1 Kronieken
Chapter 1
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Adam Set, Enos,
1Adam, Set, Enos,
2Kaïnan, Malaleël, Járed,
2Kainan, Mahalaleel, Járed,
3Henok, Matoesala, Lámek,
3Enoch, Matuzalém, Lámech,
4Noë. Sem, Cham en Jáfet.
4Noé, Sem, Cham a Jáfet.
5De zonen van Jáfet waren: Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
5Synové Jáfetovi: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mešech a Tiras.
6De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
6Synové pak Gomerovi: Ascenez, Difat a Togorma.
7De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Dodanieten.
7Synové pak Javanovi: Elisa, Tarsis, Cetim a Rodanim.
8De zonen van Cham waren: Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
8Synové Chamovi: Chus, Mizraim, Put a Kanán.
9De zonen van Koesj waren: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama: Sjeba en Dedan.
9A synové Chusovi: Sába, Evila, Sabata, Regma, Sabatacha. Synové pak Regmovi: Sába a Dedan.
10Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde.
10Zplodil také Chus Nimroda; ten počal mocným býti na zemi.
11Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftoechieten,
11Mizraim pak zplodil Ludim, Anamim, Laabim a Neftuim,
12de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
12Fetruzim také a Chasluim, (odkudž pošli Filistinští), a Kafturim.
13Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
13Kanán pak zplodil Sidona, prvorozeného svého, a Het,
14verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
14A Jebuzea, Amorea a Gergezea,
15de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
15A Hevea, Aracea a Sinea,
16de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten.
16A Aradia, Samarea a Amatea.
17De zonen van Sem waren: Elam, Assjoer, Arpaksad, de Lydiërs, Aram, Oes, Choel, Géter en Mésjek.
17Synové Semovi: Elam, Assur, Arfaxad, Lud, Aram, Hus a Hul, Geter a Mas.
18Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Éber.
18A Arfaxad zplodil Sále, Sále pak zplodil Hebera.
19Éber had twee zonen: de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de wereld verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
19Heberovi pak narodili se dva synové, z nichž jednoho jméno Peleg, proto že za dnů jeho rozdělena byla země, jméno pak bratra jeho Jektan.
20Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
20Kterýžto Jektan zplodil Elmodada, Salefa, Azarmota a Járe,
21Hadoram, Oezal en Dikla,
21A Adoráma, Uzala a Dikla,
22Ebal, Abimaël, Sjeba,
22A Ebale, Abimahele a Sebai,
23Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
23A Ofira, Evila a Jobaba. Všickni ti byli synové Jektanovi.
24Sem, Arpaksad, Sála,
24Sem, Arfaxad, Sále,
25Éber en Páleg; Ragaoe,
25Heber, Peleg, Réhu,
26Seroeg, Nachor, Tara
26Sárug, Náchor, Táre,
27en Abram; dat is dezelfde als Abraham.
27Abram, ten jest Abraham.
28De zonen van Abraham waren Isaäk en Jisjmaël.
28Synové Abrahamovi: Izák a Izmael.
29Hier volgt de lijst van hun afstammelingen. De eerstgeborene van Jisjmaël was Nebajot; verder Kedar, Adbeël en Mibsam,
29Tito jsou rodové jejich: Prvorozený Izmaelův Nabajot, Cedar, Adbeel a Mabsan,
30Misjma, Doema en Massa, Chadad, Tema,
30Masma, Dumah, Massa, Hadad a Tema,
31Jetoer, Nafisj en Kédma. Dit zijn de zonen van Jisjmaël.
31Jetur, Nafis a Cedma. Ti jsou synové Izmaelovi.
32Ketoera, de bijvrouw van Abraham, kreeg de volgende kinderen: Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jisjbak en Sjóeach. Joksjan verwekte Sjeba en Dedan.
32Synové pak Cetury, ženiny Abrahamovy: Ta porodila Zamrana, Jeksana, Madana, Madiana, Jezbocha a Suecha. Synové pak Jeksanovi: Sába a Dedan.
33De zonen van Midjan waren: Efa, Éfer, Chanok, Abida en Eldaä. Dat waren allen nakomelingen van Ketoera.
