1 Kronieken 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Zodra David zijn paleis had betrokken, sprak hij tot Natan, den profeet: Zie eens; zelf woon ik in een paleis, en de verbondsark van Jahweh staat onder tentdoek!
1Коли Давид жив в своєму домі, то раз якось сказав Давид до Натана пророка: Оце я живу в кедровому домі, а скриня Господнього завіту під наметом.
2Natan zeide tot David: Breng alles ten uitvoer, wat gij van plan zijt; want God is met u.
2І сказав Натан до Давида: Все, що в тебе на серцї, роби, бо при тобі Бог.
3Maar in dezelfde nacht werd het woord van God tot Natan gericht:
3Але тієї ж таки ночі було слово Боже до Натана:
4Ga aan mijn dienaar David zeggen: Zo spreekt Jahweh! Gij zult Mij geen huis bouwen, waarin Ik kan wonen!
4Пійди й скажи мойму слузї Давидові: Так говорить Господь: Не ти збудуєш менї дім на пробуток,
5Ik heb toch nimmer in een huis gewoond van de dag af, dat Ik Israël uit Egypte voerde, tot de dag van heden, maar Ik ben rondgetrokken in een tent en tabernakel.
5Бо я не жив в домі від того дня, як вивів синів Ізрайлевих, і до цього дня, а де була скриня, там був і пробуток мій.
6En heb Ik ooit, zolang Ik met alle Israëlieten rondtrok, tot een van de rechters, die Ik tot leiders aanstelde van Israël, mijn volk, gezegd: Waarom bouwt ge Mij geen huis van cederhout?
6Куди нї ходив я з усїм Ізраїлем, чи сказав же я хоч слово котрому небудь із суддїв Ізрайлевих, що їм приказував пасти мій народ: Чом ви не збудуєте менї кедрового дому?
7Daarom moet ge mijn dienaar David zeggen: Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Ik heb u uit de weide gehaald, achter de schapen vandaan, en u gemaakt tot leider van Israël, mijn volk;
7От і тепер скажи слузї мойму Давидові: Так говорить Господь Саваот: Я взяв тебе від отари овець, щоб ти був князем народу мого Ізраїля;
8en Ik was met u op al uw tochten, en heb al uw vijanden voor u verdelgd. Welnu, Ik zal u een naam schenken, zo groot, als slechts de grootsten der aarde bezitten.
8І бував з тобою скрізь, куди ти їх водив, і вигубляв усїх ворогів твоїх перед лицем твоїм, і вчинив твоє імення, як імення великих на землї;
9Ik zal een plek vaststellen voor Israël, mijn volk, waar het wortel kan schieten en waar het kan wonen, zonder ooit meer te worden opgeschrikt of door booswichten te worden verdrukt, zoals in vroegere tijden,
9І приладив я місце про народ мій — Ізраїля, й насаджу його, й буде він спокійно жити на свойму місцї, й не будуть його трівожити, й безбожники не будуть більше тїснити його, як передше,
10en sinds de dag, dat Ik rechters heb aangesteld over Israël, mijn volk. Ik zal al uw vijanden aan u onderwerpen. Ook kondig Ik u aan, dat Jahweh u een huis zal bouwen.
10За тих часів, коли я настановив суддїв над народом моїм Ізраїлем; і я впокорю всїх ворогів твоїх; і сповіщаю тебе, що Господь збудує дім тобі.
11Wanneer uw dagen ten einde zijn, en gij bij uw vaderen te ruste zult gaan, dan zal Ik een van uw zonen tot uw nazaat verheffen, en zijn koningschap bestendig doen zijn.
11А як сповниться твій час, і ти одійдеш до батьків твоїх, тодї я поставлю насїннє твоє після тебе, що буде з синів твоїх, і зміцню його на царстві.
12Hij zal Mij een tempel bouwen, en Ik zal zijn troon voor altijd bestendigen.
12Він збудує дом менї, а я утверджу престол його на віки.
13Ik zal voor hem een vader zijn, en hij Mij een zoon. Nooit zal ik hem mijn gunst onthouden, zoals Ik dat gedaan heb met uw voorganger.
13Я буду йому отцем, а він буде менї сином, — і милостї моєї не відойму від його, як одняв від того, що був навперід тебе.
14Voor eeuwig zal Ik hem aanstellen over mijn tempel en over mijn koninkrijk, en zijn troon zal vaststaan voor eeuwig!
