1 Korintiers 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Broeders, ik herinner u aan het Evangelie, dat ik u heb gepreekt, dat gij ook hebt aangenomen, waarop gij gegrondvest zijt,
1Notum autem vobis facio, fratres, Evangelium, quod prædicavi vobis, quod et accepistis, in quo et statis,
2en waardoor gij zult worden gered, zo gij vasthoudt aan de zin, waarin ik het u heb verkondigd; in de veronderstelling althans, dat gij niet helemaal onnadenkend zijt gaan geloven.
2per quod et salvamini: qua ratione prædicaverim vobis, si tenetis, nisi frustra credidistis.
3Want vóór alles heb ik u overgeleverd, wat ik zelf had ontvangen: Christus is voor onze zonden gestorven volgens de Schriften;
3Tradidi enim vobis in primis quod et accepi: quoniam Christus mortuus est pro peccatis nostris secundum Scripturas:
4Hij is begraven, de derde dag is Hij verrezen volgens de Schriften;
4et quia sepultus est, et quia resurrexit tertia die secundum Scripturas:
5en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalf.
5et quia visus est Cephæ, et post hoc undecim:
6Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, waarvan de meesten thans nog leven, en slechts enkelen zijn ontslapen.
6deinde visus est plus quam quingentis fratribus simul: ex quibus multi manent usque adhuc, quidam autem dormierunt:
7Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, toen aan alle Apostelen.
7deinde visus est Jacobo, deinde Apostolis omnibus:
8Het laatst van allen verscheen Hij aan mij als aan de misdracht.
8novissime autem omnium tamquam abortivo, visus est et mihi.
9Ja waarlijk, ik ben de allerminste der Apostelen, niet waardig Apostel genoemd te worden, daar ik Gods Kerk heb vervolgd;
9Ego enim sum minimus Apostolorum, qui non sum dignus vocari Apostolus, quoniam persecutus sum ecclesiam Dei.
10maar door Gods genade ben ik, wat ik ben, en de genade, die Hij me schonk, is niet ijdel geweest, maar meer dan alle anderen heb ik gezwoegd; niet ik, maar Gods genade met mij.
10Gratia autem Dei sum id quod sum, et gratia ejus in me vacua non fuit, sed abundantius illis omnibus laboravi: non ego autem, sed gratia Dei mecum:
11Of ik het nu ben, of de anderen: zó preken wij, en zó hebt gij het geloofd!
11sive enim ego, sive illi: sic prædicamus, et sic credidistis.
12Welnu, indien van Christus gepreekt wordt, dat Hij van de doden is verrezen, hoe kunnen dan sommigen onder u zeggen: De opstanding der doden is onmogelijk?
12Si autem Christus prædicatur quod resurrexit a mortuis, quomodo quidam dicunt in vobis, quoniam resurrectio mortuorum non est?
13Indien de opstanding der doden onmogelijk is, dan is ook Christus niet verrezen.
13Si autem resurrectio mortuorum non est: neque Christus resurrexit.
14Maar zo Christus niet is verrezen, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof.
14Si autem Christus non resurrexit, inanis est ergo prædicatio nostra, inanis est et fides vestra:
15Dan blijken we bovendien valse getuigen van God te zijn; want we hebben van God getuigd, dat Hij Christus heeft opgewekt; terwijl Hij Hem niet opgewekt heeft, zo er inderdaad geen doden verrijzen.
15invenimur autem et falsi testes Dei: quoniam testimonium diximus adversus Deum quod suscitaverit Christum, quem non suscitavit, si mortui non resurgunt.
16Want zo er geen doden verrijzen, dan is ook Christus niet verrezen.
16Nam si mortui non resurgunt, neque Christus resurrexit.
17Maar zo Christus niet is verrezen, dan is uw geloof zonder nut, en zijt gij nog in uw zonden;
17Quod si Christus non resurrexit, vana est fides vestra: adhuc enim estis in peccatis vestris.
18dan zijn ook zij verloren, die in Christus ontsliepen.
18Ergo et qui dormierunt in Christo, perierunt.
19Zo we alleen voor dit leven onze hoop stellen op Christus, dan zijn we de meest beklagenswaardige van alle mensen.
19Si in hac vita tantum in Christo sperantes sumus, miserabiliores sumus omnibus hominibus.
20Maar neen, Christus is van de doden verrezen, als Eersteling onder hen, die ontslapen zijn.
