1 Makkabeeen 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nadat Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, die uit het land Kittim was komen opzetten, Darius, den koning van Perzen en Meden, geheel had verslagen, volgde hij hem op als wereldheerser, na eerst alleen over Griekenland te hebben geregeerd.
1Et factum est, postquam percussit Alexander Philippi Macedo, qui primus regnavit in Græcia, egressus de terra Cethim, Darium regem Persarum et Medorum:
2Talrijk waren zijn krijgstochten: hij veroverde vestingen en vermoordde koningen;
2constituit prælia multa, et obtinuit omnium munitiones, et interfecit reges terræ,
3tot aan de grenzen der aarde drong hij door, en brandschatte vele volkeren. De aarde durfde zich voor hem niet verroeren, en hij begon er hoogmoedig en verwaand van te worden.
3et pertransiit usque ad fines terræ: et accepit spolia multitudinis gentium, et siluit terra in conspectu ejus.
4Hij bracht een ontzaggelijk leger op de been, maakte zich meester van landen, volken en vorsten, en liet hen schatting opbrengen.
4Et congregavit virtutem, et exercitum fortem nimis: et exaltatum est, et elevatum cor ejus:
5Toen werd hij ziek. En daar hij begreep, dat hij sterven ging,
5et obtinuit regiones gentium, et tyrannos: et facti sunt illi in tributum.
6ontbood hij zijn eerste vertrouwelingen, die van jongsaf met hem waren opgevoed, en verdeelde nog bij zijn leven zijn rijk onder hen.
6Et post hæc decidit in lectum, et cognovit quia moreretur.
7Alexander had twaalf jaar geregeerd, toen de dood hem verraste.
7Et vocavit pueros suos nobiles, qui secum erant nutriti a juventute: et divisit illis regnum suum, cum adhuc viveret.
8Zijn vertrouwelingen, die het gebied bestuurden, dat ieder van hen was toegewezen,
8Et regnavit Alexander annis duodecim, et mortuus est.
9lieten zich allen na zijn dood tot koning kronen. Later deden hun zonen jarenlang hetzelfde, en brachten veel ellende over het land.
9Et obtinuerunt pueri ejus regnum, unusquisque in loco suo:
10Uit hen nu ontsproot een goddeloos wicht, Antiochus Epifanes, een zoon van koning Antiochus. Hij was in Rome gijzelaar geweest, en kwam aan de regering in het jaar 137 van de griekse heerschappij.
10et imposuerunt omnes sibi diademata post mortem ejus, et filii eorum post eos annis multis, et multiplicata sunt mala in terra.
11In die tijd nu trokken er enige afvallige Israëlieten op uit, om veel anderen voor het volgende plan te winnen: Laat ons vriendschap gaan sluiten met de heidenen uit onze omgeving; want sinds wij de omgang met hen hebben verbroken, worden we telkens door rampen getroffen.
11Et exiit ex eis radix peccatrix, Antiochus illustris, filius Antiochi regis, qui fuerat Romæ obses: et regnavit in anno centesimo trigesimo septimo regni Græcorum.
12Dit voorstel vond bijval;
12In diebus illis, exierunt ex Israël filii iniqui, et suaserunt multis, dicentes: Eamus, et disponamus testamentum cum gentibus, quæ circa nos sunt: quia ex quo recessimus ab eis, invenerunt nos multa mala.
13en enige mannen uit het volk verklaarden zich aanstonds bereid, om naar den koning te gaan. Nadat deze hun volmacht verleend had, om de gebruiken der heidenen in te voeren,
13Et bonus visus est sermo in oculis eorum.
14bouwden zij in Jerusalem een athletenschool, zoals de heidenen hadden,
14Et destinaverunt aliqui de populo, et abierunt ad regem: et dedit illis potestatem ut facerent justitiam gentium.
15lieten bij zich de besnijdenis wegwerken en verzaakten aldus aan het heilig verbond. Ze heulden met de heidenen en verkochten zich aan de zonde.
15Et ædificaverunt gymnasium in Jerosolymis secundum leges nationum:
16Zodra Antiochus de overtuiging had, dat zijn heerschappij genoeg was bevestigd, vatte hij het plan op, zijn macht ook over Egypte uit te strekken en zodoende over twee landen te regeren.
