1 Makkabeeen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Zijn zoon Judas, de Makkabeër genaamd, volgde hem op.
1ΚΑΙ ἀνέστη Ἰούδας ὁ καλούμενος Μακκαβαῖος υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
2Al zijn broers met heel de aanhang van zijn vader stonden hem terzijde, en streden geestdriftig voor Israël.
2καὶ ἐβοήθουν αὐτῷ πάντες οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ πάντες, ὅσοι ἐκολλήθησαν τῷ πατρὶ αὐτοῦ, καὶ ἐπολέμουν τὸν πόλεμον Ἰσραὴλ μετ᾿ εὐφροσύνης.
3Hij maakte alom zijn volk beroemd! Hij schoot in het harnas als een held, In zijn wapenrusting trok hij ten strijde, En beschutte het legerkamp met zijn schild.
3καὶ ἐπλάτυνε δόξαν τῷ λαῷ αὐτοῦ καὶ ἐνεδύσατο θώρακα ὡς γίγας καὶ συνεζώσατο τὰ σκεύη αὐτοῦ τὰ πολεμικὰ καὶ συνεστήσατο πολέμους σκεπάζων παρεμβολὴν ἐν ρομφαίᾳ.
4Hij was als een leeuw in al zijn daden, Een leeuwenwelp, die brult om prooi.
4καὶ ὡμοιώθη λέοντι ἐν τοῖς ἔργοις αὐτοῦ καὶ ὡς σκύμνος ἐρευγόμενος εἰς θήραν.
5Afvalligen speurde hij op, en jaagde ze na, Die zijn volk durfden kwellen, wierp hij in het vuur.
5καὶ ἐδίωξεν ἀνόμους ἐξερευνῶν καὶ τοὺς ταράσσοντας τὸν λαὸν αὐτοῦ ἐφλόγισε.
6De trouwelozen krompen voor hem ineen van schrik, En alle boosdoeners stonden te beven. Door hem werd de weg ter redding gebaand,
6καὶ συνεστάλησαν οἱ ἄνομοι ἀπὸ τοῦ φόβου αὐτοῦ, καὶ πάντες οἱ ἐργάτες τῆς ἀνομίας συνεταράχθησαν, καὶ εὐωδώθη σωτηρία ἐν χειρὶ αὐτοῦ.
7Maar vele koningen heeft hij verbitterd. Hij bracht Jakob in verrukking om wat hij deed, En bracht de verstrooiden bijeen;
7καὶ ἐπίκρανε βασιλεῖς πολλοὺς καὶ εὔφρανε τὸν Ἰακὼβ ἐν τοῖς ἔργοις αὐτοῦ, καὶ ἕως τοῦ αἰῶνος τὸ μνημόσυνον αὐτοῦ εἰς εὐλογίαν.
8Hij doorkruiste Juda van stad tot stad, de goddelozen verdelgend, Maar van Israël wendde hij Gods gramschap af.
8καὶ διῆλθεν ἐν πόλεσιν Ἰούδα καὶ ἐξωλόθρευσεν ἀσεβεῖς ἐξ αὐτῆς καὶ ἀπέστρεψεν ὀργὴν ἀπὸ Ἰσραὴλ
9Tot de grenzen der aarde reikt zijn roem, Zijn gedachtenis blijft eeuwig in ere!
9καὶ ὠνομάσθη ἕως ἐσχάτου τῆς γῆς καὶ συνήγαγεν ἀπολλυμένους.
10Nu riep Apollónius zijn heidense troepen en een grote legermacht uit Samaria op, om tegen Israël te strijden.
10Καὶ συνήγαγεν Ἀπολλώνιος ἔθνη καὶ ἀπὸ Σαμαρείας δύναμιν μεγάλην τοῦ πολεμῆσαι πρὸς Ἰσραήλ.
11Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij bracht hem de nederlaag toe, en doodde hem; velen werden gewond en sneuvelden, en de overigen sloegen op de vlucht.
11καὶ ἔγνω Ἰούδας καὶ ἐξῆλθεν εἰς συνάντησιν αὐτῷ καὶ ἐπάταξεν αὐτὸν καὶ ἀπέκτεινεν αὐτόν· καὶ ἔπεσον τραυματίαι πολλοί, καὶ οἱ ἐπίλοιποι ἔφυγον.