20Nunc autem Christus resurrexit a mortuis primitiæ dormientium,
21Want omdat door een mens de dood is gekomen, daarom ook is door een Mens de opstanding der doden.
21quoniam quidem per hominem mors, et per hominem resurrectio mortuorum.
22Zoals allen immers sterven door hun gemeenschap met Adam, zo zullen ook allen door hun gemeenschap met Christus herleven.
22Et sicut in Adam omnes moriuntur, ita et in Christo omnes vivificabuntur.
23Maar iedereen naar eigen rang. Christus als Eersteling; dan zij, die Christus toebehoren bij zijn komst.
23Unusquisque autem in suo ordine, primitiæ Christus: deinde ii qui sunt Christi, qui in adventu ejus crediderunt.
24Daarna komt het einde, als Hij het koningschap aan God en den Vader overdraagt, na alle heerschappij en alle macht en kracht te hebben vernietigd.
24Deinde finis: cum tradiderit regnum Deo et Patri, cum evacuaverit omnem principatum, et potestatem, et virtutem.
25Want Hij moet Koning zijn, totdat “Hij alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd”.
25Oportet autem illum regnare donec ponat omnes inimicos sub pedibus ejus.
26En de dood is de laatste vijand, die vernietigd wordt;
26Novissima autem inimica destruetur mors: omnia enim subjecit pedibus ejus. Cum autem dicat:
27want àlles heeft Hij onder zijn voeten gelegd. Wanneer Hij nu zegt, dat àlles onderworpen is, dan is heel duidelijk Hijzelf uitgezonderd, die alles aan Hem onderwierp.
27Omnia subjecta sunt ei, sine dubio præter eum qui subjecit ei omnia.
28Zodra dus alles aan Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zichzelf onderwerpen aan Dengene, die alles aan Hem onderwierp, opdat God zij: Alles in allen.
28Cum autem subjecta fuerint illi omnia: tunc et ipse Filius subjectus erit ei, qui subjecit sibi omnia, ut sit Deus omnia in omnibus.
29Wat toch zullen zij aanvangen, die zich voor de doden laten dopen, zo er helemaal geen doden verrijzen? Waarom dan laten ze zich voor hen dopen?
29Alioquin quid facient qui baptizantur pro mortuis, si omnino mortui non resurgunt? ut quid et baptizantur pro illis?
30En waartoe dient het dan, dat wijzelf ieder uur in gevaar verkeren?
30ut quid et nos periclitamur omni hora?
31Elke dag zie ik de dood van nabij; broeders, zowaar ik op u roem, in Christus Jesus onzen Heer.
31Quotidie morior per vestram gloriam, fratres, quam habeo in Christo Jesu Domino nostro.
32Als ik te Éfese met wilde dieren had gevochten, zoals de mensen het wilden, wat zou het me hebben gebaat? Wanneer de doden niet verrijzen, laat ons dan maar eten en drinken, want morgen gaan we dood.
32Si secundum hominem ad bestias pugnavi Ephesi, quid mihi prodest, si mortui non resurgunt? Manducemus, et bibamus, cras enim moriemur.
33Laat u niet verleiden: Slechte omgang bederft goede zeden.
33Nolite seduci: corrumpunt mores bonos colloquia mala.
34Gebruikt uw nuchter verstand, zoals het behoort, en zondigt niet. Want er zijn er, die van God geen begrip hebben. Ik zeg het tot uw beschaming.
34Evigilate justi, et nolite peccare: ignorantiam enim Dei quidam habent, ad reverentiam vobis loquor.
35Maar, zal iemand zeggen: Op welke wijze verrijzen de doden; met wat voor lichaam komen ze terug?
35Sed dicet aliquis: Quomodo resurgunt mortui? qualive corpore venient?
36Gij dwaas! Wat ge zelf zaait, wordt niet levend, zo het niet gestorven is;
36Insipiens, tu quod seminas non vivificatur, nisi prius moriatur:
37bovendien wat ge zaait, is niet de uitwendige gestalte, die te voorschijn treedt, doch een naakte korrel, bijvoorbeeld van graan of iets anders;
37et quod seminas, non corpus, quod futurum est, seminas, sed nudum granum, ut puta tritici, aut alicujus ceterorum.
38maar God geeft er een gestalte aan, zoals het Hem behaagt, en wel aan ieder zaad zijn eigen gestalte.
38Deus autem dat illi corpus sicut vult: ut unicuique seminum proprium corpus.
