Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Intussen had Górgias vijfduizend man voetvolk en duizend uitstekende ruiters uitgekozen, en was in de nacht uit de legerplaats opgetrokken,
1ΚΑΙ παρέλαβε Γοργίας πεντακισχιλίους ἄνδρας καὶ χιλίαν ἵππον ἐκλεκτήν, καὶ ἀπῇρεν ἡ παρεμβολὴ νυκτός,
2om het kamp der Joden te overrompelen en hen onverwacht neer te slaan; soldaten uit de burcht zouden hem de weg wijzen.
2ὥστε ἐπιβαλεῖν ἐπὶ τὴν παρεμβολὴν τῶν Ἰουδαίων καὶ πατάξαι αὐτοὺς ἄφνω· καὶ οἱ υἱοὶ τῆς ἄκρας ἦσαν αὐτῷ ὁδηγοί.
3Zodra Judas dit vernam, rukte ook hij met zijn troepen op; hij wilde de koninklijke weermacht, die bij Emmaus lag, een slag toebrengen,
3καὶ ἤκουσεν Ἰούδας καὶ ἀπῇρεν αὐτὸς καὶ οἱ δυνατοὶ πατάξαι τὴν δύναμιν τοῦ βασιλέως τὴν ἐν Ἀμμαούς,
4terwijl de andere troep nog ver van de legerplaats was verspreid.
4ἕως ἔτι αἱ δυνάμεις ἐσκορπισμέναι ἦσαν ἀπὸ τῆς παρεμβολῆς.
5Toen Górgias dus in de nacht bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand meer aan. Hij ging ze nu in de bergen zoeken; want hij dacht bij zichzelf: Die zijn voor ons op de vlucht!
5καὶ ἦλθε Γοργίας εἰς τὴν παρεμβολὴν Ἰούδα νυκτὸς καὶ οὐδένα εὗρε· καὶ ἐζήτει αὐτοὺς ἐν τοῖς ὄρεσιν, ὅτι εἶπε· φεύγουσιν οὗτοι ἀφ᾿ ἡμῶν.
6In alle vroegte verscheen Judas in de vlakte met drieduizend man. Ze beschikten echter niet over pantsers en zwaarden, zoals ze zo gaarne hadden gehad,
6καὶ ἅμα τῇ ἡμέρᾳ ὤφθη Ἰούδας ἐν τῷ πεδίῳ ἐν τρισχιλίοις ἀνδράσι· πλὴν καλύμματα καὶ μαχαίρας οὐκ εἶχον καθὼς ἠβούλοντο.
7nu ze de zware verschansingen van het heidenkamp zagen, met ruiterij in de flank, en met geschoolde soldaten.
7καὶ εἶδον παρεμβολὴν ἐθνῶν ἰσχυρὰν τεθωρακισμένην καὶ ἵππον κυκλοῦσαν αὐτήν, καὶ οὗτοι διδακτοὶ πολέμου.
8Maar Judas sprak tot zijn mannen: Weest niet bang voor hun overmacht en laat de moed niet zinken, als zij aan komen stormen.
8καὶ εἶπεν Ἰούδας τοῖς ἀνδράσι τοῖς μετ᾿ αὐτοῦ· μὴ φοβεῖσθε τὸ πλῆθος αὐτῶν καὶ τὸ ὅρμημα αὐτῶν μὴ δειλωθῆτε·
9Denkt er aan, hoe onze vaderen in de Rode Zee werden gered, toen Farao hen met zijn leger achtervolgde.
9μνήσθητε πῶς ἐσώθησαν οἱ πατέρες ἡμῶν ἐν θαλάσσῃ ἐρυθρᾷ, ὅτι ἐδίωξεν αὐτοὺς Φαραὼ ἐν δυνάμει.
10Roepen wij thans de Hemel aan, dat Hij Zich onzer ontfermt, het verbond onzer vaderen gedenkt, en dit leger vandaag nog voor onze ogen vernietigt.
10καὶ νῦν βοήσωμεν εἰς τὸν οὐρανόν, εἴ πως ἐλεήσει ἡμᾶς καὶ μνησθήσεται διαθήκης πατέρων ἡμῶν καὶ συντρίψει τὴν παρεμβολὴν ταύτην κατὰ πρόσωπον ἡμῶν σήμερον,
11Dan zal de hele wereld weten, dat er Iemand is, die voor Israël opkomt, en het redding brengt!
