1 Kronieken 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Wat de groepen der poortwachters betreft: Tot de Korachieten behoorde Mesjelemjáhoe, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf.
1Оце порядок воротарів: з Кореїв: Мешелемія Кореєнко, з потомків Асафових,
2De zonen van Mesjelemjáhoe waren: Zekarjáhoe de oudste; Jediaël, de tweede; Zebadjáhoe, de derde; Jatniël, de vierde;
2Сини Мешелеміїні: перворідень Захарія, другий Едияїл, третій Зебадїя, четвертий Ятниїл,
3Elam, de vijfde; Jehochanan, de zesde; Eljehoënai, de zevende.
3Пятий Елам, шестий Егоханан, семий Елїегознай.
4De zonen van Obed-Edom waren Sjemaja, de oudste; Jehozabad, de tweede; Joach, de derde; Sakar, de vierde; Netanel, de vijfde;
4Сини Обед-Едомові: перворідень Шемаїя, другий Егозавад, третий Йоах, четвертий Сахар, пятий Натанаїл,
5Ammiël, de zesde; Jissakar, de zevende; Peöelletai, de achtste; zo was hij door Jahweh gezegend!
5Шестий Аммиїл, семий Іссахар, восьмий Пеультай, через те що Бог благословив його.
6Zijn zoon Sjemaja kreeg kinderen, die familiehoofden werden; want het waren kloeke mannen.
6Від його сина Шемаїї народились так само сини, що були начальниками в свойму родові, бо вони були мужі сильні.
7Het waren Otni, Refaël, Obed, Elzabad en Achjo, kloeke mannen; bovendien Elihoe en Semakjáhoe.
7Сини Шемаїні: Отні, Рефаїл, Обед та Елзавад, брати його, люде дужі, Елїя, Семахія (та Еваком).
8Met hun zonen en broeders, twee en zestig in getal, waren het allen afstammelingen van Obed-Edom; kloeke mannen, voor hun ambt berekend.
8Усї вони з дїтей Обед-Едомових; вони й сини їх, і брати їх були люде пильні й до служби спосібні; їх було в Обед-Едома шістьдесять і два.
9Ook Mesjelemjáhoe had zonen en broeders, kloeke mannen, in het geheel achttien.
9У Мешелемії було синів та братів, людей спосібних, вісїмнайцять.
10Tot de Merarieten behoorde Chosa. Zijn zonen waren Sjimri, het opperhoofd, die door zijn vader als opperhoofd aangesteld was, ofschoon hij niet de oudste was;
10У Хоси, з синів Мераріїних, сини: Шимрі найвидатнїйший, — хоч він не був перворіднем, та батько поставив його головним;
11Chilki-jáhoe was de tweede; Tebaljáhoe, de derde; Zekarjáhoe, de vierde; in het geheel had Chosa zestien zonen en broeders.
11Другий Хелкія, третій Тевалїя, четвертий Захарія; усїх синів та братів в Хоси було тринайцять.
12De familiehoofden van deze groepen poortwachters kregen een taak toegewezen in de dienst van het huis van Jahweh, evenals hun andere stamgenoten.
12Оце порядок воротарів по головах родин, здібних до служби вкупі з їх братами, щоб служити в домі Господньому.
13Om de verschillende poorten werd door de families het lot geworpen, door de mindere evengoed als door de voorname.
13І кинули вони жереби, як малий, так і великий, по родинах своїх на кожну браму.
14Het oosten werd door het lot toegewezen aan Sjelemj hoe. Ook voor zijn zoon Zekarjáhoe, een verstandig raadsman, werd het lot geworpen; zijn lot viel op het noorden.
14І випав жереб від сходу на Шелемія. А на Захарію, його сина, розумного порадника, кинули жереб, і випав йому жереб на північ;
15Obed-Edom lootte het zuiden, zijn zonen het magazijn.
15Обед-Едомові — на південь, а синам його — при коморах.
16Chosa lootte twee wachtposten naast elkaar in het westen bij de Sjalléketpoort aan de helling.
16Шупимові та Хосї — на захід, коло брами Шаллехет, де шлях йде вгору та де сторожа проти сторожі.
17Aan de oostkant stonden de hele dag zes levieten, aan de noordkant vier, aan de zuidkant vier, bij de magazijnen telkens twee,
17На схід по шість левітів, на північ по чотири, на південь по чотири, а коло комор по два.
18en bij de bijgebouwen aan de westkant vier aan de weg en twee bij de gebouwen.
