1 Kronieken 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Synodal Translation (Синодальный перевод)
1Wat de groepen der poortwachters betreft: Tot de Korachieten behoorde Mesjelemjáhoe, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf.
1Вот распределение привратников: из Кореян: Мешелемия, сын Корея, из сыновей Асафовых.
2De zonen van Mesjelemjáhoe waren: Zekarjáhoe de oudste; Jediaël, de tweede; Zebadjáhoe, de derde; Jatniël, de vierde;
2Сыновья Мешелемии: первенец Захария, второй Иедиаил, третий Зевадия, четвертый Иафниил,
3Elam, de vijfde; Jehochanan, de zesde; Eljehoënai, de zevende.
3пятый Елам, шестой Иегоханан, седьмой Елиегоэнай.
4De zonen van Obed-Edom waren Sjemaja, de oudste; Jehozabad, de tweede; Joach, de derde; Sakar, de vierde; Netanel, de vijfde;
4Сыновья Овед-Едома: первенец Шемаия, второй Иегозавад, третий Иоах, четвертый Сахар, пятый Нафанаил,
5Ammiël, de zesde; Jissakar, de zevende; Peöelletai, de achtste; zo was hij door Jahweh gezegend!
5шестой Аммиил, седьмой Иссахар, восьмой Пеульфай, потому что Бог благословил его.
6Zijn zoon Sjemaja kreeg kinderen, die familiehoofden werden; want het waren kloeke mannen.
6У сына его Шемаии родились также сыновья, начальствовавшие в своем роде, потому что они были люди сильные.
7Het waren Otni, Refaël, Obed, Elzabad en Achjo, kloeke mannen; bovendien Elihoe en Semakjáhoe.
7Сыновья Шемаии: Офни, Рефаил, Овед и Елзавад, братья его, люди сильные, Елия, Семахия и Иеваком.
8Met hun zonen en broeders, twee en zestig in getal, waren het allen afstammelingen van Obed-Edom; kloeke mannen, voor hun ambt berekend.
8Все они из сыновей Овед-Едома; они и сыновья их, и братья их были люди прилежные и к службе способные: их было у Овед-Едома шестьдесят два.
9Ook Mesjelemjáhoe had zonen en broeders, kloeke mannen, in het geheel achttien.
9У Мешелемии сыновей и братьев, людей способных, было восемнадцать.
10Tot de Merarieten behoorde Chosa. Zijn zonen waren Sjimri, het opperhoofd, die door zijn vader als opperhoofd aangesteld was, ofschoon hij niet de oudste was;
10У Хосы, из сыновей Мерариных, сыновья: Шимри главный, хотя он не был первенцем, но отец его поставил его главным;
11Chilki-jáhoe was de tweede; Tebaljáhoe, de derde; Zekarjáhoe, de vierde; in het geheel had Chosa zestien zonen en broeders.
11второй Хелкия, третий Тевалия, четвертый Захария; всех сыновей и братьев у Хосы было тринадцать.
12De familiehoofden van deze groepen poortwachters kregen een taak toegewezen in de dienst van het huis van Jahweh, evenals hun andere stamgenoten.
12Вот распределение привратников по главам семейств, способных на службу вместе с братьями их, для служения в доме Господнем.
13Om de verschillende poorten werd door de families het lot geworpen, door de mindere evengoed als door de voorname.
13И бросили они жребии, как малый, так и большой, по своим семействам, на каждые ворота.
14Het oosten werd door het lot toegewezen aan Sjelemj hoe. Ook voor zijn zoon Zekarjáhoe, een verstandig raadsman, werd het lot geworpen; zijn lot viel op het noorden.
14И выпал жребий на восток Шелемии; и Захарии, сыну его, умному советнику, бросили жребий, и вышел ему жребий на север;
15Obed-Edom lootte het zuiden, zijn zonen het magazijn.
15Овед-Едому на юг, а сыновьям его при кладовых.
16Chosa lootte twee wachtposten naast elkaar in het westen bij de Sjalléketpoort aan de helling.
16Шупиму и Хосе на запад, у ворот Шаллехет, где дорога поднимается и где стража против стражи.
17Aan de oostkant stonden de hele dag zes levieten, aan de noordkant vier, aan de zuidkant vier, bij de magazijnen telkens twee,
17К востоку по шести левитов, к северу по четыре, к югу по четыре, а у кладовых по два.
18en bij de bijgebouwen aan de westkant vier aan de weg en twee bij de gebouwen.