11καὶ γνώσεται πάντα τὰ ἔθνη ὅτι ἐστὶν ὁ λυτρούμενος καὶ σῴζων τὸν Ἰσραήλ.
12Toen nu de heidenen opkeken en hen zagen aanrukken,
12καὶ ᾖραν οἱ ἀλλόφυλοι τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτῶν καὶ εἶδον αὐτοὺς ἐρχομένους ἐξεναντίας
13verlieten zij het kamp, om de strijd aan te binden. En terwijl de mannen van Judas op de trompetten bliezen,
13καὶ ἐξῆλθον ἐκ τῆς παρεμβολῆς εἰς πόλεμον· καὶ ἐσάλπισαν οἱ μετὰ Ἰούδα
14stormde men op elkander in. De heidenen werden verslagen, en namen de vlucht naar de vlakte.
14καὶ συνῆψαν καὶ συνετρίβησαν τὰ ἔθνη καὶ ἔφυγον εἰς τὸ πεδίον,
15Die achteraan kwamen werden over de kling gejaagd; de anderen werden vervolgd tot aan Gézer en het laagland van Judea en tot Asjdod en Jámnia. Er sneuvelden van hen ongeveer drieduizend man.
15οἱ δὲ ἔσχατοι πάντες ἔπεσον ἐν ρομφαίᾳ. καὶ ἐδίωξαν αὐτοὺς ἕως Γαζηρὼν καὶ ἕως τῶν πεδίων τῆς Ἰδουμαίας καὶ Ἀζώτου καὶ Ἰαμνείας, καὶ ἔπεσον ἐξ αὐτῶν εἰς ἄνδρας τρισχιλίους.
16Nadat Judas met zijn leger van de achtervolging was teruggekeerd,
16καὶ ἐπέστρεψεν Ἰούδας καὶ ἡ δύναμις ἀπὸ τοῦ διώκειν ὄπισθεν αὐτῶν
17sprak hij tot het volk: Begeert thans geen buit; er staat ons nog een veldslag te wachten.
17καὶ εἶπε πρὸς τὸν λαόν· μὴ ἐπιθυμήσητε τῶν σκύλων, ὅτι πόλεμος ἐξεναντίας ἡμῶν,
18Want Górgias staat vlak bij ons met zijn leger in de bergen. Stelt u dus tegen onze vijanden op, en slaat ze neer; dan kunt gij buit maken, zolang als gij wilt.
18καὶ Γοργίας καὶ ἡ δύναμις ἐν τῷ ὄρει ἐγγὺς ἡμῶν· ἀλλὰ στῆτε νῦν ἐναντίον τῶν ἐχθρῶν ἡμῶν καὶ πολεμήσατε αὐτούς, καὶ μετὰ ταῦτα λάβετε τὰ σκῦλα μετὰ παρρησίας.
19Terwijl Judas nog sprak, zag men een legerafdeling omzichtig uit het gebergte te voorschijn komen.
19ἔτι λαλοῦντος Ἰούδα ταῦτα, ὤφθη μέρος τι ἐκκύπτον ἐκ τοῦ ὄρους·
20Maar die begrepen terstond, dat zij de nederlaag hadden geleden, en dat het kamp stond te branden; want uit de rook, die zichtbaar was, bleek duidelijk, wat er gebeurd was.
20καὶ εἶδεν ὅτι τετρόπωνται, καὶ ἐμπυρίζουσι τὴν παρεμβολήν· ὁ γὰρ καπνὸς ὁ θεωρούμενος ἐνεφάνιζε τὸ γεγονός.
21Bij deze ontdekking schrokken ze hevig, en daar ze zagen, dat het leger van Judas in de vlakte voor de aanval gereed stond,
21οἱ δὲ ταῦτα συνιδόντες ἐδειλώθησαν σφόδρα· συνιδόντες δὲ καὶ τὴν Ἰούδα παρεμβολὴν ἐν τῷ πεδίῳ ἑτοίμην εἰς παράταξιν,
22sloegen ze allen op de vlucht naar het land der Filistijnen.
22ἔφυγον πάντες εἰς γῆν ἀλλοφύλων.
23Nu eerst trok Judas op de legerplaats af, om ze te plunderen; zij maakten veel goud en zilver buit, met violetten en echt purperen stoffen en allerlei kostbaarheden.