14Я посаджу його в мойму домі й в мойму царстві по віки, а престол його тревати ме по віки.
15Toen Natan al deze woorden en openbaringen trouw aan David had overgebracht,
15Усї цї слова й все видиво переказав Натан докладно Давидові.
16ging koning David heen, zette zich voor Jahweh neer en sprak: Wie ben ik, Jahweh, o God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe hebt gebracht!
16І пійшов царь Давид і став перед Господом, і промовив: Хто я, Господи Боже, й що таке мій дом, що ти так високо піднїс мене?
17Maar ook dit was nog te gering in uw ogen, o God. Ook voor de verre toekomst hebt Gij over het huis van uw dienaar gesproken, en mij, een mens, de toekomstige glorie doen zien, Jahweh, mijn God!
17А й те ще за мало видалось в очах твоїх, Боже; ти сповіщаєш про дім слуги твого на далеку будущину, й споглядаєш на мене, Господи Боже, як на чоловіка великого!
18Wat kan David dan nog meer tot U zeggen, tot U, die uw dienaar kent?
18Що ж ще більше може додати перед тобою Давид, щоб ти ще більш прославив слугу твого? О, ти знаєш слугу твого!
19Jahweh, terwille van uw dienaar, en naar de neiging uws harten hebt Gij gehandeld, en tevens uw dienaar al die grootheid geopenbaard.
19Господи! для слуги твого чиниш ти по серцї твойму все це велике, щоб виявити всяку велич.
20Daarom, Jahweh, er is niemand als Gij, en geen God buiten U, juist als onze oren het altijd hebben gehoord.
20Господи! Нема рівного тобі, й нема Бога, окрім тебе, по всьому тому, що ми чули своїми ушами.
21En wie kan vergeleken worden met Israël, uw volk? Het is het enige volk ter wereld, dat God kwam vrijkopen, om het tot zijn volk te verkiezen, om U een grote en ontzagwekkende naam te geven, door volken voor uw volk te verdrijven, dat Gij uit Egypte hebt vrijgekocht.
21І де є в сьвітї такий народ, як твій народ Ізраїль, сей єдиний народ на землї, задля котрого приходив Бог, щоб придбати його собі в народ, і прославити своє імя через велике й страшне дїло — через прогнання поган зперед лиця народу твого, що його визволив єси з Египту.
22Voor eeuwig hebt Gij Israël, uw volk, tot uw volk gemaakt, en zijt Gij Jahweh, hun God.
22Ти вчинив народ твій Ізраїля своїм власним народом по віки, й ти, Господи, став йому Богом.
23Welnu dan Jahweh, laat voor eeuwig het woord in vervulling gaan, dat Gij over uw dienaar en over zijn huis hebt gesproken, en doe, zoals Gij beloofd hebt.
23А тепер, Господи, слово, що ти сказав про твого слугу й про дом його, справди по віки, й вчини, як сказав єси.
24Dan zal uw Naam vaststaan en groot zijn in eeuwigheid, en zal men zeggen: Jahweh der heirscharen, de God van Israël, is waarlijk Israëls God, en het huis van David, uw dienaar, is bestendig voor uw aanschijn.
24І нехай звеличиться імя твоє по всї вічні часи, щоб говорили: Господь Саваот, Бог Ізрайлїв, — він є Богом над Ізраїлем! і дім слуги твого Давида нехай стоїть твердо перед лицем твоїм.
25Mijn God, zelf hebt Gij het uw dienaar geopenbaard: Ik zal u een huis bouwen! Daarom heeft uw dienaar het aangedurfd, dit smeekgebed tot U te richten.
25Задля того, що ти Боже мій, виявив слузї твойму, що збудуєш дом йому, набрав слуга твій відваги, молитись оце перед тобою.
26Welnu dan Jahweh, Gij zijt God. Gij hebt deze weldaad aan uw dienaar beloofd.
26Оце ж, Господи, ти Бог, і ти сказав про слугу твого таке добро!
27Begin dan, van nu af, het huis van uw dienaar te zegenen, opdat het voor altijd bestendig zij voor uw aanschijn. Want wat Gij hebt gezegend, o Jahweh, is gezegend in eeuwigheid!.
27Почни ж благословляти дом слуги твого, щоб він повік стояв перед лицем твоїм. Бо коли ти, Господи, поблагословиш, то буде він благословен по віки!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.