16et fecerunt sibi præputia, et recesserunt a testamento sancto, et juncti sunt nationibus, et venundati sunt ut facerent malum.
17Hij trok dus tegen Egypte op met een ontzaggelijk leger, met strijdwagens, olifanten en ruiters, en tevens met een grote vloot,
17Et paratum est regnum in conspectu Antiochi, et cœpit regnare in terra Ægypti ut regnaret super duo regna.
18en viel Ptoleméus, den egyptischen koning, aan Ptoleméus sloeg voor hem op de vlucht en wist te ontkomen. Maar velen werden er gewond en gedood;
18Et intravit in Ægyptum in multitudine gravi, in curribus, et elephantis, et equitibus, et copiosa navium multitudine:
19de vestingen in Egypte werden veroverd en het Egypteland leeggeplunderd.
19et constituit bellum adversus Ptolemæum regem Ægypti, et veritus est Ptolemæus a facie ejus, et fugit, et ceciderunt vulnerati multi.
20Nadat Antiochus Egypte verslagen had, keerde hij in het jaar 143 terug, en trok met een geweldig leger op tegen Israël en Jerusalem.
20Et comprehendit civitates munitas in terra Ægypti, et accepit spolia terræ Ægypti.
21Brutaalweg drong hij het heiligdom binnen, nam er het gouden reukofferaltaar weg, de kandelaar met alles wat daarbij behoorde,
21Et convertit Antiochus, postquam percussit Ægyptum in centesimo et quadragesimo tertio anno: et ascendit ad Israël,
22de tafel der toonbroden, offerschalen en schotels, de gouden wierookvaten, het voorhangsel, en rukte alle gouden kransen en andere versieringen aan de tempelgevel af.
22et ascendit Jerosolymam in multitudine gravi.
23Hij stal het zilver en goud, de kostbare benodigdheden met al wat hij aan verborgen schatten kon vinden,
23Et intravit in sanctificationem cum superbia, et accepit altare aureum, et candelabrum luminis, et universa vasa ejus, et mensam propositionis, et libatoria, et phialas, et mortariola aurea, et velum, et coronas, et ornamentum aureum, quod in facie templi erat: et comminuit omnia.
24en trok met heel die buit terug naar zijn land. Ook richtte hij een bloedbad aan, en braakte godslasteringen uit.
24Et accepit argentum, et aurum, et vasa concupiscibilia: et accepit thesauros occultos, quos invenit: et sublatis omnibus, abiit in terram suam.
25Toen barstte er in heel Israëls gebied een luide weeklacht los,
25Et fecit cædem hominum, et locutus est in superbia magna.
26En vorsten en oudsten begonnen te jammeren; Meisjes en jongelingen kwijnden weg, De schoonheid der vrouwen verwelkte.
26Et factus est planctus magnus in Israël, et in omni loco eorum:
27Iedere bruidegom was in rouw, De bruid zat in haar kamer te klagen;
27et ingemuerunt principes et seniores; virgines et juvenes infirmati sunt: et speciositas mulierum immutata est.
28Het land was geschokt om zijn bewoners, Heel het huis van Jakob met schande bedekt.
28Omnis maritus sumpsit lamentum, et quæ sedebant in thoro maritali, lugebant:
29Twee jaar later zond de koning den bevelhebber der Musiërs naar de steden van Juda. Toen deze met een groot leger voor Jerusalem verscheen,
29et commota est terra super habitantes in ea, et universa domus Jacob induit confusionem.
30bood hij hun zulke sluwe vredesvoorstellen aan, dat zij vertrouwen in hem stelden. Maar geheel onverwacht bestormde hij de stad, bracht haar een geweldige nederlaag toe, en vermoordde een groot aantal Israëlieten.
30Et post duos annos dierum, misit rex principem tributorum in civitates Juda, et venit Jerusalem cum turba magna.
31Hij plunderde de stad, stak haar in brand, en liet huizen en ringmuren omverhalen.
31Et locutus est ad eos verba pacifica in dolo: et crediderunt ei.