12Men bemachtigde de legerbuit, en Judas legde beslag op het zwaard van Apollónius, en bleef er heel zijn leven mee strijden.
12καὶ ἔλαβον τὰ σκῦλα αὐτῶν, καὶ τὴν μάχαιραν Ἀπολλωνίου ἔλαβεν Ἰούδας καὶ ἦν πολεμῶν ἐν αὐτῇ πάσας τὰς ἡμέρας.
13Intussen had Séron, de aanvoerder van het syrische leger, vernomen, dat Judas een leger had bijeengebracht met een groep getrouwen, die met hem in de strijd wilden trekken.
13καὶ ἤκουσε Σήρων ὁ ἄρχων τῆς δυνάμεως Συρίας ὅτι ἤθροισεν Ἰούδας ἄθροισμα καὶ ἐκκλησίαν πιστῶν μετ᾿ αὐτοῦ ἐκπορευομένων εἰς πόλεμον,
14En nu dacht hij bij zichzelf: Ik zal mij in het rijk bekend en beroemd maken, door Judas te verslaan met zijn aanhang, die het bevel van den koning verachten.
14καὶ εἶπε· ποιήσω ἐμαυτῷ ὄνομα καὶ δοξασθήσομαι ἐν τῇ βασιλείᾳ καὶ πολεμήσω τὸν Ἰούδαν καὶ τοὺς σὺν αὐτῷ τοὺς ἐξουδενοῦντας τὸν λόγον τοῦ βασιλέως.
15Zo rukte ook hij op, door een machtig leger van goddelozen gevolgd, die hem helpen wilden, om op de zonen van Israël wraak te nemen.
15καὶ προσέθετο τοῦ ἀναβῆναι· καὶ ἀνέβη μετ᾿ αὐτοῦ παρεμβολὴ ἀσεβῶν ἰσχυρὰ βοηθῆσαι αὐτῷ καὶ ποιῆσαι τὴν ἐκδίκησιν ἐν υἱοῖς Ἰσραήλ.
16Zodra hij de bergpas van Bet-Choron bereikt had, trok Judas hem met een klein troepje soldaten tegemoet.
16καὶ ἤγγισαν ἕως ἀναβάσεως Βαιθωρών, καὶ ἐξῆλθεν Ἰούδας εἰς συνάντησιν αὐτῶν ὀλιγοστός.
17Toen dezen dan ook dat leger op zich zagen afkomen, zeiden ze tot Judas: Hoe zal een kleine troep als de onze tegen zulk een overmacht kunnen strijden? En daar komt nog bij, dat wij uitgeput zijn, omdat wij vandaag nog niets hebben gegeten.
17ὡς δὲ εἶδον τὴν παρεμβολὴν ἐρχομένην εἰς συνάντησιν αὐτοῖς, εἶπον τῷ Ἰούδᾳ· πῶς δυνησόμεθα ὀλιγοστοὶ ὄντες πολεμῆσαι πρὸς πλῆθος τοσοῦτον ἰσχυρόν; καὶ ἡμεῖς ἐκλελύμεθα ἀσιτοῦντες σήμερον.
18Maar Judas sprak: Het is gemakkelijk genoeg, om een grote troep in de handen van een kleinere over te leveren; want voor de hemel blijft het gelijk, redding te brengen door velen of weinigen!
18καὶ εἶπεν Ἰούδας· εὔκοπόν ἐστι συγκλεισθῆναι πολλοὺς ἐν χερσὶν ὀλίγων, καὶ οὐκ ἔστι διαφορὰ ἐναντίον τοῦ Θεοῦ τοῦ οὐρανοῦ σῴζειν ἐν πολλοῖς ἢ ἐν ὀλίγοις·
19In de strijd hangt de zege niet af van de legersterkte, maar van de kracht uit de hemel.
19ὅτι οὐκ ἐν πλήθει δυνάμεως νίκη πολέμου ἐστίν, ἀλλ᾿ ἢ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἡ ἰσχύς.
20Vol trots en boosheid komen zij op ons af, om ons te verdelgen met vrouwen en kinderen, en ons leeg te plunderen.
