Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Intussen had Górgias vijfduizend man voetvolk en duizend uitstekende ruiters uitgekozen, en was in de nacht uit de legerplaats opgetrokken,
1Then Gorgias took five thousand men, and a thousand of the best horsemen: and they removed out of the camp by night.
2om het kamp der Joden te overrompelen en hen onverwacht neer te slaan; soldaten uit de burcht zouden hem de weg wijzen.
2That they might come upon the camp of the Jews, and strike them suddenly: and the men that were of the castle were their guides.
3Zodra Judas dit vernam, rukte ook hij met zijn troepen op; hij wilde de koninklijke weermacht, die bij Emmaus lag, een slag toebrengen,
3And Judas heard of it, and rose up, he and the valiant men, to attack the king’s forces that were in Emmaus.
4terwijl de andere troep nog ver van de legerplaats was verspreid.
4For as yet the army was dispersed from the camp.
5Toen Górgias dus in de nacht bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand meer aan. Hij ging ze nu in de bergen zoeken; want hij dacht bij zichzelf: Die zijn voor ons op de vlucht!
5And Gorgias came by night into the camp of Judas, and found no man, and he sought them in the mountains: for he said: These men flee from us.
6In alle vroegte verscheen Judas in de vlakte met drieduizend man. Ze beschikten echter niet over pantsers en zwaarden, zoals ze zo gaarne hadden gehad,
6And when it was day, Judas shewed himself in the plain with three thousand men only, who neither had armour nor swords.
7nu ze de zware verschansingen van het heidenkamp zagen, met ruiterij in de flank, en met geschoolde soldaten.
7And they saw the camp of the Gentiles that it was strong, and the men in breastplates, and the horsemen round about them, and these were trained up to war.
8Maar Judas sprak tot zijn mannen: Weest niet bang voor hun overmacht en laat de moed niet zinken, als zij aan komen stormen.
8And Judas said to the men that were with him: Fear ye not their multitude, neither be ye afraid of their assault.
9Denkt er aan, hoe onze vaderen in de Rode Zee werden gered, toen Farao hen met zijn leger achtervolgde.
9Remember in what manner our fathers were saved in the Red Sea, when Pharao pursued them with a great army.
10Roepen wij thans de Hemel aan, dat Hij Zich onzer ontfermt, het verbond onzer vaderen gedenkt, en dit leger vandaag nog voor onze ogen vernietigt.
10And now let us cry to heaven: and the Lord will have mercy on us, and will remember the covenant of our fathers, and will destroy this army before our face this day:
11Dan zal de hele wereld weten, dat er Iemand is, die voor Israël opkomt, en het redding brengt!
11And all nations shall know that there is one that redeemeth and delivereth Israel.
12Toen nu de heidenen opkeken en hen zagen aanrukken,
12And the strangers lifted up their eyes, and saw them coming against them.
13verlieten zij het kamp, om de strijd aan te binden. En terwijl de mannen van Judas op de trompetten bliezen,
13And they went out of the camp to battle, and they that were with Judas sounded the trumpet.
14stormde men op elkander in. De heidenen werden verslagen, en namen de vlucht naar de vlakte.
14And they joined battle: and the Gentiles were routed, and fled into the plain.
15Die achteraan kwamen werden over de kling gejaagd; de anderen werden vervolgd tot aan Gézer en het laagland van Judea en tot Asjdod en Jámnia. Er sneuvelden van hen ongeveer drieduizend man.
15But all the hindmost of them fell by the sword, and they pursued them as far as Gezeron, and even to the plains of Idumea, and of Azotus, and of Jamnia: and there fell of them to the number of three thousand men.
16Nadat Judas met zijn leger van de achtervolging was teruggekeerd,
16And Judas returned again with his army that followed him,
17sprak hij tot het volk: Begeert thans geen buit; er staat ons nog een veldslag te wachten.
17And he said to the people: Be not greedy of the spoils: for there is war before us:
18Want Górgias staat vlak bij ons met zijn leger in de bergen. Stelt u dus tegen onze vijanden op, en slaat ze neer; dan kunt gij buit maken, zolang als gij wilt.
18And Gorgias and his army are near us in the mountain: but stand ye now against our enemies, and overthrow them, and you shall take the spoils afterwards with safety.
19Terwijl Judas nog sprak, zag men een legerafdeling omzichtig uit het gebergte te voorschijn komen.
19And as Judas was speaking these words, behold part of them appeared looking forth from the mountain.
20Maar die begrepen terstond, dat zij de nederlaag hadden geleden, en dat het kamp stond te branden; want uit de rook, die zichtbaar was, bleek duidelijk, wat er gebeurd was.
20And Gorgias saw that his men were put to flight, and that they had set fire to the camp: for the smoke that was seen declared what was done.
21Bij deze ontdekking schrokken ze hevig, en daar ze zagen, dat het leger van Judas in de vlakte voor de aanval gereed stond,
21And when they had seen this, they were seized with great fear, seeing at the same time Judas and his army in the plain ready to fight.
22sloegen ze allen op de vlucht naar het land der Filistijnen.