18К западу у притвора на дороге по четыре, а у самого притвора по два.
19Dit waren de groepen poortwachters uit de geslachten Kore, en Merari.
19Вот распределение привратников из сыновей Кореевых и сыновей Мерариных.
20Hun andere levietische stamgenoten beheerden de schatten van het huis Gods en de kostbare verzameling wijgeschenken.
20Левиты же, братья их, смотрели за сокровищами дома Божия и за сокровищницами посвященных вещей.
21De zoon van Ladan, den Gersjoniet, die met ladanietische familiehoofden door Ladan van Gersjon afstamde, was Jechiël.
21Сыновья Лаедана, сына Герсонова - от Лаедана, главы семейств от Лаедана Герсонского: Иехиел.
22De zonen van Jechiël waren Zetam en zijn broeder Joël. Dezen beheerden de schatten van het huis van Jahweh.
22Сыновья Иехиела: Зефам и Иоиль, брат его, смотрели за сокровищами дома Господня,
23Onder de afstammelingen van Amram, Jishar, Chebron en Oezziël,
23вместе с потомками Амрама, Ицгара, Хеврона, Озиила.
24had Sjeboeël, een nakomeling van Gersjom, den zoon van Moses, het oppertoezicht op de voorraden.
24Шевуил, сын Гирсона, сына Моисеева, был главным смотрителем за сокровищницами.
25De zoon van zijn neef Eliézer was Rechabjáhoe; de zoon van Rechabjáhoe was Jesjajáhoe; die van Jesjajáhoe was Joram; die van Joram was Zikri; die van Zikri was Sjelomit.
25У брата его Елиезера сын Рехавия, у него сын Исаия, у него сын Иорам, у него сын Зихрий, у него сын Шеломиф.
26Deze Sjelomit beheerde met zijn broeders heel de kostbare verzameling wijgeschenken, die koning David, de familiehoofden, de hoofden van duizend en van honderd, en de legeraanvoerders aan Jahweh gewijd hadden,
26Шеломиф и братья его смотрели за всеми сокровищницами посвященных вещей, которые посвятил царь Давид и главы семейств и тысяченачальники, стоначальники и предводители войска.
27en die ze uit de oorlogsbuit als heilige gave hadden afgezonderd, om er het huis van Jahweh mee te verrijken.
27Из завоеваний и из добыч они посвящали на поддержание дома Господня.
28Ook alle wijgeschenken van den ziener Samuël, en van Saul den zoon van Kisj, en van Abner den zoon van Ner, en van Joab den zoon van Seroeja, kortom alle wijgeschenken werden beheerd door Sjelomit en zijn broeders.
28И все, что посвятил Самуил пророк, и Саул, сын Киса, и Авенир, сын Нира, и Иоав, сын Саруи, все посвященное было на руках у Шеломифа и братьев его.
29Van de familie Jishar hadden Kenanjáhoe en zijn zonen een wereldlijk ambt in Israël: ze waren ambtenaren en rechters.
29Из племени Ицгарова: Хенания и сыновья его определены на внешнее служение у Израильтян, писцами и судьями.
30Van de familie Chebron waren Chasjabjáhoe en zijn stamgenoten, zeventienhonderd kloeke mannen, belast met het bestuur van Israël, westelijk van de Jordaan, zowel voor alle aangelegenheden van Jahweh als voor de dienst des konings;
30Из племени Хевронова: Хашавия и братья его, люди мужественные, тысяча семьсот, имели надзор над Израилем по эту сторону Иордана к западу, по всяким делам служения Господня и по службе царской.
31van de familie Chebron was Jeri-ja het hoofd van de geslachten en families, die van Chebron stamden. In het veertigste jaar van Davids regering werd er bij dezen een onderzoek ingesteld, en ze bleken over kloeke mannen te beschikken in Jazer van Gilad.
31У племени Хевронова Иерия был главою Хевронян, в их родах, в поколениях. В сороковой год царствования Давида они исчислены, и найдены между ними люди мужественные в Иазере Галаадском.
32Ook zijn stamgenoten waren kloeke mannen, zeven en twintighonderd familiehoofden in het geheel. Koning David belastte hen met het bestuur van de stam Ruben en Gad en de halve stam Manasse, voor alle aangelegenheden van God en den koning.
32И братья его, люди способные, две тысячи семьсот, были главы семейств. Их поставил царь Давид над коленом Рувимовым и Гадовым и полуколеном Манассииным, по всем делам Божиим и делам царя.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.