23καὶ ἀνέστρεψεν Ἰούδας ἐπὶ τὴν σκυλείαν τῆς παρεμβολῆς, καὶ ἔλαβον χρυσίον πολὺ καὶ ἀργύριον καὶ ὑάκινθον καὶ πορφύραν θαλασσίαν καὶ πλοῦτον μέγαν.
24En op de terugtocht zongen ze de Hemel lof- en dankliederen toe: “Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid!”
24καὶ ἐπιστραφέντες ὕμνουν καὶ εὐλόγουν εἰς οὐρανὸν ὅτι καλόν, ὅτι εἰς τὸν αἰῶνα τὸ ἔλεος αὐτοῦ.
25Want die dag was Israël een grote redding geschonken.
25καὶ ἐγένετο σωτηρία μεγάλη τῷ Ἰσραὴλ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ.
26De heidenen, die ontkomen waren, gingen allen naar Lúsias en deelden hem alles mee, wat er gebeurd was.
26Ὃσοι δὲ τῶν ἀλλοφύλων διεσώθησαν, παραγενηθέντες ἀπήγγειλαν τῷ Λυσίᾳ πάντα τὰ συμβεβηκότα.
27Deze berichten brachten hem geheel en al van zijn stuk, omdat het met Israël niet gegaan was, zoals hij zich had voorgesteld, en er niets was terechtgekomen van wat de koning hem had opgedragen.
27ὁ δὲ ἀκούσας συνεχύθη καὶ ἠθύμει, ὅτι οὐχ οἷα ἤθελε, τοιαῦτα γεγόνει τῷ Ἰσραήλ, καὶ οὐχ οἷα ἐνετείλατο αὐτῷ ὁ βασιλεύς, τοιαῦτα ἐξέβη.
28Daarom wierf hij het volgende jaar een leger aan van zestigduizend uitstekende soldaten en vijfduizend ruiters, om voor goed met hen af te rekenen.
28καὶ ἐν τῷ ἐχομένῳ ἐνιαυτῷ συνελόχισεν ὁ Λυσίας ἀνδρῶν ἐπιλέκτων ἑξήκοντα χιλιάδας καὶ πεντακισχιλίαν ἵππον, ὥστε ἐκπολεμῆσαι αὐτούς.
29Zij rukten Idumea binnen, en sloegen hun kamp op in Bet-Soer. Maar Judas trok hun met tienduizend man tegemoet.
29καὶ ἦλθον εἰς τὴν Ἰδουμαίαν καὶ παρενέβαλον ἐν Βαιθσούροις, καὶ συνήντησεν αὐτοῖς Ἰούδας ἐν δέκα χιλιάσιν ἀνδρῶν.
30Bij het zien van het geweldige leger begon hij te bidden, en sprak: Geprezen zijt Gij, Redder van Israël, die de aanval van den reus door de hand van uw dienaar David gebroken, en die het legerkamp der Filistijnen hebt overgeleverd in de handen van Jonatan, den zoon van Saul, en van diens wapendrager.
30καὶ εἶδε τὴν παρεμβολὴν ἰσχυρὰν καὶ προσηύξατο καὶ εἶπεν· εὐλογητὸς εἶ ὁ σωτὴρ τοῦ Ἰσραὴλ ὁ συντρίψας τὸ ὅρμημα τοῦ δυνατοῦ ἐν χειρὶ τοῦ δούλου σου Δαυὶδ καὶ παρέδωκας τὴν παρεμβολὴν τῶν ἀλλοφύλων εἰς χεῖρας Ἰωνάθαν υἱοῦ Σαοὺλ καὶ τοῦ αἴροντος τὰ σκεύη αὐτοῦ·
31Breng nu ook dit leger in de hand van uw volk, zodat ze voor schande komen te staan met hun legermacht en hun ruiterij.
31οὕτω σύγκλεισον τὴν παρεμβολὴν ταύτην ἐν χειρὶ λαοῦ σου Ἰσραήλ, καὶ αἰσχυνθήτωσαν ἐπὶ τῇ δυνάμει καὶ τῇ ἵππῳ αὐτῶν·
32Jaag ze de schrik op het lijf, verlam hun brutaal geweld, verbijster hen om hun nederlaag,
32δὸς αὐτοῖς δειλίαν καὶ τῆξον θράσος ἰσχύος αὐτῶν, καὶ σαλευθήτωσαν τῇ συντριβῇ αὐτῶν·
33en sla ze neer met het zwaard van hen, die U liefhebben. Dan zullen allen, die uw Naam kennen, U met lofzangen prijzen!
