1 Kronieken
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toen kwam heel Israël tot David in Hebron en zeide: Zie, wij zijn uw vlees en bloed!
1Nebo shromáždivše se všickni Izraelští k Davidovi do Hebronu, řekli: Aj, my kost tvá a tělo tvé jsme.
2Reeds vroeger, toen Saul nog koning was, waart gij het, die Israël te velde deedt trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh, uw God, gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van mijn volk Israël zijn!”
2Ano předešlých časů, když byl Saul králem, ty jsi vyvodil i přivodil Izraele, a nadto řekl Hospodin Bůh tvůj tobě: Ty pásti budeš lid můj Izraelský, a ty budeš vývoda nad lidem mým Izraelským.
3Toen alle oudsten van Israël dus bij den koning in Hebron gekomen waren, sloot David met hen in Hebron een verbond voor het aanschijn van Jahweh, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd, juist zoals Jahweh door Samuël had voorspeld.
3Přišli také všickni starší Izraelští k králi do Hebronu, a učinil s nimi David smlouvu v Hebronu před Hospodinem. I pomazali Davida za krále nad Izraelem, podlé slova Hospodinova skrze Samuele.
4Nu trok David met heel Israël naar Jerusalem op, dat wil zeggen: Jeboes, waar de Jeboesieten woonden, de inheemse bevolking.
4Táhl pak David a všecken lid Izraelský k Jeruzalému, (jenž bylo Jebus, nebo tam byli Jebuzejští obyvatelé té země).
5De bewoners van Jeboes riepen tot David: Hier komt ge niet binnen! Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad.
5I mluvili obyvatelé Jebus Davidovi: Nevejdeš sem. Ale David vzal hrad Sion, to jest město Davidovo.
6Bij die gelegenheid sprak David: Wie het eerst een Jeboesiet neerslaat, wordt opperste bevelhebber. En Joab was het, de zoon van Seroeja, die het eerst naar boven kroop, en bevelhebber werd.
6Nebo byl řekl David: Kdož by koli nejprvé porazil Jebuzea, bude předním a knížetem. Protož vstoupil nejprvé Joáb syn Sarvie, a učiněn předním.
7Daarna vestigde David zich in de vesting, die hij Davidstad noemde,
7Potom bydlil David na tom hradě, pročež nazvali jej městem Davidovým.
8en hij bouwde de stad in heel haar omvang van het Millo af tot aan het paleis. De rest van de stad werd door Joab gerestaureerd.
8I vystavěl město vůkol a vůkol, od Mello až do okolku, Joáb pak opravil ostatek města.
9Zo werd David hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh der heirscharen met hem was.
9A tak David čím dále tím více prospíval a rostl; nebo Hospodin zástupů byl s ním.
10Hier volgen de aanvoerders van Davids helden, die zich verdienstelijk maakten voor zijn heerschappij over heel Israël, en hem hielpen koning te worden van Israël, naar het woord van Jahweh.
10Tito pak jsou přední z udatných, kteréž měl David, ježto se zmužile přičinili s ním o království jeho se vším Izraelem, aby ho za krále vyzdvihli podlé slova Hospodinova nad Izraelem.
11Hier volgt dus een op somming van Davids helden. Jasjobam, de zoon van Chakmoni, was de aanvoerder der Drie. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij in één keer versloeg.
11Tento jest počet silných, kteréž měl David: Jasobam syn Chachmonův, přední z vůdců. Ten pozdvihl kopí svého proti třem stům, a zbil je pojednou.
12Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden.
12Po něm též Eleazar syn Dodi Achochitského. On byl jeden z těch tří udatných.
13Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. Na hem kwam Sjamma, de zoon van Age uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, geheel met gerst beplant, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen;
13Ten byl s Davidem v Pasdammim, když se Filistinští sebrali k boji. A byl tu díl rolí poseté ječmenem, a lid byl utekl před Filistinskými.
14maar hij ging midden op het veld staan en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh hun een grote overwinning.
14I zastavili se u prostřed toho dílu, a obdrželi jej, porazivše Filistinské. A vysvobodil Hospodin lid vysvobozením velikým.
15Een andere keer daalden drie van de dertig aanvoerders af, en kwamen bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
15Ti také tři ze třidcíti předních sstoupili k skále k Davidovi do jeskyně Adulam, když vojsko Filistinských leželo v údolí Refaim.
16David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
16(Nebo David tehdáž bydlil v pevnosti své, a osazený lid Filistinských byl tehdáž u Betléma.)
17Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
17Pohnul se pak David žádostí, a řekl: Ó by mi někdo dal píti vody z čisterny Betlémské, kteráž jest u brány.
