Numeri 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1In de woestijn van de Sinaï sprak Jahweh tot Moses in de openbaringstent op de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte:
1Locutusque est Dominus ad Moysen in deserto Sinai in tabernaculo fœderis, prima die mensis secundi, anno altero egressionis eorum ex Ægypto, dicens:
2Neemt het getal op van de hele gemeenschap der Israëlieten, naar hun geslachten en families, door alle mannelijke personen hoofd voor hoofd te tellen.
2Tollite summam universæ congregationis filiorum Israël per cognationes et domos suas, et nomina singulorum, quidquid sexus est masculini
3Alle strijdbare mannen in Israël van twintig jaar af moet gij monsteren volgens hun legerkorpsen; gij en Aäron
3a vigesimo anno et supra, omnium virorum fortium ex Israël, et numerabitis eos per turmas suas, tu et Aaron.
4moeten het doen, en uit iedere stam moet één man, een familiehoofd, u helpen.
4Eruntque vobiscum principes tribuum ac domorum in cognationibus suis,
5Hier volgen de namen van de mannen, die u ter zijde moeten staan: Voor Ruben Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
5quorum ista sunt nomina: de Ruben, Elisur, filius Sedeur;
6voor Simeon Sjeloemiël, de zoon van Soerisjaddai;
6de Simeon, Salamiel filius Surisaddai;
7voor Juda Naässon, de zoon van Amminadab;
7de Juda, Nahasson filius Aminadab;
8voor Issakar Netanel, de zoon van Soear;
8de Issachar, Nathanaël filius Suar;
9voor Zabulon Eliab, de zoon van Chelon.
9de Zabulon, Eliab filius Helon;
10Voor de zonen van Josef, voor Efraïm Elisjama, de zoon van Ammihoed; voor Manasse Gamliël, de zoon van Pedasoer.
10filiorum autem Joseph, de Ephraim, Elisama filius Ammiud; de Manasse, Gamaliel filius Phadassur;
11Voor Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni;
11de Benjamin, Abidan filius Gedeonis;
12voor Dan Achiézer, de zoon van Ammisjaddai;
12de Dan, Ahiezer filius Ammisaddai;
13voor Aser Pagiël, de zoon van Okran;
13de Aser, Phegiel filius Ochran;
14voor Gad Eljasaf, de zoon van Deoeël;
14de Gad, Eliasaph filius Duel;
15voor Neftali Achira, de zoon van Enan.
15de Nephthali, Ahira filius Enan.
16Deze moeten uit de gemeenschap worden opgeroepen, als de vorsten van de stammen hunner vaderen en stamhoofden van Israël.
16Hi nobilissimi principes multitudinis per tribus et cognationes suas, et capita exercitus Israël,
17Moses en Aäron ontboden dus deze mannen, wier namen zijn opgegeven,
17quos tulerunt Moyses et Aaron cum omni vulgi multitudine:
18en riepen op de eerste van de tweede maand de hele gemeenschap bijeen. Zij werden naar hun geslachten en families opgetekend na hoofdelijke telling der personen, die twintig jaar oud waren en meer.
18et congregaverunt primo die mensis secundi, recensentes eos per cognationes, et domos, ac familias, et capita, et nomina singulorum a vigesimo anno et supra,
19Zo monsterde Moses hen in de woestijn van de Sinaï, zoals Jahweh het hem bevolen had.
19sicut præceperat Dominus Moysi. Numeratique sunt in deserto Sinai.
20De zonen, die van Ruben afstamden, Israëls eerstgeborene, werden naar hun geslachten en families, hoofd voor hoofd, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
20De Ruben primogenito Israëlis per generationes et familias ac domos suas, et nomina capitum singulorum, omne quod sexus est masculini a vigesimo anno et supra, procedentium ad bellum,
21uit de stam van Ruben bedroeg in het geheel zes en veertig duizend vijfhonderd man.
21quadraginta sex millia quingenti.
22De zonen, die van Simeon afstamden, werden naar hun geslachten en families, hoofd voor hoofd, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
22De filiis Simeon per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt per nomina et capita singulorum, omne quod sexus est masculini a vigesimo anno et supra, procedentium ad bellum,
23uit de stam van Simeon bedroeg in het geheel negen en vijftig duizend driehonderd man.
23quinquaginta novem millia trecenti.
24De zonen, die van Gad afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
24De filiis Gad per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt per nomina singulorum a viginti annis et supra, omnes qui ad bella procederent,
25uit de stam van Gad bedroeg in het geheel vijf en veertig duizend zes honderd vijftig man.
25quadraginta quinque millia sexcenti quinquaginta.
26De zonen, die van Juda afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
26De filiis Juda per generationes et familias ac domos cognationum suarum, per nomina singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
27uit de stam van Juda bedroeg in het geheel vier en zeventig duizend zeshonderd man.
27recensiti sunt septuaginta quatuor millia sexcenti.
