2 Samuel
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen dit alles geregeld was, schafte Absalom zich paard en wagen aan, en vijftig man, die voor hem uit moesten lopen.
1І сталось після сього, що Абессалом позаводив у себе колесницї й конї, а до того пятьдесять чоловіка, що бігли перед ним.
2En iedere morgen stond Absalom vroeg aan de kant van de weg naar de poort en sprak iedereen aan, die een klacht had en naar den koning om recht ging. Hij vroeg hen, uit welke plaats ze kwamen, en als ze antwoordden: “Uit die en die stam van Israël komt uw dienaar”,
2І почав Абессалом становитись рано вранцї на дорозї коло ворот, і як треба було кому судитись і доходити до царя, Абессалом озивавсь до його й питав: З якого ти городу? І як той відкаже було: Раб твій з такого й такого поколїння Ізрайлевого,
3dan zeide Absalom tot hen: Ja, uw zaak ziet er goed en billijk uit; maar de koning heeft niemand, die naar u luistert.
3То Абессалом було каже йому: Те що говориш, добре й праве, та при боцї в царя нема нїкого, щоб вислухав тебе.
4Absalom vervolgde: Was er maar iemand, die mij tot rechter in het land aanstelde, zodat iedereen, die een klacht of rechtszaak had, tot mij kon komen; ik zou hem wel recht verschaffen!
4А далїй бувало каже Абессалом: Ой коли б то мене поставлено суддею в царстві, то до мене приходив би всякий, хто має спорну справу яку або скаргу, й судив би його по правдї!
5En kwam iemand naderbij, om zich voor hem neer te buigen, dan stak hij de hand uit, trok hem naar zich toe, en kuste hem.
5І коли хто наближувавсь, щоб йому вклонитись, так він простягне було руку, обійме й поцїлує його.
6Door zo te doen met alle Israëlieten, die om recht kwamen, palmde Absalom heel Israël in.
6Сим робом обертавсь Абессалом до всякого з Ізраїля, що приходив до царя на який суд, і лестився так до серця всїм Ізрайлитянам.
7Toen er zo vier jaar waren verlopen, zeide Absalom eens tot den koning: Ik zou wel graag in Hebron een gelofte gaan inlossen, die ik aan Jahweh gedaan heb.
7Як уплило ж сорок років від первого помазання Давидового, сказав Абессалом цареві: Хотїв би я пійти й спевнити в Гебронї мій обіт, що я обрікся Господеві.
8Want toen uw dienaar te Gesjoer in Aram verbleef, heb ik de gelofte gedaan, dat ik Jahweh in Hebron zou eren, als Hij mij veilig naar Jerusalem liet terugkeren.
8Бо раб твій, пробуваючи в Гессурі в Сириї, дав таку обітницю: Коли верне мене Господь у Ерусалим, так я принесу жертву Господеві.
9De koning zeide tot hem: Ga in vrede. Hij vertrok dus en begaf zich naar Hebron,
9І відказав йому царь: Ійди з упокоєм. От і пустивсь він у дорогу в Геброн.
10nadat hij door ijlboden aan alle stammen in Israël had laten zeggen: Wanneer ge bazuingeschal hoort, moet ge uitroepen: “Absalom is koning geworden in Hebron!”
10Абессалом же порозсилав тайкома посланцї між усї поколїння Ізрайлеві й звелїв казати: Як почуєте трубний гук, так мовляйте: Абессалом зробився царем у Гебронї!
11Met Absalom gingen tweehonderd man uit Jerusalem mee; het waren genodigden, die te goeder trouw meekwamen, zonder ergens van af te weten.
11А з Абессаломом пійшло двістї чоловіка з Ерусалиму, що їх закликано, й вони пійшли в простотї серця, нїчогісїнько не знаючи.
12Bovendien liet Absalom den Giloniet Achitófel, een raadsheer van David, uit zijn woonplaats Gilo bij het opdragen der offers ontbieden. Zo won de samenzwering aan kracht, en sloten steeds meer mensen zich bij Absalom aan.
12Послав також Абессалом і прикликав порадника Давидового, Ахитофела, з його города Гило. А коли принесено жертву, зложили сильні змовини, й горнулось усе більш та більш люду до Абессаломового боку.