39Alle vlees is niet hetzelfde; maar anders is dat van mensen, anders dat van het vee, van vogels en vissen.
39Non omnis caro, eadem caro: sed alia quidem hominum, alia vero pecorum, alia volucrum, alia autem piscium.
40Er zijn hemellichamen en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse.
40Et corpora cælestia, et corpora terrestria: sed alia quidem cælestium gloria, alia autem terrestrium.
41Anders is de glans van de zon, anders de glans van de maan, anders de glans van de sterren; zelfs de ene ster verschilt van de andere in glans.
41Alia claritas solis, alia claritas lunæ, et alia claritas stellarum. Stella enim a stella differt in claritate:
42Zo is het ook met de opstanding der doden: Het wordt gezaaid in bederf, Het verrijst onbederflijk.
42sic et resurrectio mortuorum. Seminatur in corruptione, surget in incorruptione.
43Het wordt gezaaid in oneer, Het verrijst in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, Het verrijst in kracht.
43Seminatur in ignobilitate, surget in gloria: seminatur in infirmitate, surget in virtute:
44Een ziele-lichaam wordt gezaaid, Een geestelijk lichaam verrijst! Bestaat er een ziele-lichaam, er bestaat ook een geestelijk lichaam.
44seminatur corpus animale, surget corpus spiritale. Si est corpus animale, est et spiritale, sicut scriptum est:
45Aldus staat er ook geschreven: “De eerste mens Adam werd een levende ziel;” de laatste Adam een levendmakende Geest.
45Factus est primus homo Adam in animam viventem, novissimus Adam in spiritum vivificantem.
46Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke.
46Sed non prius quod spiritale est, sed quod animale: deinde quod spiritale.
47De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede Mens is uit de hemel.
47Primus homo de terra, terrenus: secundus homo de cælo, cælestis.
48Welnu, zoals de aardse was, zo zijn ook de aardse; zoals de Hemelse was, zo zullen ook de hemelse zijn;
48Qualis terrenus, tales et terreni: et qualis cælestis, tales et cælestes.
49en zoals we de gestalte van den aardsen hebben gedragen, zo moeten we ook de gestalte van den Hemelsen dragen.
49Igitur, sicut portavimus imaginem terreni, portemus et imaginem cælestis.
50Ik bedoel dit, broeders: vlees en bloed kunnen geen deel hebben aan het koninkrijk Gods, en het bederf heeft geen deel aan het onbederflijke.
50Hoc autem dico, fratres: quia caro et sanguis regnum Dei possidere non possunt: neque corruptio incorruptelam possidebit.
51Zie ik deel u een geheimenis mee: Niet allen zullen wij ontslapen, maar wel allen van gedaante veranderen;
51Ecce mysterium vobis dico: omnes quidem resurgemus, sed non omnes immutabimur.
52plotseling, in een oogwenk, bij de laatste stoot der bazuin. Want zodra de bazuin zal schallen, zullen de doden verrijzen, onbederflijk, maar wij van gedaante veranderen.
52In momento, in ictu oculi, in novissima tuba: canet enim tuba, et mortui resurgent incorrupti: et nos immutabimur.
53Want dit bederflijke moet met het onbederflijke worden bekleed; dit sterflijke met onsterflijkheid.
53Oportet enim corruptibile hoc induere incorruptionem: et mortale hoc induere immortalitatem.
54En zodra dit bederflijke met het onbederflijke is bekleed, en dit sterflijke met onsterflijkheid, wordt het woord vervuld, dat geschreven staat: De dood is verzwolgen in overwinning.
54Cum autem mortale hoc induerit immortalitatem, tunc fiet sermo, qui scriptus est: Absorpta est mors in victoria.
55Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?
55Ubi est mors victoria tua? ubi est mors stimulus tuus?
56De prikkel des doods is de zonde; de kracht der zonde de Wet.
56Stimulus autem mortis peccatum est: virtus vero peccati lex.
57Maar God zij dank, die ons de overwinning geeft door Jesus Christus onzen Heer.
57Deo autem gratias, qui dedit nobis victoriam per Dominum nostrum Jesum Christum.
58En daarom, mijn geliefde broeders, staat onbewegelijk vast, weest ten allen tijde rijk in ‘s Heren werk; gij weet, dat uw arbeid niet vergeefs is in den Heer.
58Itaque fratres mei dilecti, stabiles estote, et immobiles: abundantes in opere Domini semper, scientes quod labor vester non est inanis in Domino.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.