32Vrouwen en kinderen werden gevangen genomen, en er werd beslag gelegd op het vee.
32Et irruit super civitatem repente, et percussit eam plaga magna, et perdidit populum multum ex Israël.
33Daarna herbouwden ze de Davidstad met hoge sterke muren en zware torens zodat zij een burcht voor hen werd.
33Et accepit spolia civitatis: et succendit eam igni, et destruxit domos ejus, et muros ejus in circuitu:
34Zij legden er een bezetting van goddeloze soldaten en afvalligen, die er zich in versterkten.
34et captivas duxerunt mulieres, et natos et pecora possederunt.
35Ook voorzagen zij haar van wapens en levensmiddelen, terwijl de buit, die zij uit Jerusalem hadden weggesleept, hier eveneens werd ondergebracht. Zo werd de burcht een grote valstrik.
35Et ædificaverunt civitatem David muro magno et firmo, et turribus firmis, et facta est illis in arcem:
36Voor het heiligdom werd ze een hinderlaag, Voor Israël een steeds dreigende satan.
36et posuerunt illic gentem peccatricem viros iniquos, et convaluerunt in ea: et posuerunt arma, et escas, et congregaverunt spolia Jerusalem:
37Rondom het heiligdom vergoten zij onschuldig bloed, En ontwijdden de heilige plaats.
37et reposuerunt illic: et facti sunt in laqueum magnum.
38Jerusalems burgers sloegen voor hen op de vlucht, En zij werd een woonplaats voor vreemden; Voor het eigen kroost een onbekende, Door haar eigen kinderen verlaten.
38Et factum est hoc ad insidias sanctificationi, et in diabolum malum in Israël:
39Haar heiligdom was leeg als een steppe, Haar feesten verkeerden in rouw; Haar sabbatdagen in spot, Haar waardigheid in verachting.
39et effuderunt sanguinem innocentem per circuitum sanctificationis, et contaminaverunt sanctificationem.
40Naar de maat van haar vroegere luister Werd zij met schande vervuld; En haar glorie van vroeger Werd in kommer veranderd.
40Et fugerunt habitatores Jerusalem propter eos, et facta est habitatio exterorum, et facta est extera semini suo, et nati ejus reliquerunt eam.
41Daarna vaardigde koning Antiochus voor heel zijn rijk het bevel uit, dat allen één volk moesten worden,
41Sanctificatio ejus desolata est sicut solitudo; dies festi ejus conversi sunt in luctum, sabbata ejus in opprobrium, honores ejus in nihilum.
42en dat iedereen zijn eigen gebruiken moest opgeven. Alle volken legden zich neer bij dit koninklijk bevel,
42Secundum gloriam ejus multiplicata est ignominia ejus, et sublimitas ejus conversa est in luctum.
43en zelfs onder de Israëlieten waren er velen, die de godsdienst van den koning omhelsden, aan de afgoden offerden en de sabbat schonden.
43Et scripsit rex Antiochus omni regno suo ut esset omnis populus unus: et relinqueret unusquisque legem suam.
44Ook naar Jerusalem en de steden van Juda zond de koning beambten met brieven, waarin werd bevolen, dat zij zich moesten aanpassen aan de uitheemse levenswijze.
44Et consenserunt omnes gentes secundum verbum regis Antiochi:
45Men moest een eind maken aan de slacht-, brand- en plengoffers in de tempel, de sabbat en andere feesten ontheiligen,
45et multi ex Israël consenserunt servituti ejus, et sacrificaverunt idolis, et coinquinaverunt sabbatum.
46en de tempel met de heilige personen ontwijden.
46Et misit rex libros per manus nuntiorum in Jerusalem, et in omnes civitates Juda, ut sequerentur leges gentium terræ,
47Men moest altaren, heilige plaatsen en afgodstempels oprichten, en er het vlees van varkens en andere onreine dieren offeren.
47et prohiberent holocausta et sacrificia, et placationes fieri in templo Dei,
48Men moest zijn zonen onbesneden laten, en hun zielen met allerlei bederf en onreinheid bezoedelen,
48et prohiberent celebrari sabbatum, et dies solemnes:
49zodat zij de wet zouden vergeten en al haar bevelen laten varen.
