Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Intussen had Górgias vijfduizend man voetvolk en duizend uitstekende ruiters uitgekozen, en was in de nacht uit de legerplaats opgetrokken,
1Et assumpsit Gorgias quinque millia virorum, et mille equites electos: et moverunt castra nocte,
2om het kamp der Joden te overrompelen en hen onverwacht neer te slaan; soldaten uit de burcht zouden hem de weg wijzen.
2ut applicarent ad castra Judæorum, et percuterent eos subito: et filii, qui erant ex arce, erant illis duces.
3Zodra Judas dit vernam, rukte ook hij met zijn troepen op; hij wilde de koninklijke weermacht, die bij Emmaus lag, een slag toebrengen,
3Et audivit Judas, et surrexit ipse et potentes percutere virtutem exercituum regis, qui erant in Emmaum:
4terwijl de andere troep nog ver van de legerplaats was verspreid.
4adhuc enim dispersus erat exercitus a castris.
5Toen Górgias dus in de nacht bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand meer aan. Hij ging ze nu in de bergen zoeken; want hij dacht bij zichzelf: Die zijn voor ons op de vlucht!
5Et venit Gorgias in castra Judæ noctu, et neminem invenit: et quærebat eos in montibus, quoniam dixit: Fugiunt hi a nobis.
6In alle vroegte verscheen Judas in de vlakte met drieduizend man. Ze beschikten echter niet over pantsers en zwaarden, zoals ze zo gaarne hadden gehad,
6Et cum dies factus esset, apparuit Judas in campo cum tribus millibus virorum tantum, qui tegumenta et gladios non habebant:
7nu ze de zware verschansingen van het heidenkamp zagen, met ruiterij in de flank, en met geschoolde soldaten.
7et viderunt castra gentium valida, et loricatos et equitatus in circuitu eorum, et hi docti ad prælium.
8Maar Judas sprak tot zijn mannen: Weest niet bang voor hun overmacht en laat de moed niet zinken, als zij aan komen stormen.
8Et ait Judas viris, qui secum erant: Ne timueritis multitudinem eorum, et impetum eorum ne formidetis.
9Denkt er aan, hoe onze vaderen in de Rode Zee werden gered, toen Farao hen met zijn leger achtervolgde.
9Mementote qualiter salvi facti sunt patres nostri in mari Rubro, cum sequeretur eos Pharao cum exercitu multo.
10Roepen wij thans de Hemel aan, dat Hij Zich onzer ontfermt, het verbond onzer vaderen gedenkt, en dit leger vandaag nog voor onze ogen vernietigt.
10Et nunc clamemus in cælum: et miserebitur nostri Dominus, et memor erit testamenti patrum nostrorum, et conteret exercitum istum ante faciem nostram hodie:
11Dan zal de hele wereld weten, dat er Iemand is, die voor Israël opkomt, en het redding brengt!
11et scient omnes gentes quia est qui redimat et liberet Israël.
12Toen nu de heidenen opkeken en hen zagen aanrukken,
12Et elevaverunt alienigenæ oculos suos, et viderunt eos venientes ex adverso.
13verlieten zij het kamp, om de strijd aan te binden. En terwijl de mannen van Judas op de trompetten bliezen,
13Et exierunt de castris in prælium, et tuba cecinerunt hi qui erant cum Juda.
14stormde men op elkander in. De heidenen werden verslagen, en namen de vlucht naar de vlakte.
14Et congressi sunt: et contritæ sunt gentes, et fugerunt in campum.
15Die achteraan kwamen werden over de kling gejaagd; de anderen werden vervolgd tot aan Gézer en het laagland van Judea en tot Asjdod en Jámnia. Er sneuvelden van hen ongeveer drieduizend man.
15Novissimi autem omnes ceciderunt in gladio, et persecuti sunt eos usque Gezeron, et usque in campos Idumææ, et Azoti, et Jamniæ: et ceciderunt ex illis usque ad tria millia virorum.
16Nadat Judas met zijn leger van de achtervolging was teruggekeerd,
16Et reversus est Judas, et exercitus ejus sequens eum.
