1 Kronieken
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen kwam heel Israël tot David in Hebron en zeide: Zie, wij zijn uw vlees en bloed!
1І зібрались усї Ізрайлитяне до Давида в Гебронї й промовили: Оце ми кість твоя й тїло твоє;
2Reeds vroeger, toen Saul nog koning was, waart gij het, die Israël te velde deedt trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh, uw God, gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van mijn volk Israël zijn!”
2І вчора й позавчора, коли ще Саул був царем, ти виводив Ізраїля в поле й приводив до дому, й Господь Бог сказав тобі: Ти будеш пасти народ мій Ізраїля, й будеш князем над народом моїм Ізраїлем.
3Toen alle oudsten van Israël dus bij den koning in Hebron gekomen waren, sloot David met hen in Hebron een verbond voor het aanschijn van Jahweh, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd, juist zoals Jahweh door Samuël had voorspeld.
3І прийшли всї старшини Ізрайлеві до царя в Геброн, і постановив з ними Давид умову в Гебронї перед лицем Господнїм, і помазали вони Давида царем над Ізраїлем, по Господньому слову (переказаному) через Самуїла.
4Nu trok David met heel Israël naar Jerusalem op, dat wil zeggen: Jeboes, waar de Jeboesieten woonden, de inheemse bevolking.
4І пійшов Давид і ввесь Ізраїль у Ерусалим, се б то в Евус, бо там були Евусії осадниками тої сторони.
5De bewoners van Jeboes riepen tot David: Hier komt ge niet binnen! Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad.
5І сказали осадники Евуса Давидові: Не доступиш ти сюди! Але Давид узяв таки твердиню Сион: — се місто Давидове.
6Bij die gelegenheid sprak David: Wie het eerst een Jeboesiet neerslaat, wordt opperste bevelhebber. En Joab was het, de zoon van Seroeja, die het eerst naar boven kroop, en bevelhebber werd.
6І сказав Давид: Хто поперед усїх розібє Евусіїв, той буде головою й гетьманом. І ввійшов поперед усїх Йоаб, син Саруїн, і став головою.
7Daarna vestigde David zich in de vesting, die hij Davidstad noemde,
7Давид жив у тій твердинї, тим то й назвали її Давидовим містом.
8en hij bouwde de stad in heel haar omvang van het Millo af tot aan het paleis. De rest van de stad werd door Joab gerestaureerd.
8І забудував він місто навкруги, починаючи від долини Милло, й всї примежні місця, а Йоаб поновив остальне місто.
9Zo werd David hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh der heirscharen met hem was.
9І вбивавсь Давид в силу все більше та більше, й Господь Саваот був із ним.
10Hier volgen de aanvoerders van Davids helden, die zich verdienstelijk maakten voor zijn heerschappij over heel Israël, en hem hielpen koning te worden van Israël, naar het woord van Jahweh.
10Оце головні силачі в Давида, що сильно встоювали за ним в його царстві, вкупі з усїм Ізраїлем, щоб поставити його царем, по слову Господньому, над Ізраїлем;
11Hier volgt dus een op somming van Davids helden. Jasjobam, de zoon van Chakmoni, was de aanvoerder der Drie. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij in één keer versloeg.
11І отсе лїк лицарів, що були в Давида: Езваал, Ахаманин син, головний між трийцятьма; він підняв свій спис на триста чоловіка й повбивав їх в одну міть.
12Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden.
12По йому Елеазар, син Дода Ахового, з трьох лицарів;
13Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. Na hem kwam Sjamma, de zoon van Age uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, geheel met gerst beplant, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen;
13Він був із Давидом в Фасдамимі, куди Филистії зібрались були на війну. Там частка поля була засїяна ячменем, а народ втїкав від Филистіїв;
14maar hij ging midden op het veld staan en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh hun een grote overwinning.
14Але вони стали серед поля, стерегти його й розбили Филистіїв. І дав Господь велику побіду.
15Een andere keer daalden drie van de dertig aanvoerders af, en kwamen bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
15Троє цїх силачів із трийцятьох передових прийшли на скелю ʼд Давидові до печери Одоламської, як Филистійський табір розложився був в долинї Рафаїмів.
16David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
16Давид був тодї в утвердженому місцї, а Филистійська залога стояла в Бетлеємі.
17Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
17І схотїлось Давидові дуже пити, й каже він: Хто дав би менї пити води з Бетлеємської криницї, що коло воріт?
18drongen de Drie door de legermacht der Filistijnen heen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar David wilde er niet van drinken, en goot het uit ter ere van Jahweh, terwijl hij uitriep:
18Тодї цї троє прорвались кріз Филистійський стан і черпнули води з Бетлеємської криницї, що коло воріт, і взяли й принесли Давидові. Але Давид не схотїв її пити й вилив її в жертву на славу Господеві;
19Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Ik zou het bloed en het leven van die drie mensen drinken; want ze hebben hun leven gewaagd, om het mij te kunnen brengen! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
19І сказав: Борони мене, Боже, щоб я це зробив! Чи стану ж я пити кров цїх сьмільчаків, що важили життєм своїм. Бо з небезпечністю власного життя вони це принесли. Та й не схотїв її пити. От що вчинили отті три невміраки!
