Spreuken 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Spreuken van Salomon, den zoon van David, Den koning van Israël:
1[Parabolæ Salomonis, filii David, regis Israël,
2Ze leren u kennen wijsheid en tucht, Ze geven u begrip voor verstandige woorden;
2ad sciendam sapientiam et disciplinam;
3Ze voeden u op tot heilzame tucht, Rechtschapenheid, plichtsbesef en oprechtheid.
3ad intelligenda verba prudentiæ, et suscipiendam eruditionem doctrinæ, justitiam, et judicium, et æquitatem:
4Aan de onnozelen schenken ze ervaring, Aan jonge mensen doordachte kennis.
4ut detur parvulis astutia, adolescenti scientia et intellectus.
5Als een wijze ze hoort, zal hij zijn inzicht verdiepen, Een verstandig mens zal er ideeën door krijgen;
5Audiens sapiens, sapientior erit, et intelligens gubernacula possidebit.
6Spreuk en strikvraag zal hij doorzien, De woorden der wijzen en hun problemen.
6Animadvertet parabolam et interpretationem, verba sapientum et ænigmata eorum.
7Het ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid; Maar ongelovigen lachen om wijsheid en tucht.
7Timor Domini principium sapientiæ; sapientiam atque doctrinam stulti despiciunt.]
8Mijn zoon, luister dus naar de wenken van uw vader, Sla niet in de wind, wat uw moeder u leerde;
8[Audi, fili mi, disciplinam patris tui, et ne dimittas legem matris tuæ:
9Want het siert uw hoofd als een krans, Uw hals als een snoer.
9ut addatur gratia capiti tuo, et torques collo tuo.
10Mijn zoon, als zondaars u willen verleiden, stem niet toe,
10Fili mi, si te lactaverint peccatores, ne acquiescas eis.
11Als ze u zeggen: Ga met ons mee, Laat ons loeren op bloed, Laat ons zo maar onschuldigen belagen,
11Si dixerint: Veni nobiscum, insidiemur sanguini; abscondamus tendiculas contra insontem frustra;
12Gelijk de onderwereld hen levend verslinden, Als zij, die ten grave dalen, geheel en al;
12deglutiamus eum sicut infernus viventem, et integrum quasi descendentem in lacum;
13Allerlei kostbare schatten zullen we vinden, Onze huizen vullen met buit;
13omnem pretiosam substantiam reperiemus; implebimus domos nostras spoliis:
14Ge moogt meeloten in onze kring, Eén buidel zullen we samen delen!
14sortem mitte nobiscum, marsupium unum sit omnium nostrum:
15Mijn zoon, ga dan niet met hen mee, En houd uw voet af van hun pad;
15fili mi, ne ambules cum eis; prohibe pedem tuum a semitis eorum:
16Want hun voeten ijlen naar het kwade, En haasten zich, om bloed te vergieten.
16pedes enim illorum ad malum currunt, et festinant ut effundant sanguinem.
17Maar zoals het niet geeft, of het net wordt gespannen, Terwijl alle vogels het zien:
17Frustra autem jacitur rete ante oculos pennatorum.
18Zo loeren ze slechts op hun eigen bloed, En belagen ze hun eigen leven!
18Ipsi quoque contra sanguinem suum insidiantur, et moliuntur fraudes contra animas suas.
19Zo gaat het allen, die uit zijn op oneerlijke winst: Deze beneemt zijn bezitters het leven.
19Sic semitæ omnis avari: animas possidentium rapiunt.]
20De wijsheid roept luid in de straten, Op de pleinen verheft ze haar stem;
20[Sapientia foris prædicat; in plateis dat vocem suam:
21Ze roept op de tinne der muren, En spreekt aan de ingang der poorten:
21in capite turbarum clamitat; in foribus portarum urbis profert verba sua, dicens:
22Hoe lang nog, dommen, blijft gij liever onnozel, Blijven de eigenwijzen verwaand, Willen de dwazen van geen wijsheid horen?
22Usquequo, parvuli, diligitis infantiam, et stulti ea quæ sibi sunt noxia cupient, et imprudentes odibunt scientiam?
23Keert u tot mijn vermaning; Dan stort ik mijn geest over u uit, En maak u mijn woorden bekend.
23convertimini ad correptionem meam. En proferam vobis spiritum meum, et ostendam vobis verba mea.
24Maar zo ge weigert, als ik roep, En niemand er op let, als ik mijn hand verhef;
24Quia vocavi, et renuistis; extendi manum meam, et non fuit qui aspiceret:
25Zo ge mijn raad geheel en al in de wind slaat, En van mijn vermaning niet wilt weten:
25despexistis omne consilium meum, et increpationes meas neglexistis.
26Zal ik lachen, wanneer het u slecht gaat, Zal ik spotten, wanneer uw verschrikking komt als een onweer;
26Ego quoque in interitu vestro ridebo, et subsannabo cum vobis id quod timebatis advenerit.
27Wanneer uw ongeluk nadert als een orkaan, Wanneer benauwdheid en angst u overvallen!
27Cum irruerit repentina calamitas, et interitus quasi tempestas ingruerit; quando venerit super vos tribulatio et angustia:
28Dan zal men mij roepen, maar zal ik niet antwoorden, Zal men mij zoeken, maar mij niet vinden!
28tunc invocabunt me, et non exaudiam; mane consurgent, et non invenient me:
29Omdat ze van wijsheid niets wilden weten, En het ontzag voor Jahweh niet hebben verkozen,
29eo quod exosam habuerint disciplinam, et timorem Domini non susceperint,
30Van mijn raad niets moesten hebben, En al mijn vermaan in de wind hebben geslagen:
30nec acquieverint consilio meo, et detraxerint universæ correptioni meæ.
31Zullen ze eten de vrucht van hun wandel, Verzadigd worden met wat ze beraamden.
31Comedent igitur fructus viæ suæ, suisque consiliis saturabuntur.
32Want de onnozelen komen door hun onverschilligheid om, De dwazen storten door hun lichtzinnigheid in het verderf;
32Aversio parvulorum interficiet eos, et prosperitas stultorum perdet illos.
33Maar die naar mij luistert, zal in veiligheid wonen, Bevrijd van de vrees voor de rampen!
33Qui autem me audierit, absque terrore requiescet, et abundantia perfruetur, timore malorum sublato.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.