33κατάβαλε αὐτοὺς ρομφαίᾳ ἀγαπώντων σε, καὶ αἰνεσάτωσάν σε πάντες οἱ εἰδότες τὸ ὄνομά σου ἐν ὕμνοις.
34Daarna stormden zij op elkander in; het werd een strijd van man tegen man, en van Lúsias' leger sneuvelden ongeveer vijfduizend soldaten.
34καὶ συνέβαλον ἀλλήλοις, καὶ ἔπεσον ἐκ τῆς παρεμβολῆς Λυσίου εἰς πεντακισχιλίους ἄνδρας καὶ ἔπεσον ἐξ ἐναντίας αὐτῶν.
35Toen Lúsias de nederlaag van zijn eigen leger moest aanzien, en de moed zag stijgen van Judas' troepen, die vast besloten waren te leven of eervol te sterven, trok hij naar Antiochië terug. Daar wierf hij huurtroepen aan, om opnieuw Judea binnen te rukken, als het leger weer voltallig zou zijn.
35ἰδὼν δὲ Λυσίας τὴν γενομένην τροπὴν τῆς αὐτοῦ συντάξεως, τῆς δὲ Ἰούδα τὸ γεγενημένον θάρσος καὶ ὡς ἕτοιμοί εἰσιν ἢ ζῆν ἢ τεθνάναι γενναίως, ἀπῇρεν εἰς Ἀντιόχειαν καὶ ἐξενολόγει, καὶ πλεονάσας τὸν γενηθέντα στρατὸν ἐλογίζετο πάλιν παραγενέσθαι εἰς τὴν Ἰουδαίαν.
36Nu spraken Judas en zijn broers: Ziet, onze vijanden zijn verslagen! Laat ons nu optrekken, om het heiligdom te reinigen en het wederom in te wijden.
36Εἶπε δὲ Ἰούδας καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ· ἰδοὺ συνετρίβησαν οἱ ἐχθροὶ ἡμῶν, ἀναβῶμεν καθαρίσαι τὰ ἅγια καὶ ἐγκαινίσαι.
37En het gehele leger kwam weer bijeen, en rukte op naar de Sionsberg.
37καὶ συνήχθη ἡ παρεμβολὴ πᾶσα καὶ ἀνέβησαν εἰς ὄρος Σιών.
38Maar toen ze het heiligdom verwoest zagen liggen, het altaar ontwijd, de poorten verbrand, de voorhoven vol onkruid, opgeschoten als in een bos of op een van de bergen, en de zijvertrekken vernield:
38καὶ εἶδον τὸ ἁγίασμα ἠρημωμένον καὶ τὸ θυσιαστήριον βεβηλωμένον καὶ τὰς πύλας κατακεκαυμένας καὶ ἐν ταῖς αὐλαῖς φυτὰ πεφυκότα ὡς ἐν δρυμῷ ἢ ὡς ἑνὶ τῶν ὀρέων καὶ τὰ παστοφόρια καθῃρημένα.
39scheurden zij hun klederen, hieven een luide jammerklacht aan, bestrooiden zich met as,
39καὶ διέρρηξαν τὰ ἱμάτια αὐτῶν καὶ ἐκόψαντο κοπετὸν μέγαν καὶ ἐπέθεντο σποδὸν ἐπὶ τὴν κεφαλὴν αὐτῶν
40wierpen zich plat ter aarde, bliezen op de alarmbazuinen en schreiden ten hemel.
40καὶ ἔπεσον ἐπὶ πρόσωπον ἐπὶ τὴν γῆν καὶ ἐσάλπισαν ταῖς σάλπιγξι τῶν σημασιῶν καὶ ἐβόησαν εἰς τὸν οὐρανόν.
41Daarop wees Judas een groep soldaten aan, die de burchtbezetting in bedwang moesten houden, totdat hij de tempel had gereinigd.
41τότε ἐπέταξεν Ἰούδας ἄνδρας πολεμεῖν τοὺς ἐν τῇ ἄκρᾳ, ἕως ἂν καθαρίσῃ τὰ ἅγια.