18На захід коло притвора при шляху по чотири, а коло самого притвора по два.
19Dit waren de groepen poortwachters uit de geslachten Kore, en Merari.
19Це порядок воротарів з синів Кореєвих та синів Мераріїних.
20Hun andere levietische stamgenoten beheerden de schatten van het huis Gods en de kostbare verzameling wijgeschenken.
20А левіти, брати їх, доглядали скарбів дому Божого та скарбниць із сьвященними річами.
21De zoon van Ladan, den Gersjoniet, die met ladanietische familiehoofden door Ladan van Gersjon afstamde, was Jechiël.
21Сини Лаєдана Герсоненка — від Лаєдана, голови родини, від Лаєдана Герсонового: Ехієл.
22De zonen van Jechiël waren Zetam en zijn broeder Joël. Dezen beheerden de schatten van het huis van Jahweh.
22Сини Ехієлові: Зетам та брат його Йоїль доглядали скарбів Божого дому,
23Onder de afstammelingen van Amram, Jishar, Chebron en Oezziël,
23Вкупі з потомками Амрамовими, Ізгаровими, Хевроновими та Озиїловими.
24had Sjeboeël, een nakomeling van Gersjom, den zoon van Moses, het oppertoezicht op de voorraden.
24Шевуїл, син Гирсона Мойсеєнка, був головним доглядачем скарбниць.
25De zoon van zijn neef Eliézer was Rechabjáhoe; de zoon van Rechabjáhoe was Jesjajáhoe; die van Jesjajáhoe was Joram; die van Joram was Zikri; die van Zikri was Sjelomit.
25У його брата Елиезера — син Рехавія; в його син Ісаїя; в його син Йорам; в його син Зихрій, а в сього син Шеломит.
26Deze Sjelomit beheerde met zijn broeders heel de kostbare verzameling wijgeschenken, die koning David, de familiehoofden, de hoofden van duizend en van honderd, en de legeraanvoerders aan Jahweh gewijd hadden,
26Шеломит та брати його доглядали скарбниць із присьвяченим добром, що поприсьвячував царь Давид і голови родин, і тисячники, й сотники та воєводи.
27en die ze uit de oorlogsbuit als heilige gave hadden afgezonderd, om er het huis van Jahweh mee te verrijken.
27З завойовань та з здобичі поприсьвячували на направу дому Господнього.
28Ook alle wijgeschenken van den ziener Samuël, en van Saul den zoon van Kisj, en van Abner den zoon van Ner, en van Joab den zoon van Seroeja, kortom alle wijgeschenken werden beheerd door Sjelomit en zijn broeders.
28Усе, що присьвятив пророк Самуїл, і Саул Кисенко, й Абенір Ниренко, й Йоаб Саруєнко, все присьвячене було в руках в Шеломита та братів його.
29Van de familie Jishar hadden Kenanjáhoe en zijn zonen een wereldlijk ambt in Israël: ze waren ambtenaren en rechters.
29З Ізгарового роду: Хенанїя та сини його були настановлені на службу знадвірню в Ізрайлитян, за писарів та суддїв.
30Van de familie Chebron waren Chasjabjáhoe en zijn stamgenoten, zeventienhonderd kloeke mannen, belast met het bestuur van Israël, westelijk van de Jordaan, zowel voor alle aangelegenheden van Jahweh als voor de dienst des konings;
30З Хевронового роду: Хашавія та брати його, люде відважні — тисяча сїмсот — мали догляд над Ізраїлем по цей бік Йорданї на захід, у всїляких справах Господнїх і по службі царській.
31van de familie Chebron was Jeri-ja het hoofd van de geslachten en families, die van Chebron stamden. In het veertigste jaar van Davids regering werd er bij dezen een onderzoek ingesteld, en ze bleken over kloeke mannen te beschikken in Jazer van Gilad.
31У Хевронїїв був Ерія головою в їх родах та поколїннях. Сорокового року Давидового царювання їх полїчено, й знайшлись між ними люде мужні в Язері Галаадському.
32Ook zijn stamgenoten waren kloeke mannen, zeven en twintighonderd familiehoofden in het geheel. Koning David belastte hen met het bestuur van de stam Ruben en Gad en de halve stam Manasse, voor alle aangelegenheden van God en den koning.
32І брати його, люде здібні — дві тисячі сїмсот — були головами родин. Їх настановив царь Давид над поколїннєм Рубеновим і Гадовим та половиною поколїння Манассіїного, у всїх справах Божих та справах царських.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.