Spreuken
Chapter 23
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Als ge bij den koning aan tafel zit, Let dan enkel op wat voor u staat,
1Když sedneš k jídlu se pánem, pilně šetř, co jest před tebou.
2En zet een mes op uw keel Als ge een goede eetlust hebt;
2Jinak vrazil bys nůž do hrdla svého, byl-li bys lakotný.
3Wees niet belust op zijn lekkernijen, Want ze zijn een bedriegelijke spijs.
3Nežádej lahůdek jeho, nebo jsou pokrm oklamavatelný.
4Doe geen moeite, om rijkdom te verwerven, Zie van uw voornemen af;
4Neusiluj, abys zbohatl; od opatrnosti své přestaň.
5Zodra ge uw zinnen daarop zet, Is hij al heen! Want hij maakt zich vleugels, En vliegt als een arend de lucht in.
5K bohatství-liž bys obrátil oči své? Poněvadž v náhle mizí; nebo sobě zdělalo křídla podobná orličím, a zaletuje k nebi.
6Ga niet eten bij een vrek, Wees niet belust op zijn lekkernijen;
6Nejez chleba člověka závistivého, a nežádej lahůdek jeho.
7Want het is iemand, die bij zichzelf zit te rekenen, Die “Eet en drink” tot u zegt, maar het niet meent.
7Nebo jak on sobě tebe váží v mysli své, tak ty pokrmu toho. Díť: Jez a pí, ale srdce jeho není s tebou.
8De spijs, die ge gegeten hebt, spuwt ge weer uit, En uw vriendelijke woorden hebt ge verspild.
8Skyvu svou, kterouž jsi snědl, vyvrátíš, a zmaříš slova svá utěšená.
9Spreek niet ten aanhoren van een dwaas; Hij geeft niets om uw wijze woorden.
9Před bláznem nemluv, nebo pohrdne opatrností řečí tvých.
10Verleg de grenzen van weduwen niet En raak niet aan de akker van wezen;
10Nepřenášej mezníku starodávního, a na pole sirotků nevcházej.
11Want hun Losser is sterk, Hij neemt het voor hen tegen u op.
11Silnýť jest zajisté ochránce jejich; onť povede při jejich proti tobě.
12Neem een vermaning wel ter harte Open uw oren voor verstandige taal.
12Zaveď k učení mysl svou, a uši své k řečem umění.
13Ge moet een knaap geen vermaning sparen, Al slaat ge hem met een stok, hij gaat er niet van dood;
13Neodjímej od mladého kázně; nebo umrskáš-li jej metlou, neumřeť.
14Want als ge hem met een stok hebt geslagen, Hebt ge hem van de onderwereld gered.
14Ty metlou jej mrskávej, a tak duši jeho z pekla vytrhneš.
15Mijn kind, als úw hart wijs is, Zal ook mijn hart zich verheugen;
15Synu můj, bude-li moudré srdce tvé, veseliti se bude srdce mé všelijak ve mně;
16Mijn ziel zal jubelen, Als uw lippen juiste dingen zeggen.
16A plésati budou ledví má, když mluviti budou rtové tvoji pravé věci.
17Laat uw hart niet jaloers zijn op zondaars, Maar ijveren voor de vrees voor Jahweh, iedere dag;
17Nechť nezávidí srdce tvé hříšníku, ale raději choď v bázni Hospodinově celý den.
18Als ge die bewaart, is er toekomst, En zal uw verwachting niet worden beschaamd.
18Nebo poněvadž jest odplata, naděje tvá nebude podťata.
19Mijn zoon, luister en wees wijs, Breng uw hart op het rechte pad.
19Slyš ty, synu můj, a buď moudrý, a naprav na cestu srdce své.
20Doe niet mee met wijnslempers, Met hen, die zich aan vlees te buiten gaan;
20Nebývej mezi pijány vína, ani mezi žráči masa.
21Want een drinker en een veelvraat verarmt, De roes hult iemand in lompen.
21Nebo opilec a žráč zchudne, a ospánlivost v hadry obláčí.
22Luister naar uw vader, die u heeft verwekt, Minacht uw moeder niet, als ze oud is geworden.
22Poslouchej otce svého, kterýž tě zplodil, aniž pohrdej matkou svou, když se zstará.
23Verwerf u waarheid, en verkoop ze niet, Wijsheid, tucht en inzicht.
23Pravdy nabuď, a neprodávej jí, též moudrosti, umění a rozumnosti.
24Innig verheugt zich de vader van een rechtschapene, Wie een wijze baarde, beleeft genoegen aan hem:
24Náramně bývá potěšen otec spravedlivého, a ten, kdož zplodil moudrého, veselí se z něho.
25Zo moge uw vader zich over u verheugen, Zij zich verblijden, die u ter wereld bracht.
25Nechať se tedy veselí otec tvůj a matka tvá, a ať pléše rodička tvá.
26Mijn zoon, schenk mij uw hart, Laat uw ogen op mijn wegen letten;
26Dej mi, synu můj, srdce své, a oči tvé cest mých ať ostříhají.
27Want een deerne is een diepe kuil, Een vreemde vrouw een nauwe put.
27Nebo nevěstka jest jáma hluboká, a studnice těsná žena cizí.
28Ja, zij ligt op de loer als een rover, En maakt vele mensen ontrouw.
28Onať také jako loupežník úklady činí, a zoufalce na světě rozmnožuje.
29Waar klinkt ach, en waar klinkt wee; Waar heerst twist, waar nijpen de zorgen? Waar worden zonder reden wonden geslagen, Waar worden de blikken beneveld?
29Komu běda? komu ouvech? komu svady? komu křik? komu rány darmo? komu červenost očí?
30Waar men nog laat aan de wijn zit, Waar men komt, om de drank te keuren.
30Těm, kteříž se zdržují na víně; těm, kteříž chodí, aby vyhledali strojené víno.
31Zie niet om naar de wijn, hoe rood hij is, Hoe hij fonkelt in het glas. Wel glijdt hij zachtjes naar binnen, Vloeiend langs lippen en tanden.
31Nehleď na víno rdící se, že vydává v koflíku záři svou, a přímo vyskakuje.
32Maar ten leste bijt hij als een slang, Is hij giftig als een adder.
32Naposledy jako had uštípne, a jako štír ušťkne.
33Uw ogen zien vreemde dingen, Uw hart slaat wartaal uit;
33Oči tvé hleděti budou na cizí, a srdce tvé mluviti bude převrácené věci,
34Ge voelt u als iemand, die dobbert op zee, Als een matroos bij zware storm:
34A budeš jako ten, kterýž spí u prostřed moře, a jako ten, kterýž spí na vrchu sloupu bárky.
35“Ze hebben me geslagen, en ik voelde het niet, Ze hebben me gebeukt, en ik merkte het niet! Wanneer ben ik weer wakker? Dan ga ik er nog eens op uit!”
35Díš: Zbili mne, a nestonal jsem, tloukli mne, a nečil jsem; když procítím, dám se zase v to.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.