42Vervolgens koos hij enige priesters uit van onbesproken gedrag en trouw aan de wet;
42καὶ ἐπέλεξεν ἱερεῖς ἀμώμους θελητὰς νόμου,
43en dezen reinigden het heiligdom, en smeten de stenen van het afgodsaltaar op een onreine plaats.
43καὶ ἐκαθάρισαν τὰ ἅγια καὶ ᾖραν τοὺς λίθους τοῦ μιασμοῦ εἰς τόπον ἀκάθαρτον.
44Daarna beraadslaagden zij, wat ze met het ontheiligde brandofferaltaar zouden doen;
44καὶ ἐβουλεύσαντο περὶ τοῦ θυσιαστηρίου τῆς ὁλοκαυτώσεως τοῦ βεβηλωμένου, τί αὐτῷ ποιήσωσι·
45en ze kwamen op de goede gedachte, het maar af te breken, om er later niet mee te worden bespot, omdat het door de heidenen was ontreinigd. Zij braken dus het altaar af,
45καὶ ἐπέπεσεν αὐτοῖς βουλὴ ἀγαθὴ καθελεῖν αὐτό, μήποτε γένηται αὐτοῖς εἰς ὄνειδος, ὅτι ἐμίαναν τὰ ἔθνη αὐτό· καὶ καθεῖλον τὸ θυσιαστήριον.
46maar legden de stenen op een passende plaats van de tempelberg, totdat een profeet zou opstaan, die beslissen kon, wat er mee moest gebeuren.
46καὶ ἀπέθεντο τοὺς λίθους ἐν τῷ ὄρει τοῦ οἴκου ἐν τόπῳ ἐπιτηδείῳ μέχρι τοῦ παραγενηθῆναι προφήτην τοῦ ἀποκριθῆναι περὶ αὐτῶν.
47Nu namen zij, zoals het was voorgeschreven, ongehouwen stenen en bouwden een nieuw altaar, gelijk aan het vorige.
47καὶ ἔλαβον λίθους ὁλοκλήρους κατὰ τὸν νόμον καὶ ᾠκοδόμησαν τὸ θυσιαστήριον καινὸν κατὰ τὸ πρότερον.
48Daarna herstelden ze het heiligdom, en wijdden het inwendige van de tempel en de voorhoven in.
48καὶ ᾠκοδόμησαν τὰ ἅγια καὶ τὰ ἐντὸς τοῦ οἴκου καὶ τὰς αὐλὰς ἡγίασαν.
49Ze lieten nieuwe heilige vaten vervaardigen, brachten de kandelaar, het reukofferaltaar en de tafel in de tempel,
49καὶ ἐποίησαν σκεύη ἅγια καινὰ καὶ εἰσήνεγκαν τὴν λυχνίαν καὶ τὸ θυσιαστήριον τῶν θυμιαμάτων καὶ τὴν τράπεζαν εἰς τὸν ναόν.
50lieten wierook branden op het reukofferaltaar, staken de lampen op de kandelaar aan, zodat ze de tempel weer verlichtten,
50καὶ ἐθυμίασαν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον καὶ ἐξῆψαν τοὺς λύχνους τοὺς ἐπὶ τῆς λυχνίας, καὶ ἐφαίνοσαν ἐν τῶ ναῷ.
51legden de broden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Toen ze alles, wat ze hadden ondernomen, gelukkig hadden voltooid,
51καὶ ἐπέθηκαν ἐπὶ τὴν τράπεζαν ἄρτους καὶ ἐξεπέτασαν τὰ καταπετάσματα καὶ ἐτέλεσαν πάντα τὰ ἔργα, ἃ ἐποίησαν.
52brachten ze in de vroege morgen van de vijf en twintigste der negende maand, dus in de maand Kislew van het jaar 148,
52καὶ ὤρθρισαν τὸ πρωΐ τῇ πέμπτῃ καὶ εἰκάδι τοῦ μηνὸς τοῦ ἐνάτου (οὗτος ὁ μὴν Χασελεῦ) τοῦ ὀγδόου καὶ τεσσαρακοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ ἔτους
53een offer volgens de wet op het nieuw gebouwde brandofferaltaar.
