1 Korintiers 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Paulus, apostel van Christus Jesus, geroepen door Gods wil, en broeder Sóstenes:
1Paulus vocatus Apostolus Jesu Christi per voluntatem Dei, et Sosthenes frater,
2aan de Kerk Gods te Korinte, aan hen die geheiligd zijn door Christus Jesus, aan de uitverkoren heiligen, en aan allen die de naam van Jesus Christus aanroepen in iedere plaats, zowel bij hen als bij ons:
2ecclesiæ Dei, quæ est Corinthi, sanctificatis in Christo Jesu, vocatis sanctis, cum omnibus qui invocant nomen Domini nostri Jesu Christi, in omni loco ipsorum et nostro.
3Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en van den Heer Jesus Christus.
3Gratia vobis, et pax a Deo Patre nostro, et Domino Jesu Christo.
4Ten allen tijde dank ik God om u voor Gods genade, die u gegeven is in Christus Jesus;
4Gratias ago Deo meo semper pro vobis in gratia Dei, quæ data est vobis in Christo Jesu:
5want door Hem zijt gij rijk geworden in ieder opzicht, —in alle woord en in alle kennis
5quod in omnibus divites facti estis in illo, in omni verbo, et in omni scientia.
6in dezelfde mate als de belijdenis van Christus vastheid onder u heeft gekregen.
6Sicut testimonium Christi confirmatum est in vobis:
7En zo staat gij in geen enkele genadegave ten achter al de tijd, dat gij de openbaring afwacht van onzen Heer Jesus Christus.
7ita ut nihil vobis desit in ulla gratia, exspectantibus revelationem Domini nostri Jesu Christi,
8Bovendien zal Deze u vast doen staan ten einde toe, zodat gij onberispelijk zijn zult op de dag van onzen Heer Jesus Christus.
8qui et confirmabit vos usque in finem sine crimine, in die adventus Domini nostri Jesu Christi.
9God is getrouw; Hij door wien gij geroepen zijt tot de gemeenschap met zijn Zoon, Jesus Christus onzen Heer.
9Fidelis Deus: per quem vocati estis in societatem filii ejus Jesu Christi Domini nostri.
10Broeders, ik bezweer u uit naam van onzen Heer Jesus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij volkomen één zijt in dezelfde gezindheid en dezelfde overtuiging.
10Obsecro autem vos fratres per nomen Domini nostri Jesu Christi: ut idipsum dicatis omnes, et non sint in vobis schismata: sitis autem perfecti in eodem sensu, et in eadem sententia.
11Want, mijn broeders, door de lieden van Chloë is me over u bekend geworden, dat er twisten onder u zijn.
11Significatum est enim mihi de vobis fratres mei ab iis, qui sunt Chloës, quia contentiones sunt inter vos.
12Ik bedoel dit: Iedereen van u zegt: “Ik ben van Paulus, ik van Apollo, ik van Kefas, ik van Christus.”
12Hoc autem dico, quod unusquisque vestrum dicit: Ego quidem sum Pauli: ego autem Apollo: ego vero Cephæ: ego autem Christi.
13Is Christus soms verdeeld? Of is Paulus soms voor u gekruisigd, of zijt gij in Paulus’ naam gedoopt?
13Divisus est Christus? numquid Paulus crucifixus est pro vobis? aut in nomine Pauli baptizati estis?
14Ik ben er dankbaar om, dat ik niemand van u gedoopt hebt behalve Krispus en Gajus,
14Gratias ago Deo, quod neminem vestrum baptizavi, nisi Crispum et Caium:
15zodat men niet zeggen kan, dat gij in mijn naam zijt gedoopt.
15ne quis dicat quod in nomine meo baptizati estis.
16Ook Stéfanas’ familie heb ik nog gedoopt; overigens weet ik niet, dat ik iemand anders gedoopt heb.
16Baptizavi autem et Stephanæ domum: ceterum nescio si quem alium baptizaverim.
17Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen: niet met wijsheid van woorden, opdat het Kruis van Christus zijn betekenis niet zou verliezen.
17Non enim misit me Christus baptizare, sed evangelizare: non in sapientia verbi, ut non evacuetur crux Christi.
18Immers de prediking van het Kruis is wel een dwaasheid voor hen, die verloren gaan, maar voor ons, die behouden worden, is ze een kracht Gods.
18Verbum enim crucis pereuntibus quidem stultitia est: iis autem qui salvi fiunt, id est nobis, Dei virtus est.
19Want er staat geschreven: “Ik zal de wijsheid der wijzen verdelgen, En het beleid der verstandigen te niet doen.”
19Scriptum est enim: Perdam sapientiam sapientium, et prudentiam prudentium reprobabo.
20Waar is de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister dezer wereld? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?
20Ubi sapiens? ubi scriba? ubi conquisitor hujus sæculi? Nonne stultam fecit Deus sapientiam hujus mundi?
21Want daar volgens het bestel van Gods wijsheid de wereld niet door de wijsheid tot de kennis van God is gekomen, zo heeft het God behaagd, de gelovigen zalig te maken door de dwaasheid der prediking.
21Nam quia in Dei sapientia non cognovit mundus per sapientiam Deum: placuit Deo per stultitiam prædicationis salvos facere credentes.
22Terwijl de Joden tekenen eisen, en de Grieken wijsheid zoeken,
22Quoniam et Judæi signa petunt, et Græci sapientiam quærunt:
23preken wij Christus gekruisigd, voor de Joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid,
23nos autem prædicamus Christum crucifixum: Judæis quidem scandalum, gentibus autem stultitiam,
24maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, een Christus, Gods kracht en Gods wijsheid.
24ipsis autem vocatis Judæis, atque Græcis Christum Dei virtutem, et Dei sapientia:
25Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen, en het zwakke van God is krachtiger dan de mensen.
25quia quod stultum est Dei, sapientius est hominibus: et quod infirmum est Dei, fortius est hominibus.
26Inderdaad, broeders, denkt eens aan uw eigen roeping terug; niet velen waren wijzen naar het vlees, niet velen machtig, niet velen aanzienlijk.
26Videte enim vocationem vestram, fratres, quia non multi sapientes secundum carnem, non multi potentes, non multi nobiles:
27Neen, het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, om de wijzen beschaamd te maken; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen;
27sed quæ stulta sunt mundi elegit Deus, ut confundat sapientes: et infirma mundi elegit Deus, ut confundat fortia:
28en het onaanzienlijke der wereld en het onbeduidende heeft God uitverkoren: alles wat niets is, om te niet te doen, wat iets is,
28et ignobilia mundi, et contemptibilia elegit Deus, et ea quæ non sunt, ut ea quæ sunt destrueret:
29opdat geen vlees zou roemen voor God.
29ut non glorietur omnis caro in conspectu ejus.
30Door Hem toch behoort gij aan Christus Jesus, die ons door God geworden is: Wijsheid, Gerechtigheid, Heiliging en Verlossing;
30Ex ipso autem vos estis in Christo Jesu, qui factus est nobis sapientia a Deo, et justitia, et sanctificatio, et redemptio:
31opdat gelijk geschreven staat: “Hij die roemt, Roeme in den Heer.”
31ut quemadmodum scriptum est: Qui gloriatur, in Domino glorietur.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.