2 Samuel 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Na dit alles raadpleegde David Jahweh: Moet ik optrekken naar een of andere stad in Juda? Jahweh antwoordde hem: Ja. David hernam: Waarheen moet ik optrekken? Hij antwoordde: Naar Hebron.
1Після сього поспитав Давид у Господа: Чи йти менї в яке місто Юдине? І відказав йому Господь: Ійди. І спитав Давид: Куди йти? А Господь відказав: У Геброн.
2Zo trok David daarheen, met zijn beide vrouwen Achinóam uit Jizreël, en Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel.
2От і двинув туди Давид з обома женами своїми, Ахиноамою з Езрееля та з Абигеєю, жінкою Кармелїя Набала.
3Ook de manschappen, die hem gevolgd waren, liet David er heen trekken, ieder met zijn gezin; en zij vestigden zich in de verschillende wijken van Hebron.
3І людей, що були з ним, привів Давид, кожнього з його родиною, й поосїдались вони по місточках коло Геброна.
4Toen kwamen de Judeërs, en zalfden David daar tot koning over het huis Juda. Toen David hoorde, dat de burgers van Jabesj in Gilad Saul begraven hadden,
4І прийшли мужі Юдині та й помазали там Давида царем над Юдиним домом.
5zond hij boden naar de burgers van Jabesj in Gilad en liet hun zeggen: Gezegend zijt gij door Jahweh, omdat gij uw heer Saul deze liefdedienst bewezen en hem begraven hebt.
5Переказано ж було Давидові, що мужі з Явиса Галаадського поховали Саула.
6Moge Jahweh u daarom liefde betonen en trouw! Maar ook ik zal u belonen, omdat gij deze daad hebt verricht.
6І вислав Давид посли до мужів Явиських у Галаад, сказати їм: Бувайте благословенні від Господа за те, що так любовно послужили Саулові, панові вашому, й його поховали!
7Houdt goede moed en gedraagt u als helden; want al is uw heer Saul gestorven, het huis Juda heeft mij tot koning over hen gezalfd.
7Нехай й Господь відплатить вам прихильність і щирість; але й я виявлю вам ласку за те, що ви вчинили.
8Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Saul, had de partij van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, gekozen. Hij liet hem naar Machanáim overkomen,
8Тільки бувайте сьміливі й покажіте себе мужами хоробрими. Бо Саул, ваш пан, умер, а дом Юдин помазав мене царем над собою.
9en verhief hem tot koning over Gilad en de Aserieten, over Jizreël, Efraïm en Benjamin, kortom over geheel Israël.
9Абенир же Ниренко, Саулів гетьман, узяв Саулового сина Евостея, привів його в Маханаїм,
10Isj-Bósjet, de zoon van Saul, was veertig jaar oud, toen hij koning van Israël werd, en twee jaar heeft hij geregeerd. Alleen dus het huis Juda hield het met David.
10Та й зробив його царем над Галаадом і Ашуром, над Езреелем, Ефраїмом, Бенямином і всїм Ізраїлем.
11De tijd, dat David te Hebron over het huis Juda regeerde, bedroeg zeven jaar en zes maanden.
11Сорок лїт віку було Сауловому синові Евостейові, як став він царем над Ізраїлем, а два годи він царював. Тільки дом Юдин держався Давида.
12Eens trok Abner, de zoon van Ner, met de dienaren van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, van Machanáim naar Gibon.
12Царювання Давидового в Гебронї над Юдиним домом було всього сїм год і шість місяцїв.
13Ook Joab, de zoon van Seroeja, was met de aanhangers van David uitgerukt. Zij stietten op elkaar bij de vijver van Gibon. Daar ze elk één kant van de vijver bezet hielden,
13І виступив Абенир Ниренко з слугами Евостея, сина Саулового, з Маханаїма в Габаон.
14deed Abner aan Joab het voorstel: Laat de soldaten onder ons toezicht een steekspel houden! Joab zeide: Goed!
14Так само двинув й Йоаб, син Саруї, з людьми Давидовими і зустрілись вони коло ставу Габаонського, і засїли одні по сїм боцї, а другі по тім боцї ставу.
15En volgens een overeengekomen getal traden twaalf Benjamieten van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, en twaalf van de aanhangers van David vooruit, en stelden zich tegenover elkander op.
15І каже Абенир Йоабові: Нехай наші молодцї пограються перед нами. І каже Йоаб: Добре.
16Ze grepen elkaar bij de haren, en daar ieder zijn zwaard in de lenden van zijn tegenstander dreef, vielen ze allen tegelijkertijd neer. Vandaar dat die plek “Veld der Lenden” heet; ze ligt bij Gibon.
16От і повставали й повиходили дванайцять з Бенямина, зі сторони Саулового сина Евостея, а дванайцять людей Давидових.
17Maar daarop ontstond toen een buitengewoon heftig gevecht, waarbij Abner met de manschappen van Israël de nederlaag leed voor de aanhangers van David.
17Кожен з них ухопив свого противника за чуба й встромив йому меча в бік, і всї вони разом полягли. І прозвано те місце Полем силачів, що в Габаонї.
