2 Samuel 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Na dit alles raadpleegde David Jahweh: Moet ik optrekken naar een of andere stad in Juda? Jahweh antwoordde hem: Ja. David hernam: Waarheen moet ik optrekken? Hij antwoordde: Naar Hebron.
1Après cela, David consulta l’Éternel, en disant: Monterai-je dans une des villes de Juda? L’Éternel lui répondit: Monte. David dit: Où monterai-je? Et l’Éternel répondit: A Hébron.
2Zo trok David daarheen, met zijn beide vrouwen Achinóam uit Jizreël, en Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel.
2David y monta, avec ses deux femmes, Achinoam de Jizreel, et Abigaïl de Carmel, femme de Nabal.
3Ook de manschappen, die hem gevolgd waren, liet David er heen trekken, ieder met zijn gezin; en zij vestigden zich in de verschillende wijken van Hebron.
3David fit aussi monter les gens qui étaient auprès de lui, chacun avec sa maison; et ils habitèrent dans les villes d’Hébron.
4Toen kwamen de Judeërs, en zalfden David daar tot koning over het huis Juda. Toen David hoorde, dat de burgers van Jabesj in Gilad Saul begraven hadden,
4Les hommes de Juda vinrent, et là ils oignirent David pour roi sur la maison de Juda. On informa David que c’étaient les gens de Jabès en Galaad qui avaient enterré Saül.
5zond hij boden naar de burgers van Jabesj in Gilad en liet hun zeggen: Gezegend zijt gij door Jahweh, omdat gij uw heer Saul deze liefdedienst bewezen en hem begraven hebt.
5David envoya des messagers aux gens de Jabès en Galaad, pour leur dire: Soyez bénis de l’Éternel, puisque vous avez ainsi montré de la bienveillance envers Saül, votre maître, et que vous l’avez enterré.
6Moge Jahweh u daarom liefde betonen en trouw! Maar ook ik zal u belonen, omdat gij deze daad hebt verricht.
6Et maintenant, que l’Éternel use envers vous de bonté et de fidélité. Moi aussi je vous ferai du bien, parce que vous avez agi de la sorte.
7Houdt goede moed en gedraagt u als helden; want al is uw heer Saul gestorven, het huis Juda heeft mij tot koning over hen gezalfd.
7Que vos mains se fortifient, et soyez de vaillants hommes; car votre maître Saül est mort, et c’est moi que la maison de Juda a oint pour roi sur elle.
8Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Saul, had de partij van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, gekozen. Hij liet hem naar Machanáim overkomen,
8Cependant Abner, fils de Ner, chef de l’armée de Saül, prit Isch-Boscheth, fils de Saül, et le fit passer à Mahanaïm.
9en verhief hem tot koning over Gilad en de Aserieten, over Jizreël, Efraïm en Benjamin, kortom over geheel Israël.
9Il l’établit roi sur Galaad, sur les Gueschuriens, sur Jizreel, sur Éphraïm, sur Benjamin, sur tout Israël.
10Isj-Bósjet, de zoon van Saul, was veertig jaar oud, toen hij koning van Israël werd, en twee jaar heeft hij geregeerd. Alleen dus het huis Juda hield het met David.
10Isch-Boscheth, fils de Saül, était âgé de quarante ans, lorsqu’il devint roi d’Israël, et il régna deux ans. Il n’y eut que la maison de Juda qui resta attachée à David.
11De tijd, dat David te Hebron over het huis Juda regeerde, bedroeg zeven jaar en zes maanden.
11Le temps pendant lequel David régna à Hébron sur la maison de Juda fut de sept ans et six mois.
12Eens trok Abner, de zoon van Ner, met de dienaren van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, van Machanáim naar Gibon.
12Abner, fils de Ner, et les gens d’Isch-Boscheth, fils de Saül, sortirent de Mahanaïm pour marcher sur Gabaon.
13Ook Joab, de zoon van Seroeja, was met de aanhangers van David uitgerukt. Zij stietten op elkaar bij de vijver van Gibon. Daar ze elk één kant van de vijver bezet hielden,
13Joab, fils de Tseruja, et les gens de David, se mirent aussi en marche. Ils se rencontrèrent près de l’étang de Gabaon, et ils s’arrêtèrent les uns en deçà de l’étang, et les autres au-delà.
14deed Abner aan Joab het voorstel: Laat de soldaten onder ons toezicht een steekspel houden! Joab zeide: Goed!
14Abner dit à Joab: Que ces jeunes gens se lèvent, et qu’ils se battent devant nous! Joab répondit: Qu’ils se lèvent!
15En volgens een overeengekomen getal traden twaalf Benjamieten van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, en twaalf van de aanhangers van David vooruit, en stelden zich tegenover elkander op.
15Ils se levèrent et s’avancèrent en nombre égal, douze pour Benjamin et pour Isch-Boscheth, fils de Saül, et douze des gens de David.
16Ze grepen elkaar bij de haren, en daar ieder zijn zwaard in de lenden van zijn tegenstander dreef, vielen ze allen tegelijkertijd neer. Vandaar dat die plek “Veld der Lenden” heet; ze ligt bij Gibon.
16Chacun saisissant son adversaire par la tête lui enfonça son épée dans le flanc, et ils tombèrent tous ensemble. Et l’on donna à ce lieu, qui est près de Gabaon, le nom de Helkath-Hatsurim.
