2 Samuel 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Na de dood van Saul bleef David, toen hij terug was van zijn overwinning op de Amalekieten, twee dagen in Sikelag.
1По Сауловій смертї, як Давид вернувсь, подужавши Амаликіїв, і перебув у Секелазї два днї,
2Daar verscheen op de derde dag iemand uit de legerplaats van Saul: zijn kleren waren gescheurd en aarde lag op zijn hoofd. Bij David aangekomen, viel hij ter aarde en boog zich tot op de grond voor hem neer.
2Приходить на третий день несподївано чоловік із табору Саулового; одїж на йому розідрана, а голова порохом посипана. Приступивши до Давида, припав він і поклонився до землї.
3David vroeg hem: Waar komt ge vandaan? Hij antwoordde: Ik ben uit de legerplaats van Saul ontsnapt.
3І питає його Давид: Звідки прийшов єси? А він відказує: Я втїк із табору Ізрайлевого.
4David zeide tot hem: Vertel me toch, wat er gebeurd is! Hij sprak: Het volk is gevlucht uit de strijd, velen van het volk zijn gesneuveld, en ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn dood!
4І питає Давид: Що там сталось? А той каже: Військо повтїкало з бою, і багацько військових полягло й померло; та й Саул і син його Йонатан померли.
5Toen vroeg David den jongen man, die met die tijding kwam: Hoe weet ge, dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?
5І питає Давид молодика, що принїс йому вість: Як ти взнав, що Саул та Йонатан померли?
6En de jonge man, die met die tijding kwam, antwoordde: Heel toevallig was ik op het gebergte Gilbóa. Daar stond Saul, leunend op zijn lans; en de wagens en de ruiters waren al vlak bij hem.
6І відказав молодик, що принїс вість: Довелось менї случаєм ійти Гелвуйськими горами, коли ж дивлюсь — Саул настромивсь на свого списа, а колесницї й комонник зближаються до його.
7Hij keek om, en toen hij mij bemerkte, riep hij mij. Ik antwoordde: Hier ben ik.
7Обернеться він назад себе й, побачивши мене, покликав мене. Я озвавсь: Чую!
8Hij vroeg me: Wie zijt ge? Ik antwoordde hem: Ik ben een Amalekiet.
8Питає він: Хто ти? Відказую: Амаликій.
9Hij zeide tot mij: Kom hier, en steek me dood; want een kramp heeft mij beet, ofschoon ik al mijn krachten nog heb.
9І просить мене: Приступи до мене та завдай менї смерть, бо трівога смертня обняла мене, а душа ще вся в менї.
10Ik ging naar hem toe, en daar ik wist, dat hij zijn val niet zou overleven, stak ik hem dood. Ik nam de diadeem, die op zijn hoofd stond, en de armband, die aan zijn arm hing; ik heb ze meegebracht voor mijn heer.
10І приступив я й завдав йому смерть, бо я знав, що він не переживе свого впаду. Тодї зняв я з голови в його царський вінець, і запинку з руки в його та й принїс оце мойму панові.
11Toen greep David zijn klederen en scheurde ze vaneen; en heel zijn gevolg deed eveneens.
11Тодї вхопив Давид одїж свою та й роздер її, а так само й його прибічники.
12Wenend en vastend rouwden zij tot de avond over Saul en zijn zoon Jonatan, over het volk van Jahweh en het huis Israël, omdat zij door het zwaard waren gevallen.
12І сумували плачучи й постили до вечора по Саулові і по його синові Йонатанові і по людові Ізрайлевому й по домові Ізрайлевому, бо вони полягли від меча.
13Daarop sprak David tot den jongen man, die met die tijding kwam: Wat is uw afkomst? Hij antwoordde: Ik ben de zoon van een vreemdeling uit Amalek.
13І питає Давид у молодика, що принїс йому звістку: Звідки ти? А той відказав: Я син Амаликія-заволоки.
14David zeide tot hem: Hoe is het dan mogelijk, dat ge er niet voor zijt teruggeschrokken, uw hand uit te steken en den gezalfde van Jahweh te doden!
14Давид же питає: Як же ти не боявсь простягти руку, щоб убити помазанника Господнього?
15Daarop gaf David aan een van de soldaten het bevel: Kom hier, sla hem neer! Deze sloeg hem dood,
15І покликнув Давид на одного слугу й приказав йому: Вбий його! Той рубнув, і вмер він.
16terwijl David tot hem sprak: Uw bloed kome neer op uw eigen hoofd; ge hebt uw eigen oordeel geveld met te zeggen: Ik heb den gezalfde van Jahweh gedood!
16Давид же сказав: Кров твоя на голові твоїй; засуд на себе видав ти словом своїм: Я завдав смерть помазанникові Господньому.
17Toen dichtte David op Saul en op zijn zoon Jonatan een klaaglied,
17І зложив Давид плачевню пісьню над Саулом і над його сином Йонатаном,
18dat de Judeërs op zijn bevel moesten leren. Het staat in het boek van den Rechtvaardige. Hij sprak:
18(І повелїв навчати синів Юдиних лука, як се написано в книзї праведного) і промовив:
19Op uw hoogten, o Israël, liggen de besten gesneuveld; Ach, hoe zijn nu de helden gevallen!
19Ой Ізраїлю! пробито (з лука) твою втїху в твоїх таки горах. Як се полягли хоробрі?
20Bericht het niet in Gat, Verkondigt het niet in Asjkelons straten; Anders juichen de dochters der Filistijnen, Jubelen de dochters der onbesnedenen!
20Не росказуйте у Гетї, не звіщайте по улицях Аскалону, щоб жіноцтво Филистійське не радувалось, щоб не веселились дочки необрізаних.
21Geen dauw en geen regen, bergen van Gilbóa, Dale op uw velden, o bergen des doods; Want daar ligt het schild der helden verroest, Het schild van Saul niet met olie gewreven!
21Ви ж гори, Гелвуйські, щоб на вас не впало нї дощу на ваші ниви, нї роси на поле, бо там покинений щит сильних, щит Саулів, мов би не мазано Саула сьвятою олїєю.
22Zonder het bloed van verslagenen En het vet van helden Week de boog van Jonatan nimmer terug, Keerde het zwaard van Saul niet ledig weer.
22Йонатанів меч не вертавсь назад без крові ранених, а й меч Саулів не вертався даром.
23Saul en Jonatan waren bemind en geliefd, In leven en dood niet gescheiden! Ze waren sneller dan adelaars, Sterker dan leeuwen.
23Любомирно з Йонатаном жив Саул на сьвітї, їх і смерть не розлучила; і бистрі й сильні обидва над орла й над лева.
24Dochters van Israël, weent over Saul, Die u hulde in karmozijn en batist, En op uw gewaad gouden sieraden hechtte:
24Ой Ізрайлеві дочки, плачте по Саулї! Він у пурпур одягав вас, в радощі рядив вас; за його на вас золото блищало.
25Hoe zijn de helden gevallen in de strijd? Ach Jonatan, ik ben zeer bedroefd om uw dood,
25Ой як упали потужні у бою! Убитий Йонатан на висотах твоїх.
26Om u zo verslagen, Jonatan, mijn broeder! Gij waart mij zo dierbaar, Uw liefde telde ik meer dan de liefde van vrouwen.
26Тяжко сумую по тобі, Йонатане, побратиме; ти був менї найдорожший; ти менї ба й над жіноче серце був любіщий!
27Ach, hoe zijn nu de helden gevallen, Hoe gingen de wapenen verloren!
27Як се впали такі сильні, як погибла збруя воєнна?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.