17sprak hij tot het volk: Begeert thans geen buit; er staat ons nog een veldslag te wachten.
17Dixitque ad populum: Non concupiscatis spolia: quia bellum contra nos est,
18Want Górgias staat vlak bij ons met zijn leger in de bergen. Stelt u dus tegen onze vijanden op, en slaat ze neer; dan kunt gij buit maken, zolang als gij wilt.
18et Gorgias et exercitus ejus prope nos in monte: sed state nunc contra inimicos nostros, et expugnate eos, et sumetis postea spolia securi.
19Terwijl Judas nog sprak, zag men een legerafdeling omzichtig uit het gebergte te voorschijn komen.
19Et adhuc loquente Juda hæc, ecce apparuit pars quædam prospiciens de monte.
20Maar die begrepen terstond, dat zij de nederlaag hadden geleden, en dat het kamp stond te branden; want uit de rook, die zichtbaar was, bleek duidelijk, wat er gebeurd was.
20Et vidit Gorgias quod in fugam conversi sunt sui, et succenderunt castra: fumus enim, qui videbatur, declarabat quod factum est.
21Bij deze ontdekking schrokken ze hevig, en daar ze zagen, dat het leger van Judas in de vlakte voor de aanval gereed stond,
21Quibus illi conspectis timuerunt valde, aspicientes simul et Judam, et exercitum in campo paratum ad prælium.
22sloegen ze allen op de vlucht naar het land der Filistijnen.
22Et fugerunt omnes in campum alienigenarum:
23Nu eerst trok Judas op de legerplaats af, om ze te plunderen; zij maakten veel goud en zilver buit, met violetten en echt purperen stoffen en allerlei kostbaarheden.
23et Judas reversus est ad spolia castrorum, et acceperunt aurum multum, et argentum, et hyacinthinum, et purpuram marinam, et opes magnas.
24En op de terugtocht zongen ze de Hemel lof- en dankliederen toe: “Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid!”
24Et conversi, hymnum canebant, et benedicebant Deum in cælum, quoniam bonus est, quoniam in sæculum misericordia ejus.
25Want die dag was Israël een grote redding geschonken.
25Et facta est salus magna in Israël in die illa.
26De heidenen, die ontkomen waren, gingen allen naar Lúsias en deelden hem alles mee, wat er gebeurd was.
26Quicumque autem alienigenarum evaserunt, venerunt, et nuntiaverunt Lysiæ universa quæ acciderant.
27Deze berichten brachten hem geheel en al van zijn stuk, omdat het met Israël niet gegaan was, zoals hij zich had voorgesteld, en er niets was terechtgekomen van wat de koning hem had opgedragen.
27Quibus ille auditis, consternatus animo deficiebat: quod non qualia voluit, talia contigerunt in Israël, et qualia mandavit rex.
28Daarom wierf hij het volgende jaar een leger aan van zestigduizend uitstekende soldaten en vijfduizend ruiters, om voor goed met hen af te rekenen.
28Et sequenti anno, congregavit Lysias virorum electorum sexaginta millia, et equitum quinque millia, ut debellaret eos.
29Zij rukten Idumea binnen, en sloegen hun kamp op in Bet-Soer. Maar Judas trok hun met tienduizend man tegemoet.
29Et venerunt in Judæam, et castra posuerunt in Bethoron, et occurrit illis Judas cum decem millibus viris.
30Bij het zien van het geweldige leger begon hij te bidden, en sprak: Geprezen zijt Gij, Redder van Israël, die de aanval van den reus door de hand van uw dienaar David gebroken, en die het legerkamp der Filistijnen hebt overgeleverd in de handen van Jonatan, den zoon van Saul, en van diens wapendrager.
30Et viderunt exercitum fortem, et oravit, et dixit: Benedictus es, salvator Israël, qui contrivisti impetum potentis in manu servi tui David, et tradidisti castra alienigenarum in manu Jonathæ filii Saul, et armigeri ejus.
31Breng nu ook dit leger in de hand van uw volk, zodat ze voor schande komen te staan met hun legermacht en hun ruiterij.
31Conclude exercitum istum in manu populi tui Israël, et confundantur in exercitu suo et equitibus.