49et jussit coinquinari sancta, et sanctum populum Israël.
50En wie niet zou gehoorzamen aan het bevel van den koning, zou worden gedood.
50Et jussit ædificari aras, et templa, et idola, et immolari carnes suillas, et pecora communia,
51Zo luidden de bevelschriften, die hij in heel zijn rijk liet verbreiden. Tegelijkertijd stelde hij toeziende beambten aan over de gehele bevolking met de opdracht, dat alle steden van Juda één voor één moesten offeren.
51et relinquere filios suos incircumcisos, et coinquinari animas eorum in omnibus immundis, et abominationibus, ita ut obliviscerentur legem, et immutarent omnes justificationes Dei:
52Nu sloot zich een groot gedeelte der bevolking bij hen aan, namelijk allen, die afvallig werden van de wet.
52et quicumque non fecissent secundum verbum regis Antiochi, morerentur.
53Overal in het land gaf men zich over aan het kwaad, zodat de goede Israëlieten gedwongen werden, zich op alle mogelijke schuilplaatsen verborgen te houden.
53Secundum omnia verba hæc scripsit omni regno suo: et præposuit principes populo, qui hæc fieri cogerent.
54Op de vijftiende Kislew van het jaar 145 plaatsten ze de gruwel der ontheiliging op het offeraltaar, terwijl men overal in de steden van Juda altaren oprichtte,
54Et jusserunt civitatibus Juda sacrificare.
55en reukoffers ging brengen voor de huisdeuren en op de straten.
55Et congregati sunt multi de populo ad eos qui dereliquerant legem Domini, et fecerunt mala super terram:
56Alle wetboeken, die men kon opsporen, werden in stukken gescheurd en verbrand;
56et effugaverunt populum Israël in abditis, et in absconditis fugitivorum locis.
57en iedereen, bij wien een boek van het verbond werd ontdekt, of die aan de wet vasthield, werd volgens koninklijk besluit ter dood gebracht.
57Die quintadecima mensis Casleu, quinto et quadragesimo et centesimo anno, ædificavit rex Antiochus abominandum idolum desolationis super altare Dei, et per universas civitates Juda in circuitu ædificaverunt aras:
58Met dergelijke geweldmaatregelen gingen zij maandenlang tegen iederen Israëliet te keer, die zij in een of andere stad konden betrappen.
58et ante januas domorum et in plateis incendebant thura, et sacrificabant:
59De vijf en twintigste van de maand offerden zij op het altaar, dat op het brandofferaltaar was geplaatst.
59et libros legis Dei combusserunt igni, scindentes eos:
60Volgens voorschrift vermoordden zij de vrouwen, die haar kinderen hadden laten besnijden,
60et apud quemcumque inveniebantur libri testamenti Domini, et quicumque observabat legem Domini, secundum edictum regis trucidabant eum.
61hingen haar de kinderen aan de hals, en plunderden haar huizen; en men doodde hen, die de besnijdenis hadden voltrokken.
61In virtute sua faciebant hæc populo Israël, qui inveniebatur in omni mense et mense in civitatibus.
62Toch waren er veel Israëten, die standvastig waren en vastbesloten bleven, geen onreine spijzen te eten.
62Et quinta et vigesima die mensis sacrificabant super aram, quæ erat contra altare.
63Zij wilden liever sterven, dan zich aan spijzen verontreinigen en het heilig verbond verbreken. Zij stierven dan ook.
63Et mulieres, quæ circumcidebant filios suos, trucidabantur secundum jussum regis Antiochi,
64En ontzettend zwaar bleef Gods toorn op Israël drukken.
64et suspendebant pueros a cervicibus per universas domos eorum: et eos, qui circumciderant illos, trucidabant.
no verse 65 in this text
65Et multi de populo Israël definierunt apud se, ut non manducarent immunda: et elegerunt magis mori, quam cibis coinquinari immundis:
no verse 66 in this text
66et noluerunt infringere legem Dei sanctam, et trucidati sunt:
no verse 67 in this text
67et facta est ira magna super populum valde.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.