28De zonen, die van Issakar afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
28De filiis Issachar, per generationes et familias ac domos cognationum suarum, per nomina singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui ad bella procederent,
29uit de stam van Issakar bedroeg in het geheel vier en vijftig duizend vierhonderd man.
29recensiti sunt quinquaginta quatuor millia quadringenti.
30De zonen, die van Zabulon afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
30De filiis Zabulon per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt per nomina singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
31uit de stam van Zabulon bedroeg in het geheel zeven en vijftig duizend vierhonderd man.
31quinquaginta septem millia quadringenti.
32De zonen van Josef, de zonen, die van Efraïm afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
32De filiis Joseph, filiorum Ephraim per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt per nomina singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
33uit de stam van Efraïm bedroeg in het geheel veertig duizend vijfhonderd man.
33quadraginta millia quingenti.
34De zonen, die van Manasse afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
34Porro filiorum Manasse per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt per nomina singulorum a viginti annis et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
35uit de stam van Manasse bedroeg in het geheel twee en dertig duizend tweehonderd man.
35triginta duo millia ducenti.
36De zonen, die van Benjamin afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
36De filiis Benjamin per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt nominibus singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
37uit de stam van Benjamin bedroeg in het geheel vijf en dertig duizend vierhonderd man.
37triginta quinque millia quadringenti.
38De zonen, die van Dan afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
38De filiis Dan per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt nominibus singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
39uit de stam van Dan bedroeg in het geheel twee en zestig duizend zevenhonderd man.
39sexaginta duo millia septingenti.
40De zonen, die van Aser afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
40De filiis Aser per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt per nomina singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
41uit de stam van Aser bedroeg in het geheel een en veertig duizend vijfhonderd man.
41quadraginta millia et mille quingenti.
42De zonen, die van Neftali afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
42De filiis Nephthali per generationes et familias ac domos cognationum suarum recensiti sunt nominibus singulorum a vigesimo anno et supra, omnes qui poterant ad bella procedere,
43uit de stam van Neftali bedroeg in het geheel drie en vijftig duizend vierhonderd man.
43quinquaginta tria millia quadringenti.
44Dit waren de mannen, die Moses en Aäron hadden gemonsterd tezamen met de twaalf vorsten van Israël, één uit elke stam, allen familiehoofden.
44Hi sunt, quos numeraverunt Moyses et Aaron, et duodecim principes Israël, singulos per domos cognationum suarum.
45Het totaal der gemonsterden van de Israëlieten naar hun families, alle strijdbare mannen in Israël van twintig jaar af,
45Fueruntque omnis numerus filiorum Israël per domos et familias suas a vigesimo anno et supra, qui poterant ad bella procedere,
46bedroeg zeshonderd drie duizend vijfhonderd vijftig man.
46sexcenta tria millia virorum quingenti quinquaginta.
47Maar de stam der Levieten werd niet met hen op de lijst geplaatst.
47Levitæ autem in tribu familiarum suarum non sunt numerati cum eis.
48Want Jahweh had tot Moses gezegd:
48Locutusque est Dominus ad Moysen, dicens:
49De stam van Levi moet ge niet monsteren en hun getal niet bij de andere Israëlieten opnemen.
49Tribum Levi noli numerare, neque pones summam eorum cum filiis Israël:
50De Levieten moet ge belasten met de zorg voor de tabernakel van het Verbond, voor al zijn benodigdheden en alles, wat er toe behoort. Zij moeten de tabernakel dragen en bedienen met alles, wat er toe behoort, en zich dus rond de tabernakel legeren.
50sed constitue eos super tabernaculum testimonii et cuncta vasa ejus, et quidquid ad cæremonias pertinet. Ipsi portabunt tabernaculum et omnia utensilia ejus: et erunt in ministerio, ac per gyrum tabernaculi metabuntur.
51Wanneer de tabernakel op moet trekken, moeten de Levieten hem afbreken, en wanneer de tabernakel stil houdt, moeten de Levieten hem oprichten; zo een onbevoegde nadert, moet hij worden gedood.
51Cum proficiscendum fuerit, deponent Levitæ tabernaculum; cum castrametandum, erigent. Quisquis externorum accesserit, occidetur.
52En terwijl de Israëlieten zich volgens hun legerafdelingen in hun kampement en onder hun eigen banier moeten legeren,
52Metabuntur autem castra filii Israël unusquisque per turmas et cuneos atque exercitum suum.
53moeten de Levieten zich rond de tabernakel van het Verbond legeren, om de gramschap van God niet te doen losbarsten tegen de gemeenschap van Israëls kinderen; de Levieten moeten dus de dienst van de tabernakel van het Verbond verrichten.
53Porro Levitæ per gyrum tabernaculi figent tentoria, ne fiat indignatio super multitudinem filiorum Israël, et excubabunt in custodiis tabernaculi testimonii.
54De Israëlieten volbrachten alles nauwkeurig, wat Jahweh Moses bevolen had.
54Fecerunt ergo filii Israël juxta omnia quæ præceperat Dominus Moysi.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.