32Jaag ze de schrik op het lijf, verlam hun brutaal geweld, verbijster hen om hun nederlaag,
32Da illis formidinem, et tabefac audaciam virtutis eorum, et commoveantur contritione sua.
33en sla ze neer met het zwaard van hen, die U liefhebben. Dan zullen allen, die uw Naam kennen, U met lofzangen prijzen!
33Dejice illos gladio diligentium te: et collaudent te omnes, qui noverunt nomen tuum, in hymnis.
34Daarna stormden zij op elkander in; het werd een strijd van man tegen man, en van Lúsias' leger sneuvelden ongeveer vijfduizend soldaten.
34Et commiserunt prælium: et ceciderunt de exercitu Lysiæ quinque millia virorum.
35Toen Lúsias de nederlaag van zijn eigen leger moest aanzien, en de moed zag stijgen van Judas' troepen, die vast besloten waren te leven of eervol te sterven, trok hij naar Antiochië terug. Daar wierf hij huurtroepen aan, om opnieuw Judea binnen te rukken, als het leger weer voltallig zou zijn.
35Videns autem Lysias fugam suorum, et Judæorum audaciam, et quod parati sunt aut vivere, aut mori fortiter, abiit Antiochiam, et elegit milites, ut multiplicati rursus venirent in Judæam.
36Nu spraken Judas en zijn broers: Ziet, onze vijanden zijn verslagen! Laat ons nu optrekken, om het heiligdom te reinigen en het wederom in te wijden.
36Dixit autem Judas, et fratres ejus: Ecce contriti sunt inimici nostri: ascendamus nunc mundare sancta, et renovare.
37En het gehele leger kwam weer bijeen, en rukte op naar de Sionsberg.
37Et congregatus est omnis exercitus, et ascenderunt in montem Sion.
38Maar toen ze het heiligdom verwoest zagen liggen, het altaar ontwijd, de poorten verbrand, de voorhoven vol onkruid, opgeschoten als in een bos of op een van de bergen, en de zijvertrekken vernield:
38Et viderunt sanctificationem desertam, et altare profanatum, et portas exustas, et in atriis virgulta nata sicut in saltu vel in montibus, et pastophoria diruta.
39scheurden zij hun klederen, hieven een luide jammerklacht aan, bestrooiden zich met as,
39Et sciderunt vestimenta sua, et planxerunt planctu magno, et imposuerunt cinerem super caput suum,
40wierpen zich plat ter aarde, bliezen op de alarmbazuinen en schreiden ten hemel.
40et ceciderunt in faciem super terram, et exclamaverunt tubis signorum, et clamaverunt in cælum.
41Daarop wees Judas een groep soldaten aan, die de burchtbezetting in bedwang moesten houden, totdat hij de tempel had gereinigd.
41Tunc ordinavit Judas viros ut pugnarent adversus eos qui erant in arce, donec emundarent sancta.
42Vervolgens koos hij enige priesters uit van onbesproken gedrag en trouw aan de wet;
42Et elegit sacerdotes sine macula, voluntatem habentes in lege Dei:
43en dezen reinigden het heiligdom, en smeten de stenen van het afgodsaltaar op een onreine plaats.
43et mundaverunt sancta, et tulerunt lapides contaminationis in locum immundum.
44Daarna beraadslaagden zij, wat ze met het ontheiligde brandofferaltaar zouden doen;
44Et cogitavit de altari holocaustorum, quod profanatum erat, quid de eo faceret.
45en ze kwamen op de goede gedachte, het maar af te breken, om er later niet mee te worden bespot, omdat het door de heidenen was ontreinigd. Zij braken dus het altaar af,
45Et incidit illis consilium bonum ut destruerent illud: ne forte illis esset in opprobrium, quia contaminaverunt illud gentes, et demoliti sunt illud.
46maar legden de stenen op een passende plaats van de tempelberg, totdat een profeet zou opstaan, die beslissen kon, wat er mee moest gebeuren.
46Et reposuerunt lapides in monte domus in loco apto, quoadusque veniret propheta, et responderet de eis.
47Nu namen zij, zoals het was voorgeschreven, ongehouwen stenen en bouwden een nieuw altaar, gelijk aan het vorige.