20Absjai, de broeder van Joab, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde. Hij was bekend bij de Drie,
20І Абесса, брат Йоабів, був найвизначнїйший між трьома. Він убив своїм списом триста чоловіка, й був славним між тими трьома.
21en om twee feiten was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
21Між сими трьома був він знатнїйший і був їх отаманом; але тим трьом не був рівня.
22Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een uitstekende staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
22Банея, син Йодая, чоловіка сьмілового, великий дїлами, з Казеїла: він побив двох синів Ариїла, з Моабу; раз, як упав снїг, убив він лева, зійшовши в яму;
23Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, vijf el lang, die met een lans als een weversboom was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist, en stak hem met zijn eigen lans dood.
23Він же вбив Египтїя, чоловіка на пять локот ростом; в Египтїя був у руцї спис, як навій ткацький, а він приступив до його з палицею, й, вирвавши спис з руки в Египтїя, вбив його таки його списом.
24Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada! Daardoor was hij bekend bij de Drie.
24От що чинив Банея Йодаєнко; й був він славний між тими трьома невміраками.
25Maar ofschoon hij beroemder was dan de Dertig, tegen de Drie kon hij niet op! Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
25Між трийцятьма був він у почестї, але тим трьом не був рівня; його поставив Давид найблизшим виконувателем своїх приказів.
26Tenslotte de helden: Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
26А значнїйші зміж воїнів: Асаїл, брат Йоабів, Елханан Доденко з Бетлеєму;
27Sjammot uit Harar; Chéles uit Bet-Pélet;
27Самма з Хороду; Херец із Палту;
28Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; Abiézer uit Anatot;
28Іра Ікешенко з Текої; Ебіезер із Анатоа;
29Sibbekai uit Choesja; Ilai uit Achoch;
29Сивхай з Хушату; Ілай із Ахоху;
30Maharai uit Netófa; Chéled, de zoon van Baäna uit Netófa;
30Магарай з Нетофу; Хелед Бааненко з Нетофу;
31Itai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten; Benaja uit Piraton;
31Іттай Рибаєнко з Гиви Беняминової; Банея з Пирату:
32Choerai uit Nachale-Gáasj; Abiël uit Araba;
32Хурай з Нагале-Гаашу; Абієл з Арби;
33Azmáwet uit Bachoerim; Eljachba uit Sjaälbon;
33Азмавет із Бархуму; Еліахба з Саалбону;
34Hasjem uit Gizo: Jonatan, de zoon van Sjage uit Harar;
34Сини Гашема з Гизонита: Йонатан, син Шаге, Гарарій;
35Achiam, de zoon van Sakar uit Harar; Elifal, de zoon van Oer;
35Ахіям Сараренко з Гарару: Елифал, Урин син;
36Chéfer uit Mekera; Achi-ja uit Gilo;
36Хефер з Махери; Ахія з Пелону;
37Chesro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai;
37Гезро, Кармелїй; Наарай-Езбієнко;
38Joël, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri;
38Йоїл, Натанів брат; Мивхар, син Гагріїв;
39Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Berota, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
39Зелек Аммонїй; Нахарай з Бероту, зброєноша Йоабів Саруєнків;
40Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
40Іра з Ітрі; Гареб із Ітрі;
41Oeri-ja de Chittiet; Zabad, de zoon van Achlai;
41Урія Гетїй; Завад, син Алхаїв;
42Adina, de zoon van Sjiza van de stam Ruben, de aanvoerder der Rubenieten, met dertig man;
42Адина, син Шизин, Рубенїй, голова в Рубенїїв; і під ним було трийцять;
43Chanan, de zoon van Maäka; Josjafat uit Mitna;
43Ханаан, син Маахин, Иосафат Митнинїй;
44Oezzi-ja uit Asjtarot; Sjama en Jeïël, zonen van Chotam uit Aroër;
44Уззія з Астероту; Шама та Еієл, сини Хотама з Ароеру;
45Jediaël, de zoon van Sjimri; Jocha, zijn broer uit Tisi;
45Едіаєл, Шимріїв син, та Йоха, його брат, із Тизії;
46Eliël uit Machawa; Jeribai en Josjawja, zonen van Elnáam; Jitma de Moabiet;
46Елїєл з Махавима, і Ерибай та Йошабія, сини Елнаамові, та Ітма Моабій;
47Eliël, Obed en Jaäsiël, uit Soba.
47Елїєл, Обед та Ясієл з Мозабії.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.