25Soms houdt men een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
25Est via quæ videtur homini recta, et novissima ejus ducunt ad mortem.
26De honger zet den arbeider aan tot werken; Zijn mond dwingt hem ertoe.
26Anima laborantis laborat sibi, quia compulit eum os suum.
27Een man, die niet deugt, is een oven van boosheid; Op zijn lippen brandt als het ware een vuur.
27Vir impius fodit malum, et in labiis ejus ignis ardescit.
28Een wispelturig mens stuurt op ruzie aan, Een lastertong brengt onenigheid tussen vrienden.
28Homo perversus suscitat lites, et verbosus separat principes.
29Een booswicht tracht zijn naaste te verleiden, En hem te brengen op een weg, die niet deugt.
29Vir iniquus lactat amicum suum, et ducit eum per viam non bonam.
30Wie zijn ogen toeknijpt, is iets vals van plan; Wie zijn lippen opeenperst, heeft het kwaad al gedaan.
30Qui attonitis oculis cogitat prava, mordens labia sua perficit malum.
31Het grijze haar is een heerlijke kroon, Die op het pad der deugd wordt verkregen.
31Corona dignitatis senectus, quæ in viis justitiæ reperietur.
32Een lankmoedig man is meer waard dan een krachtmens; Wie zichzelf beheerst, staat hoger, dan wie een stad bedwingt.
32Melior est patiens viro forti, et qui dominatur animo suo expugnatore urbium.
33Wel wordt het lot in de schoot geworpen Maar wat het uitwijst, komt van Jahweh.
33Sortes mittuntur in sinum, sed a Domino temperantur.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.