47Et acceperunt lapides integros secundum legem, et ædificaverunt altare novum secundum illud quod fuit prius:
48Daarna herstelden ze het heiligdom, en wijdden het inwendige van de tempel en de voorhoven in.
48et ædificaverunt sancta, et quæ intra domum erant intrinsecus: et ædem, et atria sanctificaverunt.
49Ze lieten nieuwe heilige vaten vervaardigen, brachten de kandelaar, het reukofferaltaar en de tafel in de tempel,
49Et fecerunt vasa sancta nova, et intulerunt candelabrum, et altare incensorum, et mensam, in templum.
50lieten wierook branden op het reukofferaltaar, staken de lampen op de kandelaar aan, zodat ze de tempel weer verlichtten,
50Et incensum posuerunt super altare, et accenderunt lucernas quæ super candelabrum erant, et lucebant in templo.
51legden de broden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Toen ze alles, wat ze hadden ondernomen, gelukkig hadden voltooid,
51Et posuerunt super mensam panes, et appenderunt vela, et consummaverunt omnia opera quæ fecerant.
52brachten ze in de vroege morgen van de vijf en twintigste der negende maand, dus in de maand Kislew van het jaar 148,
52Et ante matutinum surrexerunt quinta et vigesima die mensis noni (hic est mensis Casleu) centesimi quadragesimi octavi anni:
53een offer volgens de wet op het nieuw gebouwde brandofferaltaar.
53et obtulerunt sacrificium secundum legem super altare holocaustorum novum, quod fecerunt.
54Het was juist op hetzelfde uur en op dezelfde dag waarop de heidenen het hadden ontheiligd, dat het weer werd ingewijd onder lofgezang, begeleid met citers, harpen en cymbalen.
54Secundum tempus et secundum diem in qua contaminaverunt illud gentes, in ipsa renovatum est in canticis, et citharis, et cinyris, et in cymbalis.
55En heel het volk viel in aanbidding neer, en loofde de Hemel, die hun zoveel voorspoed had geschonken.
55Et cecidit omnis populus in faciem, et adoraverunt, et benedixerunt in cælum eum, qui prosperavit eis.
56Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaarwijding, waarbij ze vol blijdschap brandoffers opdroegen, en dank- en lofoffers brachten.
56Et fecerunt dedicationem altaris diebus octo, et obtulerunt holocausta cum lætitia, et sacrificium salutaris et laudis.
57Ze versierden de tempelgevel met gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en zijvertrekken, en zetten de deuren erin.
57Et ornaverunt faciem templi coronis aureis et scutulis, et dedicaverunt portas et pastophoria, et imposuerunt eis januas.
58En er heerste een grote vreugde onder het volk, omdat de ontering der heidenen was weggenomen.
58Et facta est lætitia in populo magna valde, et aversum est opprobrium gentium.
59Daarom nam Judas met zijn broers en heel het volk van Israël het besluit, om zolang zij leefden, elk jaar de dagen van de altaarwijding in vreugde en blijdschap te vieren, en wel acht dagen lang, te beginnen met de vijf en twintigste dag van de maand Kislew.
59Et statuit Judas, et fratres ejus, et universa ecclesia Israël, ut agatur dies dedicationis altaris in temporibus suis ab anno in annum per dies octo a quinta et vigesima die mensis Casleu, cum lætitia et gaudio.
60Tegelijkertijd begonnen ze met de aanleg van hoge ringmuren en zware torens rond de berg Sion, om te verhinderen dat de heidenen het heiligdom zouden binnendringen en het evenals vroeger vernielen;
60Et ædificaverunt in tempore illo montem Sion, et per circuitum muros altos et turres firmas, nequando venirent gentes, et conculcarent eum sicut antea fecerunt.
61hij legde er een bezetting in, om ze te bewaken. Bovendien versterkte hij Bet-Soer tot een verdedigingspost, om de bevolking tegen Iduméa te beschermen.
61Et collocavit illic exercitum, ut servarent eum, et munivit eum ad custodiendum Bethsuram, ut haberet populus munitionem contra faciem Idumææ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.