18Nu waren de drie zonen van Seroeja daarbij tegenwoordig: Joab, Abisjai en Asaël. En daar Asaël vlug ter been was als een gazel op de vlakte,
18Сим робом закипіла того дня тяжка битва, та люде Давидові побили Абенира й людей його.
19rende hij Abner achterna, en liet rechts noch links van Abner af.
19А були там і три сини Саруїні: Йоаб, Авесса та Асаїл. Асаїл же був легконогий як дика коза в полі.
20Omkijkend riep Abner: Zijt gij dat, Asaël? Hij riep terug: Ja!
20От і метнувсь Асаїл слїдом за Абениром і вганяв за ним, не звертаючи нї праворуч, нї лїворуч.
21Abner riep hem toe: Ga rechts of links, pak den een of ander van de sol daten aan, en ontneem hèm zijn wapenrusting. Maar Asaël wilde niet van hem wijken.
21Озирнеться ж Абенир та й каже: Се ти Асаїле? Відказує той: Я.
22Daarom riep Abner tot Asaël nog eens: Ga toch van mij weg; anders moet ik u neerslaan, en hoe kan ik dan nog voor uw broer Joab verschijnen?
22І каже йому Абенир: Зверни ж хоч праворуч, хоч лїворуч та кинься на кого з людей, та й візьми його зброю. Асаїл же затявсь не покинути його.
23Toen hij nu nog niet wilde wijken, trof Abner hem met een achterwaartse beweging zo in de buik, dat de lans er van achteren weer uitkwam; hij viel neer en bleef op de plek dood. En iedereen, die bij de plek kwam, waar Asaël gevallen en gestorven was, bleef er bij stil staan.
23Крикне тодї Абенир ще раз на Асаїла: Відчепись від мене, щоб я не мусїв прибити тебе до землї, а тодї як я твойму братові Йоабові погляну ув очі?
24Ook Joab en Abisjai zetten Abner achterna. Tegen zonsondergang bereikten ze Gibat-Amma, dat tegenover Giach ligt, op de weg naar de woestijn van Gibon,
24Як же той затявсь і тодї відчепитись, обернув Абенир списа й пропоров його наскрізь, і де він стояв, там і вмер на місцї. Кожен хто проходив через те місце, де поваливсь Асаїл мертвим, зупинявся.
25waar de Benjamieten zich om Abner hadden verzameld, en in gesloten rijen op de top van Gibat-Amma hadden postgevat.
25Йоаб же й Авесса уганяли за Абениром. Як заходило сонце, дойшли вони до горба Амма, навпроти Гіаха, що лежить на дорозї в пустиню Гаваонську.
26Toen riep Abner tot Joab: Moet het zwaard nu eeuwig woeden? Voelt ge dan niet dat het tenslotte verkeerd moet aflopen? Hoe lang wacht ge nog, het volk te bevelen, de achtervolging van hun broeders te staken?
26Беняминїї ж зібрались округ Абенира і скупились у замкнуту купу та й стали на верху одного горба,
27Joab antwoordde: Zo waar God leeft; zo ge niet gesproken hadt, ja dan zou het volk eerst morgenvroeg de achtervolging hebben opgegeven.
27Озветься тепер Абенир до Йоаба: Чи тож до віку має жерти меч? Хиба не знаєш, яке з того лихо скоїться? І докіль того буде, що ти не навчиш людей, щоб вони за братами не вганяли?
28Toen blies Joab de trompet, en het hele volk maakte halt. Het achtervolgde Israël niet langer, en de strijd werd gestaakt.
28І відказав Йоаб: Так певно, як жив Господь! Коли б ти так сказав рано, то всї люде перестали б були за своїми братами вганяти.
29Abner met zijn manschappen trokken heel die nacht door de Jordaanvlakte verder, staken de Jordaan over en bereikten na een mars van een halve dag Machanáim.
29І звелїв Йоаб затрубити в трубу, і ввесь люд зупинився, покинув гонитьбу за Ізраїлем, і побій застановився.
30Toen Joab de achtervolging van Abner had opgegeven en al het volk had verzameld, werden er van de aanhangers van David behalve Asaël negentien man vermist;
30І йшов Абенир із людьми своїми рівниною всю ніч, і перейшли Йордань, пройшли ввесь Битрон та й прийшли так у Маханаїм.
31maar de aanhangers van David hadden van Benjamin, dus van Abners manschappen, drie honderd zestig man verslagen.
31Йоаб же, покинувши гонитьбу за Абениром, позбірав увесь люд свій, і не доставало з слуг Давидових девятнайцять чоловіка, окрім Асаїла.
32Men droeg Asaël weg, en begroef hem in het graf van zijn vader te Betlehem. Daarna trok Joab met zijn manschappen heel de nacht verder, en bereikte Hebron, toen het dag werd.
32Люде ж Давидові побили Беняминїїв і людей Абенирових, а погибло їх триста шістьдесять чоловіка.
no verse 33 in this text
33Асаїла ж взяли й поховали в батьківському гробовищі, що в Бетлеємі. Йоаб ійшов із людьми своїми всю ніч, а до сьвіта прибув в Геброн.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.