Spreuken 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Als ge bij den koning aan tafel zit, Let dan enkel op wat voor u staat,
1[Quando sederis ut comedas cum principe, diligenter attende quæ apposita sunt ante faciem tuam.
2En zet een mes op uw keel Als ge een goede eetlust hebt;
2Et statue cultrum in gutture tuo: si tamen habes in potestate animam tuam.
3Wees niet belust op zijn lekkernijen, Want ze zijn een bedriegelijke spijs.
3Ne desideres de cibis ejus, in quo est panis mendacii.
4Doe geen moeite, om rijkdom te verwerven, Zie van uw voornemen af;
4Noli laborare ut diteris, sed prudentiæ tuæ pone modum.
5Zodra ge uw zinnen daarop zet, Is hij al heen! Want hij maakt zich vleugels, En vliegt als een arend de lucht in.
5Ne erigas oculos tuos ad opes quas non potes habere, quia facient sibi pennas quasi aquilæ, et volabunt in cælum.
6Ga niet eten bij een vrek, Wees niet belust op zijn lekkernijen;
6Ne comedas cum homine invido, et ne desideres cibos ejus:
7Want het is iemand, die bij zichzelf zit te rekenen, Die “Eet en drink” tot u zegt, maar het niet meent.
7quoniam in similitudinem arioli et conjectoris æstimat quod ignorat. Comede et bibe, dicet tibi; et mens ejus non est tecum.
8De spijs, die ge gegeten hebt, spuwt ge weer uit, En uw vriendelijke woorden hebt ge verspild.
8Cibos quos comederas evomes, et perdes pulchros sermones tuos.
9Spreek niet ten aanhoren van een dwaas; Hij geeft niets om uw wijze woorden.
9In auribus insipientium ne loquaris, qui despicient doctrinam eloquii tui.
10Verleg de grenzen van weduwen niet En raak niet aan de akker van wezen;
10Ne attingas parvulorum terminos, et agrum pupillorum ne introëas:
11Want hun Losser is sterk, Hij neemt het voor hen tegen u op.
11propinquus enim illorum fortis est, et ipse judicabit contra te causam illorum.]
12Neem een vermaning wel ter harte Open uw oren voor verstandige taal.
12[Ingrediatur ad doctrinam cor tuum, et aures tuæ ad verba scientiæ.
13Ge moet een knaap geen vermaning sparen, Al slaat ge hem met een stok, hij gaat er niet van dood;
13Noli subtrahere a puero disciplinam: si enim percusseris eum virga, non morietur.
14Want als ge hem met een stok hebt geslagen, Hebt ge hem van de onderwereld gered.
14Tu virga percuties eum, et animam ejus de inferno liberabis.
15Mijn kind, als úw hart wijs is, Zal ook mijn hart zich verheugen;
15Fili mi, si sapiens fuerit animus tuus, gaudebit tecum cor meum:
16Mijn ziel zal jubelen, Als uw lippen juiste dingen zeggen.
16et exsultabunt renes mei, cum locuta fuerint rectum labia tua.
17Laat uw hart niet jaloers zijn op zondaars, Maar ijveren voor de vrees voor Jahweh, iedere dag;
17Non æmuletur cor tuum peccatores, sed in timore Domini esto tota die:
18Als ge die bewaart, is er toekomst, En zal uw verwachting niet worden beschaamd.
18quia habebis spem in novissimo, et præstolatio tua non auferetur.
19Mijn zoon, luister en wees wijs, Breng uw hart op het rechte pad.
19Audi, fili mi, et esto sapiens, et dirige in via animum tuum.
20Doe niet mee met wijnslempers, Met hen, die zich aan vlees te buiten gaan;
20Noli esse in conviviis potatorum, nec in comessationibus eorum qui carnes ad vescendum conferunt:
21Want een drinker en een veelvraat verarmt, De roes hult iemand in lompen.
21quia vacantes potibus et dantes symbola consumentur, et vestietur pannis dormitatio.
22Luister naar uw vader, die u heeft verwekt, Minacht uw moeder niet, als ze oud is geworden.
22Audi patrem tuum, qui genuit te, et ne contemnas cum senuerit mater tua.
23Verwerf u waarheid, en verkoop ze niet, Wijsheid, tucht en inzicht.
23Veritatem eme, et noli vendere sapientiam, et doctrinam, et intelligentiam.
24Innig verheugt zich de vader van een rechtschapene, Wie een wijze baarde, beleeft genoegen aan hem:
24Exsultat gaudio pater justi; qui sapientem genuit, lætabitur in eo.
25Zo moge uw vader zich over u verheugen, Zij zich verblijden, die u ter wereld bracht.
25Gaudeat pater tuus et mater tua, et exsultet quæ genuit te.
26Mijn zoon, schenk mij uw hart, Laat uw ogen op mijn wegen letten;
26Præbe, fili mi, cor tuum mihi, et oculi tui vias meas custodiant.
27Want een deerne is een diepe kuil, Een vreemde vrouw een nauwe put.
27Fovea enim profunda est meretrix, et puteus angustus aliena.
28Ja, zij ligt op de loer als een rover, En maakt vele mensen ontrouw.
28Insidiatur in via quasi latro, et quos incautos viderit, interficiet.]
29Waar klinkt ach, en waar klinkt wee; Waar heerst twist, waar nijpen de zorgen? Waar worden zonder reden wonden geslagen, Waar worden de blikken beneveld?
29[Cui væ? cujus patri væ? cui rixæ? cui foveæ? cui sine causa vulnera? cui suffusio oculorum?
30Waar men nog laat aan de wijn zit, Waar men komt, om de drank te keuren.
30nonne his qui commorantur in vino, et student calicibus epotandis?
31Zie niet om naar de wijn, hoe rood hij is, Hoe hij fonkelt in het glas. Wel glijdt hij zachtjes naar binnen, Vloeiend langs lippen en tanden.
31Ne intuearis vinum quando flavescit, cum splenduerit in vitro color ejus: ingreditur blande,
32Maar ten leste bijt hij als een slang, Is hij giftig als een adder.
32sed in novissimo mordebit ut coluber, et sicut regulus venena diffundet.
33Uw ogen zien vreemde dingen, Uw hart slaat wartaal uit;
33Oculi tui videbunt extraneas, et cor tuum loquetur perversa.
34Ge voelt u als iemand, die dobbert op zee, Als een matroos bij zware storm:
34Et eris sicut dormiens in medio mari, et quasi sopitus gubernator, amisso clavo.
35“Ze hebben me geslagen, en ik voelde het niet, Ze hebben me gebeukt, en ik merkte het niet! Wanneer ben ik weer wakker? Dan ga ik er nog eens op uit!”
35Et dices: Verberaverunt me, sed non dolui; traxerunt me, et ego non sensi. Quando evigilabo, et rursus vina reperiam?]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.