53καὶ ἀνήνεγκαν θυσίαν κατὰ τὸν νόμον ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον τῶν ὁλοκαυτωμάτων τὸ καινόν, ὃ ἐποίησαν.
54Het was juist op hetzelfde uur en op dezelfde dag waarop de heidenen het hadden ontheiligd, dat het weer werd ingewijd onder lofgezang, begeleid met citers, harpen en cymbalen.
54κατὰ τὸν καιρὸν καὶ κατὰ τὴν ἡμέραν, ἐν ᾗ ἐβεβήλωσαν αὐτὸ τὰ ἔθνη, ἐν ἐκείνῃ ἐνεκαινίσθη ἐν ᾠδαῖς καὶ κιθάραις καὶ κινύραις καὶ ἐν κυμβάλοις.
55En heel het volk viel in aanbidding neer, en loofde de Hemel, die hun zoveel voorspoed had geschonken.
55καὶ ἔπεσον πᾶς ὁ λαὸς ἐπὶ πρόσωπον καὶ προσεκύνησαν καὶ εὐλόγησαν εἰς οὐρανὸν τὸν εὐοδώσαντα αὐτοῖς.
56Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaarwijding, waarbij ze vol blijdschap brandoffers opdroegen, en dank- en lofoffers brachten.
56καὶ ἐποίησαν τὸν ἐγκαινισμὸν τοῦ θυσιαστηρίου ἡμέρας ὀκτὼ καὶ προσήνεγκαν ὁλοκαυτώματα μετ᾿ εὐφροσύνης καὶ ἔθυσαν θυσίαν σωτηρίου καὶ αἰνέσεως.
57Ze versierden de tempelgevel met gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en zijvertrekken, en zetten de deuren erin.
57καὶ κατεκόσμησαν τὸ κατὰ πρόσωπον τοῦ ναοῦ στεφάνοις χρυσοῖς καὶ ἀσπιδίσκαις καὶ ἐνεκαίνισαν τὰς πύλας καὶ τὰ παστοφόρια καὶ ἐθύρωσαν αὐτά.
58En er heerste een grote vreugde onder het volk, omdat de ontering der heidenen was weggenomen.
58καὶ ἐγενήθη εὐφροσύνη μεγάλη ἐν τῷ λαῷ σφόδρα, καὶ ἀπεστράφη ὄνειδος ἐθνῶν.
59Daarom nam Judas met zijn broers en heel het volk van Israël het besluit, om zolang zij leefden, elk jaar de dagen van de altaarwijding in vreugde en blijdschap te vieren, en wel acht dagen lang, te beginnen met de vijf en twintigste dag van de maand Kislew.
59καὶ ἔστησεν Ἰούδας καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ πᾶσα ἡ ἐκκλησία Ἰσραήλ, ἵνα ἄγωνται αἱ ἡμέραι ἐγκαινισμοῦ τοῦ θυσιαστηρίου ἐν τοῖς καιροῖς αὐτῶν ἐνιαυτὸν κατ᾿ ἐνιαυτὸν ἡμέρας ὀκτώ, ἀπὸ τῆς πέμπτης καὶ εἰκάδος τοῦ μηνὸς Χασελεῦ, μετ᾿ εὐφροσύνης καὶ χαρᾶς.
60Tegelijkertijd begonnen ze met de aanleg van hoge ringmuren en zware torens rond de berg Sion, om te verhinderen dat de heidenen het heiligdom zouden binnendringen en het evenals vroeger vernielen;
60καὶ ᾠκοδόμησαν ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ τὸ ὄρος Σιών, κυκλόθεν τείχη ὑψηλὰ καὶ πύργους ὀχυρούς, μή ποτε παραγενηθέντα τὰ ἔθνη καταπατήσωσιν αὐτά, ὡς ἐποίησαν τὸ πρότερον.
61hij legde er een bezetting in, om ze te bewaken. Bovendien versterkte hij Bet-Soer tot een verdedigingspost, om de bevolking tegen Iduméa te beschermen.
61καὶ ἐπέταξεν ἐκεῖ δύναμιν τηρεῖν αὐτὸ καὶ ὠχύρωσαν αὐτὸ τηρεῖν τὴν Βαιθσούραν τοῦ ἔχειν τὸν λαὸν ὀχύρωμα κατὰ πρόσωπον τῆς Ἰδουμαίας.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.