20αὐτοὶ ἔρχονται πρὸς ἡμᾶς ἐν πλήθει ὕβρεως καὶ ἀνομίας τοῦ ἐξᾶραι ἡμᾶς καὶ τὰς γυναῖκας ἡμῶν καὶ τὰ τέκνα ἡμῶν, τοῦ σκυλεῦσαι ἡμᾶς,
21Maar wij, wij strijden voor ons leven en voor onze wet,
21ἡμεῖς δὲ πολεμοῦμεν περὶ τῶν ψυχῶν ἡμῶν καὶ τῶν νομίμων ἡμῶν.
22en God zal hen voor onze ogen verpletteren. Weest dus voor hen maar niet bang!
22καὶ αὐτὸς συντρίψει αὐτοὺς πρὸ προσώπου ἡμῶν· ὑμεῖς δὲ μὴ φοβηθῆτε ἀπ᾿ αὐτῶν.
23Nauwelijks had hij dit gezegd, of onverwacht stormde hij op hen los, zodat Séron met zijn leger door hem werd verpletterd.
23ὡς δὲ ἐπαύσατο λαλῶν, ἐνήλατο εἰς αὐτοὺς ἄφνω, καὶ συνετρίβη Σήρων καὶ ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ ἐνώπιον αὐτοῦ.
24Ze achtervolgden hen in de pas van Bet-Choron tot aan de vlakte; er sneuvelden van hen ongeveer achthonderd man, en de overigen vluchtten naar het land der Filistijnen.
24καὶ ἐδίωκον αὐτὸν ἐν τῇ καταβάσει Βαιθωρὼν ἕως τοῦ πεδίου· καὶ ἔπεσον ἀπ᾿ αὐτῶν εἰς ἄνδρας ὀκτακοσίους, οἱ δὲ λοιποὶ ἔφυγον εἰς γῆν Φυλιστιείμ.
25Van nu af kreeg men ontzag voor Judas en zijn broers, en een radeloze angst maakte zich meester van de heidenen uit hun omgeving.
25καὶ ἤρξατο ὁ φόβος Ἰούδα καὶ τῶν ἀδελφῶν αὐτοῦ καὶ ἡ πτόησις ἐπιπίπτειν ἐπὶ τὰ ἔθνη τὰ κύκλῳ αὐτῶν.
26De naam van Judas drong door tot den koning, en de hele wereld sprak over zijn vechten.
26καὶ ἤγγισεν ἕως τοῦ βασιλέως τὸ ὄνομα αὐτοῦ, καὶ ὑπὲρ τῶν παρατάξεων Ἰούδα ἐξηγεῖτο πᾶν ἔθνος.
27Toen koning Antiochus dit alles vernam, werd hij woedend, en liet uit de gehele weermacht van zijn rijk een ontzaggelijk leger samenstellen.
27Ὡς δὲ ἤκουσεν Ἀντίοχος ὁ βασιλεὺς τοὺς λόγους τούτους, ὠργίσθη θυμῷ καὶ ἀπέστειλε καὶ συνήγαγε τὰς δυνάμεις πάσας τῆς βασιλείας αὐτοῦ, παρεμβολὴν ἰσχυρὰν σφόδρα.
28Hij opende zijn schatkist, betaalde zijn troepen een jaar soldij vooruit, en wees hen er op dat zij voor alle mogelijke gebeurtenissen klaar moesten staan.
28καὶ ἤνοιξε τὸ γαζοφυλάκιον αὐτοῦ καὶ ἔδωκεν ὀψώνια ταῖς δυνάμεσιν αὐτοῦ εἰς ἐνιαυτὸν καὶ ἐνετείλατο εἶναι αὐτοὺς ἑτοίμους εἰς πᾶσαν χρείαν.
29Maar hij bemerkte al gauw, dat het geld in zijn schatkist dreigde op te raken; want de inkomsten uit de belasting waren in zijn gebied sterk geslonken tengevolge van het oproer en de noodtoestand, waarin hij zelf het land had gebracht door het afschaffen der aloude gebruiken.
29καὶ εἶδεν ὅτι ἐξέλιπε τὸ ἀργύριον ἀπὸ τῶν θησαυρῶν καὶ οἱ φόροι τῆς χώρας ὀλίγοι, χάριν τῆς διχοστασίας καὶ πληγῆς, ἧς κατεσκεύασεν ἐν τῇ γῇ τοῦ ἆραι τὰ νόμιμα, ἃ ἦσαν ἀφ᾿ ἡμερῶν τῶν πρώτων.