13Toen dan ook een boodschapper aan David kwam berichten, dat heel Israël partij had gekozen voor Absalom,
13І прийшла до Давида вість: Серце Ізрайлитян прихилилось до Абессалома!
14gaf David aan heel zijn hof, dat bij hem in Jerusalem was gebleven, het bevel: Vooruit, op de vlucht; er blijft ons geen ander middel over, om aan Absalom te ontkomen. Haast u, om te vertrekken; anders haast hij zich, haalt ons in, laat het onheil op ons los, en sabelt de hele stad neer.
14Рече тодї Давид усїм слугам свого двору, що були при йому в Ерусалимі: Ходїмо, втїкаймо, а то не буде нам рятунку перед Абессаломом. Кваптесь уходити, щоб не напав на нас несподївано, щоб не було нам від його лихої години, а городу не вигубив мечем!
15En het hof van David zei tot den koning: Zoals onze heer en koning verkiest; wij staan tot uw dienst.
15І відказали царські врядники цареві: Нехибно так, як царь наш і пан присудить, ми, слуги твої, радо вчинимо.
16Zo vertrok de koning, gevolgd door heel zijn huis; alleen tien bijvrouwen liet hij in Jerusalem achter, om het paleis te bewaken.
16От і вирушив царь і ввесь його двір за ним пішки, а стерегти господи покинув царь десять наложениць.
17Maar bij hun vertrek maakten de koning en al het volk, dat hem volgde, halt bij het laatste huis.
17І вирушив царь і всї люде пішки, й зупинились далеко од дому.
18Daar trok hem heel het leger voorbij, met al de Kretenzen en Peletiërs. Ook Ittai met alle Gatieten, wel zes honderd man, die den koning waren gevolgd uit Gat, trokken hem voorbij.
18І всї слуги його йшли обобіч його, й всї Хелетеї й всї Фелетеї до шістьсот чоловіка, й всї Гетїї, що за ним прийшли були з Гету, ступали навперід царя.
19Maar de koning zeide tot Ittai, den Gatiet: Waarom gaat ook gij met ons mee? Keer liever terug en blijft bij den nieuwen koning; want ge zijt een buitenlander, en bovendien uit uw woonplaats verbannen.
19І промовив царь до Еттея з Гету: Чого се й ти з нами йдеш? Вертайсь та й пробувай при тому цареві. Ти ж гість і прийшов сюди з свого міста.
20Pas zijt ge hier gekomen, en nu zou ik u al met ons mee laten dwalen, terwijl ik zelf niet eens weet, waar ik heen ga? Neen, keer terug, neem uw broeders met u mee, en Jahweh betone u zijn genade en trouw!
20Вчора ти прийшов, а сьогоднї мав би йти з нами? Я йду, незнать куди; ти же вернись і бери своїх людей назад; Господь нехай покаже на тобі свою ласку й правду.
21Maar Ittai gaf den koning ten antwoord: Zowaar Jahweh leeft, en zowaar mijn heer en koning leeft; op de plaats waar mijn heer en koning is, in dood of leven, daar zal ook uw dienaar zijn.
21І відказав Еттей цареві: Так певно, як жив Господь, і так вірно, як жив пан мій й царь, де б нї був мій пан і царь, чи в смертї, чи в життї, там буде й слуга твій!
22Toen zeide David tot Ittai: Trek dan voorbij. En Ittai, de Gatiet, trok voorbij met al zijn manschappen en al de kinderen, die bij hem waren.
22І рече Давид Еттеєві: Ну, так іди далїй. І пійшов Еттей Гетїй вкупі з людьми своїми й з усією малечою своєю.
23De hele bevolking begon luidkeels te wenen, toen heel het leger voorbijtrok. Terwijl dus de koning bij de beek Kedron stond en al het volk langs hem heen trok in de richting van de woestijn,
23Уся ж земля плакала в голос. Царь же й ввесь народ перейшли потік Кидрон, і пійшли всї дорогою, що веде на пустиню.
24kwam daar ook Sadok met alle levieten, die de verbondsark van God droegen. Ze zetten de ark van God neer, en Ebjatar droeg offers op, totdat al het volk uit de stad was getrokken.
24Ійшов також і Садок (сьвященник) і всї левіти з ним, що несли скриню Божу, й поставили вони Божу скриню; Авіятар же стояв на вижинї, аж докіль увесь люд із городу попереходив.
