Numeri
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nog sprak Jahweh tot Moses:
1Locutusque est Dominus ad Moysen, dicens:
2Maak u twee zilveren trompetten van drijfwerk. Zij zullen dienen, om de gemeenschap bijeen te roepen en de kampen te doen opbreken.
2Fac tibi duas tubas argenteas ductiles, quibus convocare possis multitudinem quando movenda sunt castra.
3Blaast men op beide, dan moet heel de gemeenschap zich bij u verzamelen aan de ingang van de openbaringstent.
3Cumque increpueris tubis, congregabitur ad te omnis turba ad ostium tabernaculi fœderis.
4Blaast men er één, dan moeten de aanvoerders, de stamhoofden van Israël, zich bij u vervoegen.
4Si semel clangueris, venient ad te principes, et capita multitudinis Israël.
5Maar laat ge ze schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die ten oosten zijn gelegerd;
5Si autem prolixior atque concisus clangor increpuerit, movebunt castra primi qui sunt ad orientalem plagam.
6laat ge ze voor de tweede maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het zuiden zijn gelegerd; laat ge ze voor de derde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het westen zijn gelegerd; en laat ge ze voor de vierde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het noorden zijn gelegerd. Het schetteren is dus een teken, om op te breken;
6In secundo autem sonitu et pari ululatu tubæ, levabunt tentoria qui habitant ad meridiem; et juxta hunc modum reliqui facient, ululantibus tubis in profectionem.
7om de gemeente bijeen te roepen, moet ge blazen, maar niet schetteren.
7Quando autem congregandus est populus, simplex tubarum clangor erit, et non concise ululabunt.
8De zonen van Aäron, de priesters, moeten op de trompetten blazen; dit is een eeuwige wet van geslacht tot geslacht.
8Filii autem Aaron sacerdotes clangent tubis: eritque hoc legitimum sempiternum in generationibus vestris.
9En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen den vijand, die u belaagt, dan moet ge op de trompetten schetteren; zo zult ge bij Jahweh, uw God, in herinnering worden gebracht, en van uw vijanden worden verlost.
9Si exieritis ad bellum de terra vestra contra hostes qui dimicant adversum vos, clangetis ululantibus tubis, et erit recordatio vestri coram Domino Deo vestro, ut eruamini de manibus inimicorum vestrorum.
10Ook op uw vreugdedagen en feesten, en op de eerste dag van uw maanden, moet ge bij uw brand- en uw vredeoffers op de trompetten blazen; zo zullen zij u bij uw God in herinnering brengen. Ik ben Jahweh, uw God!
10Siquando habebitis epulum, et dies festos, et calendas, canetis tubis super holocaustis, et pacificis victimis, ut sint vobis in recordationem Dei vestri. Ego Dominus Deus vester.
11In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag van de maand verhief zich de wolk boven de verbondstabernakel.
11Anno secundo, mense secundo, vigesima die mensis, elevata est nubes de tabernaculo fœderis:
12Toen braken de Israëlieten op, en trokken van halte tot halte uit de woestijn van de Sinaï weg. Eerst in de woestijn Paran bleef de wolk rusten.
12profectique sunt filii Israël per turmas suas de deserto Sinai, et recubuit nubes in solitudine Pharan.
13Dit was de eerste keer, dat zij optrokken volgens Jahweh’s bevel, dat hun door Moses was meegedeeld.
13Moveruntque castra primi juxta imperium Domini in manu Moysi.
14Het eerst trok de banier van het leger der Judeërs op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Naässon, de zoon van Amminadab;
14Filii Juda per turmas suas: quorum princeps erat Nahasson filius Aminadab.
15over de afdeling van de stam der Issakarieten stond Netanel, de zoon van Soear;
15In tribu filiorum Issachar fuit princeps Nathanaël filius Suar.
16over de afdeling van de stam der Zabulonieten stond Eliab, de zoon van Chelon.
16In tribu Zabulon erat princeps Eliab filius Helon.
17Dan werd de tabernakel neergehaald, en braken de zonen van Gersjon en Merari op, die de tabernakel moesten dragen.
17Depositumque est tabernaculum, quod portantes egressi sunt filii Gerson et Merari.
18Daarna trok de banier van het leger der Rubenieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
18Profectique sunt et filii Ruben, per turmas et ordinem suum: quorum princeps erat Helisur filius Sedeur.