30Hij begon dus te vrezen, dat hij evenals bij vorige gelegenheden geen geld meer zou hebben voor zijn spilzucht en voor de geschenken, die hij vroeger met kwistige hand had uitgedeeld, en waarin hij vorige koningen verre overtrof.
30καὶ εὐλαβήθη μὴ οὐκ ἔχῃ ὡς ἅπαξ καὶ δὶς εἰς τὰς δαπάνας καὶ τὰ δόματα, ἃ ἐδίδου ἔμπροσθεν δαψιλεῖ χειρὶ καὶ ἐπερίσσευσεν ὑπὲρ τοὺς βασιλεῖς τοὺς ἔμπροσθεν,
31Ten einde raad besloot hij naar Perzië te trekken, om de belastingen der provincies te innen en zó veel geld bijeen te brengen.
31καὶ ἠπορεῖτο τῇ ψυχῇ αὐτοῦ σφόδρα καὶ ἐβουλεύσατο τοῦ πορευθῆναι εἰς τὴν Περσίδα καὶ λαβεῖν τοὺς φόρους τῶν χωρῶν καὶ συναγαγεῖν ἀργύριον πολύ.
32Hij liet echter Lúsias achter, een hooggeplaatst persoon van koninklijke adel, om de staatszaken te regelen in de landen tussen de Eufraat en de grens van Egypte,
32καὶ κατέλιπε Λυσίαν ἄνθρωπον ἔνδοξον καὶ ἀπὸ γένους τῆς βασιλείας ἐπὶ τῶν πραγμάτων τοῦ βασιλέως ἀπὸ τοῦ ποταμοῦ Εὐφράτου ἕως τῶν ὁρίων Αἰγύπτου
33en om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou zijn teruggekeerd.
33καὶ τρέφει Ἀντίοχον τὸν υἱὸν αὐτοῦ ἕως τοῦ ἐπιστρέψαι αὐτόν.
34Hij stelde hem de helft der weermacht en de olifanten ter beschikking, en gaf hem aanwijzingen, wat hij allemaal wenste, vooral met betrekking tot de bewoners van Juda en Jerusalem.
34καὶ παρέδωκεν αὐτῷ τὰς ἡμίσεις τῶν δυνάμεων καὶ τοὺς ἐλέφαντας καὶ ἐνετείλατο αὐτῷ περὶ πάντων, ὦν ἐβούλετο, καὶ περὶ τῶν κατοικούντων τὴν Ἰουδαίαν καὶ Ἱερουσαλὴμ
35Hij moest namelijk een leger op hen afzenden, om het verzet van Israël te breken, en wat er van Jerusalem nog over was te verwoesten;
35ἀποστεῖλαι ἐπ᾿ αὐτοὺς δύναμιν τοῦ ἐκτρίψαι καὶ ἐξᾶραι τὴν ἰσχὺν Ἰσραὴλ καὶ τὸ κατάλειμμα Ἱερουσαλὴμ καὶ ἆραι τὸ μνημόσυνον αὐτῶν ἀπὸ τοῦ τόπου
36al wat in die streek aan hen kon herinneren, moest hij uitroeien, hun hele gebied met vreemdelingen bevolken, en hun land onder dezen door het lot verdelen.
36καὶ κατοικίσαι υἱοὺς ἀλλογενεῖς ἐν πᾶσι τοῖς ὁρίοις αὐτῶν καὶ κατακληροδοτῆσαι τὴν γῆν αὐτῶν.
37De koning zelf nam de andere helft van de troepen, vertrok in het jaar 147 uit zijn hoofdstad Antiochië, stak de Eufraat over en doorkruiste de hoger gelegen gebieden.
37καὶ ὁ βασιλεὺς παρέλαβε τὰς ἡμίσεις τῶν δυνάμεων τὰς καταλειφθείσας καὶ ἀπῇρεν ἀπὸ Ἀντιοχείας ἀπὸ πόλεως βασιλείας αὐτοῦ, ἔτους ἑβδόμου καὶ τεσσαρακοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ, καὶ διεπέρασε τὸν Εὐφράτην ποταμὸν καὶ διεπορεύετο τὰς ἐπάνω χώρας.
38Nu wees Lúsias onder de vertrouwelingen van den koning enkele dappere mannen aan; het waren Ptoleméus, de zoon van Dorúmenes, Nikánor en Górgias.