25Maar de koning sprak tot Sadok: Breng de ark van God naar de stad terug. Als ik genade vind in Jahweh’s ogen, zal Hij mij terug laten keren, en mij de ark laten zien en de plaats waar zij staat;
25Та цар повелїв Садокові: Неси назад Божу скриню в город. Коли буде Господь благодатен до мене, так привиде мене назад і дасть менї вбачати й її й пробуток свій;
26maar als Hij zegt, dat Hij niets van mij wil weten, welnu, dan moet Hij maar met mij doen, zoals het Hem goeddunkt.
26Коли ж він скаже: Не до вподоби ти менї, так ось я; нехай чинить ізо мною, як до вподоби йому.
27En de koning vervolgde tot Sadok, den priester, en Ebjatar: Keert rustig naar de stad terug, en neemt uw beide kinderen mee, Achimáas, uw zoon, en Jehonatan, den zoon van Ebjatar.
27І рече тодї царь первосьвященникові Садокові: Йди собі назад у город, і син твій Ахимаас і Йонатан Абіятаренко, обидва сини ваші з вами;
28Ik blijf wachten bij de overgangen naar de woestijn, totdat een boodschap van u mij van de stand van zaken op de hoogte stelt.
28Памятайте, я пробувати му понад бродами в степу, докіль прийде звістка од вас до мене.
29Daarom brachten Sadok en Ebjatar de ark van God naar Jerusalem terug, en bleven daar.
29От і завернули Садок та Абіятар Божу скриню в Ерусалим назад, і зостались там.
30Nu besteeg David al wenend de Olijfberg, het gezicht bedekt, en barrevoets; ook heel zijn gevolg had het gezicht bedekt en trok wenend mee.
30Давид же ійшов на Оливну Гору, плачучи й окривши голову. Босоніж ійшов він, і ввесь люд, що був з ним, покривши собі голови, йшов плачучи.
31Maar toen men David meldde, dat ook Achitófel zich onder de samenzweerders bij Absalom bevond, zuchtte hij: Moge Jahweh de raad van Achitófel verijdelen!
31Як донесли Давидові: Ахитофел також між зрадниками з Абессаломом, сказав Давид: Поглумись, Господи, над Ахитофелевою радою!
32En zie, nauwelijks was David op de top gekomen, waar men zich neerbuigt voor God, of daar trad Choesjai, de Arkiet, hem tegemoet met gescheurde klederen en stof op het hoofd.
32Як же взійшов Давид на верх гори, де хотїв помолитись Богу, зустрів його Давидів приятель Архієць Хусій в роздертій одежі й з землею на голові.
33David sprak tot hem: Als ge met mij mee trekt, zijt ge mij slechts tot last;
33І рече йому Давид: Як пійдеш ізо мною, то будеш ваготою менї,
34maar als ge naar de stad terugkeert en tot Absalom zegt: “Koning, ik wil uw dienaar zijn; vroeger was ik de dienaar van uw vader, nu wil ik uw dienaar zijn, dan zult ge de raad van Achitófel in mijn voordeel kunnen verijdelen.
34Але як вернешся у город і скажеш Абессаломові: Царю, я хочу бути слугою твоїм; я перше був слугою панотцеві твойму, тепер же буду тобі слугою; то обернеш у нївець раду Ахитофелеву.
35Bovendien zijn daar de priesters Sadok en Ebjatar bij de hand. Deel dus alles, wat ge uit het paleis verneemt, aan de priesters Sadok en Ebjatar mede.
35Там же й сьвященник Садок й Абіятар будуть з тобою, й що перечуєш із царської палати, роскажи Садокові та Абіятарові, сьвященникам.
36Die hebben hun twee zonen bij zich, Achimáas van Sadok en Jehonatan van Ebjatar; en alles, wat ge verneemt, kunt ge mij door hen laten weten”.
36Там при них і оба сини їх: Ахимаас, син Садока, та Йонатан, син Абіятарів; через них доводїть до мене все, що почуєте.
37Zo kwam Choesjai, de vriend van David, in de stad, toen Absalom zijn intocht in Jerusalem hield.
37От і подавсь Давидів приятель Хусій у город, саме як Абессалом вступав у Ерусалим.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.