22So they all fled away into the land of the strangers.
23Nu eerst trok Judas op de legerplaats af, om ze te plunderen; zij maakten veel goud en zilver buit, met violetten en echt purperen stoffen en allerlei kostbaarheden.
23And Judas returned to take the spoils of the camp, and they got much gold, and silver, and blue silk, and purple of the sea, and great riches.
24En op de terugtocht zongen ze de Hemel lof- en dankliederen toe: “Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid!”
24And returning home they sung a hymn, and blessed God in heaven, because he is good, because his mercy endureth for ever.
25Want die dag was Israël een grote redding geschonken.
25So Israel had a great deliverance that day.
26De heidenen, die ontkomen waren, gingen allen naar Lúsias en deelden hem alles mee, wat er gebeurd was.
26And such of the strangers as escaped, went and told Lysias all that had happened.
27Deze berichten brachten hem geheel en al van zijn stuk, omdat het met Israël niet gegaan was, zoals hij zich had voorgesteld, en er niets was terechtgekomen van wat de koning hem had opgedragen.
27And when he heard these things, he was amazed and discouraged: because things had not succeeded in Israel according to his mind, and as the king had commanded.
28Daarom wierf hij het volgende jaar een leger aan van zestigduizend uitstekende soldaten en vijfduizend ruiters, om voor goed met hen af te rekenen.
28So the year following Lysias gathered together threescore thousand chosen men, and five thousand horsemen, that he might subdue them.
29Zij rukten Idumea binnen, en sloegen hun kamp op in Bet-Soer. Maar Judas trok hun met tienduizend man tegemoet.
29And they came into Judea, and pitched their tents in Bethoron, and Judas met them with ten thousand men.
30Bij het zien van het geweldige leger begon hij te bidden, en sprak: Geprezen zijt Gij, Redder van Israël, die de aanval van den reus door de hand van uw dienaar David gebroken, en die het legerkamp der Filistijnen hebt overgeleverd in de handen van Jonatan, den zoon van Saul, en van diens wapendrager.
30And they saw that the army was strong, and he prayed, and said: Blessed art thou, O Saviour of Israel, who didst break the violence of the mighty by the hand of thy servant David, and didst deliver up the camp of the strangers into the hands of Jonathan the son of Saul and of his armourbearer.
31Breng nu ook dit leger in de hand van uw volk, zodat ze voor schande komen te staan met hun legermacht en hun ruiterij.
31Shut up this army in the hands of thy people Israel, and let them be confounded in their host and their horsemen.
32Jaag ze de schrik op het lijf, verlam hun brutaal geweld, verbijster hen om hun nederlaag,
32Strike them with fear, and cause the boldness of their strength to languish, and let them quake at their own destruction.
33en sla ze neer met het zwaard van hen, die U liefhebben. Dan zullen allen, die uw Naam kennen, U met lofzangen prijzen!
33Cast them down with the sword of them that love thee: and let all that know thy name, praise thee with hymns.
34Daarna stormden zij op elkander in; het werd een strijd van man tegen man, en van Lúsias' leger sneuvelden ongeveer vijfduizend soldaten.
34And they joined battle: and there fell of the army of Lysias five thousand men.
35Toen Lúsias de nederlaag van zijn eigen leger moest aanzien, en de moed zag stijgen van Judas' troepen, die vast besloten waren te leven of eervol te sterven, trok hij naar Antiochië terug. Daar wierf hij huurtroepen aan, om opnieuw Judea binnen te rukken, als het leger weer voltallig zou zijn.
35And when Lysias saw that his men were put to flight, and how bold the Jews were, and that they were ready either to live, or to die manfully, he went to Antioch, and chose soldiers, that they might come again into Judea with greater numbers.
36Nu spraken Judas en zijn broers: Ziet, onze vijanden zijn verslagen! Laat ons nu optrekken, om het heiligdom te reinigen en het wederom in te wijden.
36Then Judas, and his brethren said: Behold our enemies are discomfited: let us go up now to cleanse the holy places and to repair them.
37En het gehele leger kwam weer bijeen, en rukte op naar de Sionsberg.
37And all the army assembled together, and they went up into mount Sion.
38Maar toen ze het heiligdom verwoest zagen liggen, het altaar ontwijd, de poorten verbrand, de voorhoven vol onkruid, opgeschoten als in een bos of op een van de bergen, en de zijvertrekken vernield:
38And they saw the sanctuary desolate, and the altar profaned, and the gates burnt, and shrubs growing up in the courts as in a forest, or on the mountains, and the chambers joining to the temple thrown down.
39scheurden zij hun klederen, hieven een luide jammerklacht aan, bestrooiden zich met as,
39And they rent their garments, and made great lamentation, and put ashes on their heads:
40wierpen zich plat ter aarde, bliezen op de alarmbazuinen en schreiden ten hemel.
40And they fell face down to the ground on their faces, and they sounded with the trumpets of alarm, and they cried towards heaven.
41Daarop wees Judas een groep soldaten aan, die de burchtbezetting in bedwang moesten houden, totdat hij de tempel had gereinigd.
