Numeri
Chapter 1
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1In de woestijn van de Sinaï sprak Jahweh tot Moses in de openbaringstent op de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte:
1L’Éternel parla à Moïse dans le désert de Sinaï, dans la tente d’assignation, le premier jour du second mois, la seconde année après leur sortie du pays d’Égypte.
2Neemt het getal op van de hele gemeenschap der Israëlieten, naar hun geslachten en families, door alle mannelijke personen hoofd voor hoofd te tellen.
2Il dit: Faites le dénombrement de toute l’assemblée des enfants d’Israël, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant par tête les noms de tous les mâles,
3Alle strijdbare mannen in Israël van twintig jaar af moet gij monsteren volgens hun legerkorpsen; gij en Aäron
3depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux d’Israël en état de porter les armes; vous en ferez le dénombrement selon leurs divisions, toi et Aaron.
4moeten het doen, en uit iedere stam moet één man, een familiehoofd, u helpen.
4Il y aura avec vous un homme par tribu, chef de la maison de ses pères.
5Hier volgen de namen van de mannen, die u ter zijde moeten staan: Voor Ruben Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
5Voici les noms des hommes qui se tiendront avec vous. Pour Ruben: Élitsur, fils de Schedéur;
6voor Simeon Sjeloemiël, de zoon van Soerisjaddai;
6pour Siméon: Schelumiel, fils de Tsurischaddaï;
7voor Juda Naässon, de zoon van Amminadab;
7pour Juda: Nachschon, fils d’Amminadab;
8voor Issakar Netanel, de zoon van Soear;
8pour Issacar: Nethaneel, fils de Tsuar;
9voor Zabulon Eliab, de zoon van Chelon.
9pour Zabulon: Éliab, fils de Hélon;
10Voor de zonen van Josef, voor Efraïm Elisjama, de zoon van Ammihoed; voor Manasse Gamliël, de zoon van Pedasoer.
10pour les fils de Joseph, pour Éphraïm: Élischama, fils d’Ammihud; pour Manassé: Gamliel, fils de Pedahtsur;
11Voor Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni;
11pour Benjamin: Abidan, fils de Guideoni;
12voor Dan Achiézer, de zoon van Ammisjaddai;
12pour Dan: Ahiézer, fils d’Ammischaddaï;
13voor Aser Pagiël, de zoon van Okran;
13pour Aser: Paguiel, fils d’Ocran;
14voor Gad Eljasaf, de zoon van Deoeël;
14pour Gad: Éliasaph, fils de Déuel;
15voor Neftali Achira, de zoon van Enan.
15pour Nephthali: Ahira, fils d’Énan.
16Deze moeten uit de gemeenschap worden opgeroepen, als de vorsten van de stammen hunner vaderen en stamhoofden van Israël.
16Tels sont ceux qui furent convoqués à l’assemblée, princes des tribus de leurs pères, chefs des milliers d’Israël.
17Moses en Aäron ontboden dus deze mannen, wier namen zijn opgegeven,
17Moïse et Aaron prirent ces hommes, qui avaient été désignés par leurs noms,
18en riepen op de eerste van de tweede maand de hele gemeenschap bijeen. Zij werden naar hun geslachten en families opgetekend na hoofdelijke telling der personen, die twintig jaar oud waren en meer.
18et ils convoquèrent toute l’assemblée, le premier jour du second mois. On les enregistra selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant par tête les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus.
19Zo monsterde Moses hen in de woestijn van de Sinaï, zoals Jahweh het hem bevolen had.
19Moïse en fit le dénombrement dans le désert de Sinaï, comme l’Éternel le lui avait ordonné.
20De zonen, die van Ruben afstamden, Israëls eerstgeborene, werden naar hun geslachten en families, hoofd voor hoofd, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
20On enregistra les fils de Ruben, premier-né d’Israël, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant par tête les noms de tous les mâles, depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
21uit de stam van Ruben bedroeg in het geheel zes en veertig duizend vijfhonderd man.
21les hommes de la tribu de Ruben dont on fit le dénombrement furent quarante-six mille cinq cents.
22De zonen, die van Simeon afstamden, werden naar hun geslachten en families, hoofd voor hoofd, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
22On enregistra les fils de Siméon, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères; on en fit le dénombrement, en comptant par tête les noms de tous les mâles depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
23uit de stam van Simeon bedroeg in het geheel negen en vijftig duizend driehonderd man.
23les hommes de la tribu de Siméon dont on fit le dénombrement furent cinquante-neuf mille trois cents.
24De zonen, die van Gad afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
24On enregistra les fils de Gad, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
25uit de stam van Gad bedroeg in het geheel vijf en veertig duizend zes honderd vijftig man.
25les hommes de la tribu de Gad dont on fit le dénombrement furent quarante-cinq mille six cent cinquante.
26De zonen, die van Juda afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
26On enregistra les fils de Juda, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
27uit de stam van Juda bedroeg in het geheel vier en zeventig duizend zeshonderd man.
27les hommes de la tribu de Juda dont on fit le dénombrement furent soixante-quatorze mille six cents.
28De zonen, die van Issakar afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
28On enregistra les fils d’Issacar, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
29uit de stam van Issakar bedroeg in het geheel vier en vijftig duizend vierhonderd man.
29les hommes de la tribu d’Issacar dont on fit le dénombrement furent cinquante-quatre mille quatre cents.