17Maar daarop ontstond toen een buitengewoon heftig gevecht, waarbij Abner met de manschappen van Israël de nederlaag leed voor de aanhangers van David.
17Il y eut en ce jour un combat très rude, dans lequel Abner et les hommes d’Israël furent battus par les gens de David.
18Nu waren de drie zonen van Seroeja daarbij tegenwoordig: Joab, Abisjai en Asaël. En daar Asaël vlug ter been was als een gazel op de vlakte,
18Là se trouvaient les trois fils de Tseruja: Joab, Abischaï et Asaël. Asaël avait les pieds légers comme une gazelle des champs:
19rende hij Abner achterna, en liet rechts noch links van Abner af.
19il poursuivit Abner, sans se détourner de lui pour aller à droite ou à gauche.
20Omkijkend riep Abner: Zijt gij dat, Asaël? Hij riep terug: Ja!
20Abner regarda derrière lui, et dit: Est-ce toi, Asaël? Et il répondit: C’est moi.
21Abner riep hem toe: Ga rechts of links, pak den een of ander van de sol daten aan, en ontneem hèm zijn wapenrusting. Maar Asaël wilde niet van hem wijken.
21Abner lui dit: Tire à droite ou à gauche; saisis-toi de l’un de ces jeunes gens, et prends sa dépouille. Mais Asaël ne voulut point se détourner de lui.
22Daarom riep Abner tot Asaël nog eens: Ga toch van mij weg; anders moet ik u neerslaan, en hoe kan ik dan nog voor uw broer Joab verschijnen?
22Abner dit encore à Asaël: Détourne-toi de moi; pourquoi te frapperais-je et t’abattrais-je en terre? Comment ensuite lèverais-je le visage devant ton frère Joab?
23Toen hij nu nog niet wilde wijken, trof Abner hem met een achterwaartse beweging zo in de buik, dat de lans er van achteren weer uitkwam; hij viel neer en bleef op de plek dood. En iedereen, die bij de plek kwam, waar Asaël gevallen en gestorven was, bleef er bij stil staan.
23Et Asaël refusa de se détourner. Sur quoi Abner le frappa au ventre avec l’extrémité inférieure de sa lance, et la lance sortit par derrière. Il tomba et mourut sur place. Tous ceux qui arrivaient au lieu où Asaël était tombé mort, s’y arrêtaient.
24Ook Joab en Abisjai zetten Abner achterna. Tegen zonsondergang bereikten ze Gibat-Amma, dat tegenover Giach ligt, op de weg naar de woestijn van Gibon,
24Joab et Abischaï poursuivirent Abner, et le soleil se couchait quand ils arrivèrent au coteau d’Amma, qui est en face de Guiach, sur le chemin du désert de Gabaon.
25waar de Benjamieten zich om Abner hadden verzameld, en in gesloten rijen op de top van Gibat-Amma hadden postgevat.
25Les fils de Benjamin se rallièrent à la suite d’Abner et formèrent un corps, et ils s’arrêtèrent au sommet d’une colline.
26Toen riep Abner tot Joab: Moet het zwaard nu eeuwig woeden? Voelt ge dan niet dat het tenslotte verkeerd moet aflopen? Hoe lang wacht ge nog, het volk te bevelen, de achtervolging van hun broeders te staken?
26Abner appela Joab, et dit: L’épée dévorera-t-elle toujours? Ne sais-tu pas qu’il y aura de l’amertume à la fin? Jusques à quand tarderas-tu à dire au peuple de ne plus poursuivre ses frères?
27Joab antwoordde: Zo waar God leeft; zo ge niet gesproken hadt, ja dan zou het volk eerst morgenvroeg de achtervolging hebben opgegeven.
27Joab répondit: Dieu est vivant! Si tu n’eusses parlé, le peuple n’aurait pas cessé avant le matin de poursuivre ses frères.
28Toen blies Joab de trompet, en het hele volk maakte halt. Het achtervolgde Israël niet langer, en de strijd werd gestaakt.
28Et Joab sonna de la trompette, et tout le peuple s’arrêta; ils ne poursuivirent plus Israël, et ils ne continuèrent pas à se battre.
29Abner met zijn manschappen trokken heel die nacht door de Jordaanvlakte verder, staken de Jordaan over en bereikten na een mars van een halve dag Machanáim.
29Abner et ses gens marchèrent toute la nuit dans la plaine; ils passèrent le Jourdain, traversèrent en entier le Bithron, et arrivèrent à Mahanaïm.
30Toen Joab de achtervolging van Abner had opgegeven en al het volk had verzameld, werden er van de aanhangers van David behalve Asaël negentien man vermist;
30Joab revint de la poursuite d’Abner, et rassembla tout le peuple; il manquait dix-neuf hommes des gens de David, et Asaël.
31maar de aanhangers van David hadden van Benjamin, dus van Abners manschappen, drie honderd zestig man verslagen.
31Mais les gens de David avaient frappé à mort trois cent soixante hommes parmi ceux de Benjamin et d’Abner.
32Men droeg Asaël weg, en begroef hem in het graf van zijn vader te Betlehem. Daarna trok Joab met zijn manschappen heel de nacht verder, en bereikte Hebron, toen het dag werd.
32Ils emportèrent Asaël, et l’enterrèrent dans le sépulcre de son père à Bethléhem. Joab et ses gens marchèrent toute la nuit, et le jour paraissait quand ils furent à Hébron.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.