18drongen de Drie door de legermacht der Filistijnen heen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar David wilde er niet van drinken, en goot het uit ter ere van Jahweh, terwijl hij uitriep:
18A protož probivše se ti tři skrze vojsko Filistinských, navážili vody z čisterny Betlémské, kteráž jest u brány, a nabravše, přinesli k Davidovi. David pak nechtěl jí píti, ale vylil ji v obět Hospodinu,
19Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Ik zou het bloed en het leven van die drie mensen drinken; want ze hebben hun leven gewaagd, om het mij te kunnen brengen! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
19A řekl: Nedejž mi toho, Bože můj, abych to učiniti měl. Zdali krev mužů těch píti budu, kteříž se opovážili života svého? Nebo s opovážením života svého přinesli ji. I nechtěl jí píti. To učinili ti tři silní.
20Absjai, de broeder van Joab, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde. Hij was bekend bij de Drie,
20Potom Abizai bratr Joábův byl přední mezi třmi, a ten také pozdvihl kopí svého proti třem stům, i pobil je, a byl z těch tří nejslovoutnější.
21en om twee feiten was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
21Z těch tří nad druhé dva jsa nejvzácnější, byl knížetem jejich, a však oněm prvním nebyl rovný.
22Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een uitstekende staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
22Banaiáš také syn Joiadův, syn muže udatného, velikých činů, z Kabsael, ten zabil dva reky Moábské. Tentýž sstoupiv, zabil lva v jámě, když byl sníh.
23Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, vijf el lang, die met een lans als een weversboom was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist, en stak hem met zijn eigen lans dood.
23Ten také zabil muže Egyptského zvýší pěti loket. A ačkoli měl Egyptský ten v ruce kopí, jako vratidlo tkadlcovské, však šel k němu s holí, a vytrh kopí z ruky Egyptského, zabil jej kopím jeho.
24Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada! Daardoor was hij bekend bij de Drie.
24To učinil Banaiáš syn Joiadův, kterýž také slovoutný byl mezi těmi třmi silnými.
25Maar ofschoon hij beroemder was dan de Dertig, tegen de Drie kon hij niet op! Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
25A ač byl mezi třidcíti slavný, však oněm třem se nevrovnal. I ustanovil ho David nad drabanty svými.
26Tenslotte de helden: Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
26Udatní rytíři také i tito: Azael bratr Joábův, Elchanan syn Dodův Betlémský,
27Sjammot uit Harar; Chéles uit Bet-Pélet;
27Sammot Charodský, Chelez Pelonský,
28Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; Abiézer uit Anatot;
28Híra syn Ikeš Tekoitský, Abiezer Anatotský,
29Sibbekai uit Choesja; Ilai uit Achoch;
29Sibbechai Chusatský, Ilai Achochský,
30Maharai uit Netófa; Chéled, de zoon van Baäna uit Netófa;
30Maharai Netofatský, Cheleb syn Baany Netofatský,
31Itai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten; Benaja uit Piraton;
31Ittai syn Ribai z Gabaa synů Beniaminových, Banaiáš Faratonský,
32Choerai uit Nachale-Gáasj; Abiël uit Araba;
32Churai od potoku Gás, Abiel Arbatský,
33Azmáwet uit Bachoerim; Eljachba uit Sjaälbon;
33Azmavet Bacharomský, Eliachba Salbonský,
34Hasjem uit Gizo: Jonatan, de zoon van Sjage uit Harar;
34Synové Chasem Gizonského, Jonatan syn Sage Hararského,
35Achiam, de zoon van Sakar uit Harar; Elifal, de zoon van Oer;
35Achiam syn Sacharův Hararský, Elifal syn Urův,
36Chéfer uit Mekera; Achi-ja uit Gilo;
36Hefer Mecheratský, Achiáš Pelonský,
37Chesro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai;
37Chezro Karmelský, Narai syn Ezbai,
38Joël, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri;
38Joel bratr Nátanův, Mibchar syn Geri,
39Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Berota, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
39Zelek Ammonský, Nacharai Berotský, oděnec Joába syna Sarvie,
40Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
40Híra Itrejský, Gareb Itrejský,
41Oeri-ja de Chittiet; Zabad, de zoon van Achlai;
41Uriáš Hetejský, Zabad syn Achlai,
42Adina, de zoon van Sjiza van de stam Ruben, de aanvoerder der Rubenieten, met dertig man;
42Adina syn Sizův Rubenský, kníže nad Rubenskými, a s ním jiných třidceti,
43Chanan, de zoon van Maäka; Josjafat uit Mitna;
43Chanan syn Maachův, a Jozafat Mitnejský,
44Oezzi-ja uit Asjtarot; Sjama en Jeïël, zonen van Chotam uit Aroër;
44Uziáš Asteratský, Sama a Johiel, synové Chotama Aroerského,
45Jediaël, de zoon van Sjimri; Jocha, zijn broer uit Tisi;
45Jediael, syn Simri, a Jocha bratr jeho Tizejský,
46Eliël uit Machawa; Jeribai en Josjawja, zonen van Elnáam; Jitma de Moabiet;
46Eliel Machavimský, a Jeribai a Josaviáš synové Elnámovi, a Itma Moábský,
47Eliël, Obed en Jaäsiël, uit Soba.
47Eliel, a Obéd, a Jaasiel z Mezobaia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.