Haggai 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand en op de eerste dag van de maand, werd het woord van Jahweh door den profeet Aggeus gericht tot Zorobabel, den zoon van Salatiël en landvoogd van Juda, en tot den hogepriester Jehosjóea, den zoon van Jehosadak:
1La seconde année du roi Darius, le premier jour du sixième mois, la parole de l’Éternel fut adressée par Aggée, le prophète, à Zorobabel, fils de Schealthiel, gouverneur de Juda, et à Josué, fils de Jotsadak, le souverain sacrificateur, en ces mots:
2Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Dit volk zegt: De tijd is nog niet gekomen, om de tempel van Jahweh te bouwen.
2Ainsi parle l’Éternel des armées: Ce peuple dit: Le temps n’est pas venu, le temps de rebâtir la maison de l’Éternel.
3Maar het woord van Jahweh werd door den profeet Aggeus verkondigd:
3C’est pourquoi la parole de l’Éternel leur fut adressée par Aggée, le prophète, en ces mots:
4Is het dan wel de tijd voor u, om in betimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis nog in puin ligt?
4Est-ce le temps pour vous d’habiter vos demeures lambrissées, Quand cette maison est détruite?
5Welnu, zo spreekt Jahweh der heirscharen: Let dan eens op, wat er met u is gebeurd!
5Ainsi parle maintenant l’Éternel des armées: Considérez attentivement vos voies!
6Ge hebt veel gezaaid, maar weinig geoogst; ge hebt gegeten, maar werdt niet verzadigd; ge hebt gedronken, maar uw dorst niet gelest; ge hebt u gekleed, maar niet verwarmd; en de werkman kreeg zijn loon in een buidel zonder bodem.
6Vous semez beaucoup, et vous recueillez peu, Vous mangez, et vous n’êtes pas rassasiés, Vous buvez, et vous n’êtes pas désaltérés, Vous êtes vêtus, et vous n’avez pas chaud; Le salaire de celui qui est à gages tombe dans un sac percé.
7Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Let eens op, wat er met u is gebeurd!
7Ainsi parle l’Éternel des armées: Considérez attentivement vos voies!
8Gaat dus de bergen in, om hout te halen, en bouwt het huis; Ik zal er mijn vreugde en glorie in vinden, spreekt Jahweh!
8Montez sur la montagne, apportez du bois, Et bâtissez la maison: J’en aurai de la joie, et je serai glorifié, Dit l’Éternel.
9Ge hebt veel verwacht, maar weinig gekregen; ge hebt het binnen gesleept, maar Ik blies het weg. Waarom? is de godsspraak van Jahweh. Omdat mijn huis in puin ligt, terwijl gij allen u rept voor uw eigen huis.
9Vous comptiez sur beaucoup, et voici, vous avez eu peu; Vous l’avez rentré chez vous, mais j’ai soufflé dessus. Pourquoi? Dit l’Éternel des armées. A cause de ma maison, qui est détruite, Tandis que vous vous empressez chacun pour sa maison.
10Daarom weigerde de hemel u dauw;
10C’est pourquoi les cieux vous ont refusé la rosée, Et la terre a refusé ses produits.
11daarom heb Ik een droogte ontboden over het land en de bergen, over koren en most, over olie en veldvrucht, over mensen en dieren, over al het werk uwer handen!
11J’ai appelé la sécheresse sur le pays, sur les montagnes, Sur le blé, sur le moût, sur l’huile, Sur ce que la terre peut rapporter, Sur les hommes et sur les bêtes, Et sur tout le travail des mains.
12Zorobabel, de zoon van Salatiël, en Jehosjóea de hogepriester, de zoon van Jehosadak, luisterden met al het overige volk naar de stem van Jahweh, hun God, en naar de woorden van den profeet Aggeus, welke Jahweh hem had gelast, tot hen te spreken. En het volk werd met vrees voor Jahweh vervuld.
12Zorobabel, fils de Schealthiel, Josué, fils de Jotsadak, le souverain sacrificateur, et tout le reste du peuple, entendirent la voix de l’Éternel, leur Dieu, et les paroles d’Aggée, le prophète, selon la mission que lui avait donnée l’Éternel, leur Dieu. Et le peuple fut saisi de crainte devant l’Éternel.
13Toen sprak Aggeüs, de gezant van Jahweh, in opdracht van Jahweh tot het volk: Ik ben met u, is de godsspraak van Jahweh!
13Aggée, envoyé de l’Éternel, dit au peuple, d’après l’ordre de l’Éternel: Je suis avec vous, dit l’Éternel.
14Zo prikkelde Jahweh de ijver van Zorobabel, den zoon van Salatiël en landvoogd van Juda, de ijver van Jehosjóea, den hogepriester en zoon van Jehosadak, de ijver ook van al het overige volk, zodat zij begonnen te werken aan het huis van Jahweh der heirscharen, hun God.
14L’Éternel réveilla l’esprit de Zorobabel, fils de Schealthiel, gouverneur de Juda, et l’esprit de Josué, fils de Jotsadak, le souverain sacrificateur, et l’esprit de tout le reste du peuple. Ils vinrent, et ils se mirent à l’œuvre dans la maison de l’Éternel des armées, leur Dieu,
15Men begon op de vier en twintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius.
15le vingt-quatrième jour du sixième mois, la seconde année du roi Darius.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.