30De zonen, die van Zabulon afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
30On enregistra les fils de Zabulon, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
31uit de stam van Zabulon bedroeg in het geheel zeven en vijftig duizend vierhonderd man.
31les hommes de la tribu de Zabulon dont on fit le dénombrement furent cinquante-sept mille quatre cents.
32De zonen van Josef, de zonen, die van Efraïm afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
32On enregistra, d’entre les fils de Joseph, les fils d’Éphraïm, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
33uit de stam van Efraïm bedroeg in het geheel veertig duizend vijfhonderd man.
33les hommes de la tribu d’Éphraïm dont on fit le dénombrement furent quarante mille cinq cents.
34De zonen, die van Manasse afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
34On enregistra les fils de Manassé, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
35uit de stam van Manasse bedroeg in het geheel twee en dertig duizend tweehonderd man.
35les hommes de la tribu de Manassé dont on fit le dénombrement furent trente-deux mille deux cents.
36De zonen, die van Benjamin afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
36On enregistra les fils de Benjamin, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
37uit de stam van Benjamin bedroeg in het geheel vijf en dertig duizend vierhonderd man.
37les hommes de la tribu de Benjamin dont on fit le dénombrement furent trente-cinq mille quatre cents.
38De zonen, die van Dan afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
38On enregistra les fils de Dan, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
39uit de stam van Dan bedroeg in het geheel twee en zestig duizend zevenhonderd man.
39les hommes de la tribu de Dan dont on fit le dénombrement furent soixante-deux mille sept cents.
40De zonen, die van Aser afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
40On enregistra les fils d’Aser, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
41uit de stam van Aser bedroeg in het geheel een en veertig duizend vijfhonderd man.
41les hommes de la tribu d’Aser dont on fit le dénombrement furent quarante et un mille cinq cents.
42De zonen, die van Neftali afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
42On enregistra les fils de Nephthali, selon leurs familles, selon les maisons de leurs pères, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux en état de porter les armes:
43uit de stam van Neftali bedroeg in het geheel drie en vijftig duizend vierhonderd man.
43les hommes de la tribu de Nephthali dont on fit le dénombrement furent cinquante-trois mille quatre cents.
44Dit waren de mannen, die Moses en Aäron hadden gemonsterd tezamen met de twaalf vorsten van Israël, één uit elke stam, allen familiehoofden.
44Tels sont ceux dont le dénombrement fut fait par Moïse et Aaron, et par les douze hommes, princes d’Israël; il y avait un homme pour chacune des maisons de leurs pères.
45Het totaal der gemonsterden van de Israëlieten naar hun families, alle strijdbare mannen in Israël van twintig jaar af,
45Tous ceux des enfants d’Israël dont on fit le dénombrement, selon les maisons de leurs pères, depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous ceux d’Israël en état de porter les armes,
46bedroeg zeshonderd drie duizend vijfhonderd vijftig man.
46tous ceux dont on fit le dénombrement furent six cent trois mille cinq cent cinquante.
47Maar de stam der Levieten werd niet met hen op de lijst geplaatst.
47Les Lévites, selon la tribu de leurs pères, ne firent point partie de ce dénombrement.
48Want Jahweh had tot Moses gezegd:
48L’Éternel parla à Moïse, et dit:
49De stam van Levi moet ge niet monsteren en hun getal niet bij de andere Israëlieten opnemen.
49Tu ne feras point le dénombrement de la tribu de Lévi, et tu n’en compteras point les têtes au milieu des enfants d’Israël.
50De Levieten moet ge belasten met de zorg voor de tabernakel van het Verbond, voor al zijn benodigdheden en alles, wat er toe behoort. Zij moeten de tabernakel dragen en bedienen met alles, wat er toe behoort, en zich dus rond de tabernakel legeren.
50Remets aux soins des Lévites le tabernacle du témoignage, tous ses ustensiles et tout ce qui lui appartient. Ils porteront le tabernacle et tous ses ustensiles, ils en feront le service, et ils camperont autour du tabernacle.
51Wanneer de tabernakel op moet trekken, moeten de Levieten hem afbreken, en wanneer de tabernakel stil houdt, moeten de Levieten hem oprichten; zo een onbevoegde nadert, moet hij worden gedood.
51Quand le tabernacle partira, les Lévites le démonteront; quand le tabernacle campera, les Lévites le dresseront; et l’étranger qui en approchera sera puni de mort.
52En terwijl de Israëlieten zich volgens hun legerafdelingen in hun kampement en onder hun eigen banier moeten legeren,
52Les enfants d’Israël camperont chacun dans son camp, chacun près de sa bannière, selon leurs divisions.
53moeten de Levieten zich rond de tabernakel van het Verbond legeren, om de gramschap van God niet te doen losbarsten tegen de gemeenschap van Israëls kinderen; de Levieten moeten dus de dienst van de tabernakel van het Verbond verrichten.
53Mais les Lévites camperont autour du tabernacle du témoignage, afin que ma colère n’éclate point sur l’assemblée des enfants d’Israël; et les Lévites auront la garde du tabernacle du témoignage.
54De Israëlieten volbrachten alles nauwkeurig, wat Jahweh Moses bevolen had.
54Les enfants d’Israël se conformèrent à tous les ordres que l’Éternel avait donnés à Moïse; ils firent ainsi.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.