19over de afdeling van de stam der Simeonieten stond Sjeloemiël, de zoon van Soerisjaddai;
19In tribu autem filiorum Simeon, princeps fuit Salamiel filius Surisaddai.
20over de afdeling van de stam der Gadieten stond Eljasaf, de zoon van Deoeël.
20Porro in tribu Gad erat princeps Eliasaph filius Duel.
21Dan braken de zonen van Kehat op, die de heilige zaken moesten dragen. Als zij ergens aankwamen, had men de tabernakel weer opgericht.
21Profectique sunt et Caathitæ portantes sanctuarium. Tamdiu tabernaculum portabatur, donec venirent ad erectionis locum.
22Vervolgens trok de banier van het leger der Efraïmieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisjama, de zoon van Ammihoed;
22Moverunt castra et filii Ephraim per turmas suas, in quorum exercitu princeps erat Elisama filius Ammiud.
23over de afdeling van de stam der Manassieten stond Gamliël, de zoon van Pedasoer;
23In tribu autem filiorum Manasse princeps fuit Gamaliel filius Phadassur.
24over de afdeling van de stam der Benjamieten stond Abidan, de zoon van Gidoni.
24Et in tribu Benjamin erat dux Abidan filius Gedeonis.
25Als achterhoede van alle legers trok de banier van het leger der Danieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Achiézer, de zoon van Ammisjaddai.
25Novissimi castrorum omnium profecti sunt filii Dan per turmas suas, in quorum exercitu princeps fuit Ahiezer filius Ammisaddai.
26Over de afdeling van de stam der Aserieten stond Pagiël, de zoon van Okran;
26In tribu autem filiorum Aser erat princeps Phegiel filius Ochran.
27over de afdeling van de stam der Neftalieten stond Achira, de zoon van Enan.
27Et in tribu filiorum Nephthali princeps fuit Ahira filius Enan.
28Dit was de rangschikking der Israëlieten, ingedeeld naar hun afdelingen. Toen zij vertrokken,
28Hæc sunt castra, et profectiones filiorum Israël per turmas suas quando egrediebantur.
29sprak Moses tot zijn schoonvader Chobab, den zoon van Reoeël, den Midjaniet: Wij vertrekken naar de plaats, die Jahweh ons beloofd heeft te geven. Ga met ons mee, en wij zullen goed voor u zijn; want Jahweh heeft geluk beloofd aan Israël.
29Dixitque Moyses Hobab filio Raguel Madianitæ, cognato suo: Proficiscimur ad locum quem Dominus daturus est nobis: veni nobiscum, ut benefaciamus tibi, quia Dominus bona promisit Israëli.
30Maar hij gaf hem ten antwoord: Ik ga niet met u mee, maar ik vertrek naar mijn land en mijn geboortegrond.
30Cui ille respondit: Non vadam tecum, sed revertar in terram meam, in qua natus sum.
31Hij sprak: Verlaat ons toch niet; want gij kent de geschikte legerplaatsen voor ons in de woestijn, en gij kunt onze gids zijn.
31Et ille: Noli, inquit, nos relinquere: tu enim nosti in quibus locis per desertum castra ponere debeamus, et eris ductor noster.
32Wanneer gij met ons meegaat, dan zullen wij ook u in de voorspoed doen delen, die Jahweh ons zal schenken.
32Cumque nobiscum veneris, quidquid optimum fuerit ex opibus, quas nobis traditurus est Dominus, dabimus tibi.
33Zo trokken zij weg van de berg van Jahweh drie dagreizen ver. Want de ark van Jahweh’s Verbond ging drie dagen lang voor hen uit, om voor hen een rustplaats te zoeken;
33Profecti sunt ergo de monte Domini viam trium dierum, arcaque fœderis Domini præcedebat eos, per dies tres providens castrorum locum.
34ook toen zij uit de legerplaats waren opgetrokken, bleef de wolk van Jahweh overdag boven hen.
34Nubes quoque Domini super eos erat per diem cum incederent.
35Als de ark dan optrok, sprak Moses: Rijs op, Jahweh, en uw vijanden stuiven uiteen, Die U haten vluchten weg voor uw aanschijn!
35Cumque elevaretur arca, dicebat Moyses: Surge, Domine, et dissipentur inimici tui, et fugiant qui oderunt te, a facie tua.
36En als zij stil hield, sprak hij: Zet U neder, o Jahweh Bij de duizend maal tienduizenden van Israël!
36Cum autem deponeretur, aiebat: Revertere, Domine, ad multitudinem exercitus Israël.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.