33Synové pak Madianovi: Efa, Efer, Enoch, Abida a Helda. Všickni ti synové Cetury.
34Abraham was de vader van Isaäk. De zonen van Isaäk waren Esau en Israël.
34Zplodil tedy Abraham Izáka. Synové pak Izákovi: Ezau a Izrael.
35De zonen van Esau waren: Elifáz, Reoeël, Jeoesj, Jalam en Kórach.
35Synové Ezau: Elifaz, Rahuel, Jehus, Jhelom a Kore.
36De zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek.
36Synové Elifazovi: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz a syn Tamny, totiž Amalech.
37De zonen van Reoeël waren: Náchat en Zérach, Sjamma en Mizza.
37Synové Rahuelovi: Nahat, Zára, Samma a Méza.
38De zonen van Seïr waren: Lotan. Sjobal, Sibon en Ana; verder Disjon, Éser en Disjan.
38Synové pak Seir: Lotan, Sobal, Sebeon, Ana, Dison, Eser a Dízan.
39De zonen van Lotan waren Chori en Homam; de zuster van Lotan was Timna.
39Synové pak Lotanovi: Hori a Homam. Sestra pak Lotanova: Tamna.
40De zonen van Sjobal waren: Aljan, Manáchat, Ebal, Sjefi en Onam. De zonen van Sibon waren Ajja en Ana.
40Synové Sobalovi: Alian, Manáhat, Ebal, Sefi a Onam. Synové pak Sebeonovi: Aia a Ana.
41De zoon van Ana was Disjon. De zonen van Disjon waren: Chamran, Esjban, Jitran en Keran.
41Synové Anovi: Dison. A synové Disonovi: Hamran, Eseban, Jetran a Charan.
42De zonen van Éser waren: Bilhan, Zaäwan en Akan. De zonen van Disjan waren Oes en Aran.
42Synové Eser: Balaan, Závan a Jakan. Synové Dízonovi: Hus a Aran.
43En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen Israëls. Béla, de zoon van Beor; zijn hofstad heette Dinhaba.
43Tito pak jsou králové, kteříž kralovali v zemi Idumejské, prvé než kraloval který král z synů Izraelských: Béla syn Beorův, jehožto město jméno mělo Denaba.
44Na de dood van Béla regeerde Jobab, de zoon van Zérach uit Bosra in zijn plaats.
44A když umřel Béla, kraloval na místě jeho Jobab, syn Záre z Bozra.
45Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
45A když umřel Jobab, kraloval místo něho Husam z země Temanské.
46Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad, in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
46A když umřel Husam, kraloval místo něho Adad syn Badadův, kterýž porazil Madianské v krajině Moábské; jehož město jméno mělo Avith.
47Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
47A když umřel Adad, kraloval na místě jeho Semla z Masreka.
48Na de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
48A když umřel Semla, kraloval místo něho Saul z Rohobot řeky.
49Na de dood van Sjaoel regeerde Báal-Chanan, de zoon van Akbor, in zijn plaats.
49A když umřel Saul, kraloval místo něho Bálanan, syn Achoborův.
50Na de dood van Báal-Chanan regeerde Hadad in zijn plaats; zijn hofstad heette Paï; zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
50A když umřel Bálanan, kraloval místo něho Adad, jehož město řečené Pahu; jméno pak ženy jeho Mehetabel, dcera Matredy, dcery Mezábovy.
51Na de dood van Hadad waren er de volgende stamhoofden in Edom: die van Timna, Alja en Jetet,
51A když umřel Adad, byli vývodové Idumejští: Vývoda Tamna, vývoda Alja, vývoda Jetet,
52Oholibama, Ela en Pinon,
52Vývoda Olibama, vývoda Ela, vývoda Finon,
53Kenaz, Teman en Mibsar,
53Vývoda Kenaz, vývoda Teman, vývoda Mabsar,
54Magdiël en Iram. Dit waren dus de stamhoofden van Edom.
54Vývoda Magdiel, vývoda Híram. Ti byli vývodové Idumejští.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.