41Then Judas appointed men to fight against them that were in the castle, till they had cleansed the holy places.
42Vervolgens koos hij enige priesters uit van onbesproken gedrag en trouw aan de wet;
42And he chose priests without blemish, whose will was set upon the law of God:
43en dezen reinigden het heiligdom, en smeten de stenen van het afgodsaltaar op een onreine plaats.
43And they cleansed the holy places, and took away the stones that had been defiled into an unclean place.
44Daarna beraadslaagden zij, wat ze met het ontheiligde brandofferaltaar zouden doen;
44And he considered about the altar of holocausts that had been profaned, what he should do with it.
45en ze kwamen op de goede gedachte, het maar af te breken, om er later niet mee te worden bespot, omdat het door de heidenen was ontreinigd. Zij braken dus het altaar af,
45And a good counsel came into their minds, to pull it down: lest it should be a reproach to them, because the Gentiles had defiled it; so they threw it down.
46maar legden de stenen op een passende plaats van de tempelberg, totdat een profeet zou opstaan, die beslissen kon, wat er mee moest gebeuren.
46And they laid up the stones in the mountain of the temple in a convenient place, till there should come a prophet, and give answer concerning them.
47Nu namen zij, zoals het was voorgeschreven, ongehouwen stenen en bouwden een nieuw altaar, gelijk aan het vorige.
47Then they took whole stones according to the law, and built a new altar according to the former:
48Daarna herstelden ze het heiligdom, en wijdden het inwendige van de tempel en de voorhoven in.
48And they built up the holy places, and the things that were within the temple: and they sanctified the temple, and the courts.
49Ze lieten nieuwe heilige vaten vervaardigen, brachten de kandelaar, het reukofferaltaar en de tafel in de tempel,
49And they made new holy vessels, and brought in the candlestick, and the altar of incense, and the table into the temple.
50lieten wierook branden op het reukofferaltaar, staken de lampen op de kandelaar aan, zodat ze de tempel weer verlichtten,
50And they put incense upon the altar, and lighted up the lamps that were upon the candlestick, and they gave light in the temple.
51legden de broden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Toen ze alles, wat ze hadden ondernomen, gelukkig hadden voltooid,
51And they set the loaves upon the table, and hung up the veils, and finished all the works that they had begun to make.
52brachten ze in de vroege morgen van de vijf en twintigste der negende maand, dus in de maand Kislew van het jaar 148,
52And they arose before the morning on the five and twentieth day of the ninth month (which is the month of Casleu) in the hundred and forty-eighth year.
53een offer volgens de wet op het nieuw gebouwde brandofferaltaar.
53And they offered sacrifice according to the law upon the new altar of holocausts which they had made.
54Het was juist op hetzelfde uur en op dezelfde dag waarop de heidenen het hadden ontheiligd, dat het weer werd ingewijd onder lofgezang, begeleid met citers, harpen en cymbalen.
54According to the time, and according to the day wherein the heathens had defiled it, in the same was it dedicated anew with canticles, and harps, and lutes, and cymbals.
55En heel het volk viel in aanbidding neer, en loofde de Hemel, die hun zoveel voorspoed had geschonken.
55And all the people fell upon their faces, and adored, and blessed up to heaven, him that had prospered them.
56Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaarwijding, waarbij ze vol blijdschap brandoffers opdroegen, en dank- en lofoffers brachten.
56And they kept the dedication of the altar eight days, and they offered holocausts with joy, and sacrifices of salvation, and of praise.
57Ze versierden de tempelgevel met gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en zijvertrekken, en zetten de deuren erin.
57And they adorned the front of the temple with crowns of gold, and escutcheons, and they renewed the gates, and the chambers, and hanged doors upon them.
58En er heerste een grote vreugde onder het volk, omdat de ontering der heidenen was weggenomen.
58And there was exceeding great joy among the people, and the reproach of the Gentiles was turned away.
59Daarom nam Judas met zijn broers en heel het volk van Israël het besluit, om zolang zij leefden, elk jaar de dagen van de altaarwijding in vreugde en blijdschap te vieren, en wel acht dagen lang, te beginnen met de vijf en twintigste dag van de maand Kislew.
59And Judas, and his brethren, and all the church of Israel decreed, that the day of the dedication of the altar should be kept in its season from year to year for eight days, from the five and twentieth day of the month of Casleu, with joy and gladness.
60Tegelijkertijd begonnen ze met de aanleg van hoge ringmuren en zware torens rond de berg Sion, om te verhinderen dat de heidenen het heiligdom zouden binnendringen en het evenals vroeger vernielen;
60They built up also at that time mount Sion, with high walls, and strong towers round about, lest the Gentiles should at any time come, and tread it down as they did before.
61hij legde er een bezetting in, om ze te bewaken. Bovendien versterkte hij Bet-Soer tot een verdedigingspost, om de bevolking tegen Iduméa te beschermen.
61And he placed a garrison there to keep it, and he fortified it to secure Bethsura, that the people might have a defence against Idumea.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.