38Καὶ ἐπέλεξε Λυσίας Πτολεμαῖον τὸν Δορυμένους καὶ Νικάνορα καὶ Γοργίαν ἄνδρας δυνατοὺς τῶν φίλων τοῦ βασιλέως,
39Hij zond hen met veertigduizend man voetvolk en zevenduizend ruiters uit, om Juda binnen te vallen en het volgens koninklijk bevel geheel te verwoesten.
39καὶ ἀπέστειλε μετ᾿ αὐτῶν τεσσαράκοντα χιλιάδας ἀνδρῶν καὶ ἑπτακισχιλίαν ἵππον τοῦ ἐξελθεῖν εἰς γῆν Ἰούδα καὶ καταφθεῖραι αὐτὴν κατὰ τὸν λόγον τοῦ βασιλέως.
40Zij trokken dus op met al hun troepen, rukten er binnen, en sloegen hun legerkamp op in de vlakte bij Emmaus.
40καὶ ἀπῇραν σὺν πάσῃ τῇ δυνάμει αὐτῶν, καὶ ἦλθον καὶ παρενέβαλον πλησίον Ἐμμανοὺμ ἐν τῇ γῇ τῇ πεδινῇ.
41Toen de handelaars uit de omtrek het gerucht ervan hoorden, namen zij grote hoeveelheden zilver en goud en tevens voetboeien mee, en gingen het legerkamp binnen, om straks de Israëlieten als slaven te kopen. Ook sloten zich troepen uit Syrië en uit het Filistijnenland bij hen aan.
41καὶ ἤκουσαν οἱ ἔμποροι τῆς χώρας τὸ ὄνομα αὐτῶν καὶ ἔλαβον ἀργύριον καὶ χρυσίον πολὺ σφόδρα καὶ πέδας καὶ ἦλθον εἰς τὴν παρεμβολὴν τοῦ λαβεῖν τοὺς υἱοὺς Ἰσραὴλ εἰς παῖδας. καὶ προσετέθησαν πρὸς αὐτοὺς δύναμις Συρίας καὶ γῆς ἀλλοφύλων.
42Judas en zijn broers zagen het gevaar steeds dreigender worden, nu het leger reeds zijn kamp in hun gebied had opgeslagen. Ook wisten ze maar al te goed, dat de koning het bevel had uitgevaardigd, om het volk geheel en al te verdelgen.
42καὶ εἶδεν Ἰούδας καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ, ὅτι ἐπληθύνθη τὰ κακὰ καὶ αἱ δυνάμεις παρεμβάλλουσιν ἐν τοῖς ὁρίοις αὐτῶν, καὶ ἐπέγνωσαν τοὺς λόγους τοῦ βασιλέως, οὓς ἐνετείλατο ποιῆσαι τῷ λαῷ εἰς ἀπώλειαν καὶ συντέλειαν.
43Daarom zeiden ze tegen elkander: Wij moeten ons verzetten tegen de vernietiging van ons volk, en strijden voor ons volk en het heiligdom!
43καὶ εἶπεν ἕκαστος πρὸς τὸν πλησίον αὐτοῦ· ἀναστήσωμεν τὴν καθαίρεσιν τοῦ λαοῦ ἡμῶν καὶ πολεμήσωμεν περὶ τοῦ λαοῦ ἡμῶν καὶ τῶν ἁγίων.
44Er werd dus een volksvergadering belegd, zowel om gevechtsklaar te zijn, als om te bidden en genade en barmhartigheid af te smeken.
44καὶ συνηθροίσθη ἡ συναγωγὴ τοῦ εἶναι ἑτοίμους εἰς πόλεμον καὶ τοῦ προσεύξασθαι καὶ αἰτῆσαι ἔλεον καὶ οἰκτιρμούς.
45Jerusalem lag onbewoond. Aan een steppe gelijk; Niet een van zijn kinderen ging er in of uit. En het heiligdom was plat getrapt. Er huisden vreemden in de burcht, Het werd een herberg voor de heidenen. De vreugde was van Jakob verdwenen, Fluit en citer waren verstomd.
45καὶ Ἱερουσαλὴμ ἦν ἀοίκητος ὡς ἔρημος· οὐκ ἦν ὁ εἰσπορευόμενος καὶ ἐκπορευόμενος ἐκ τῶν γενημάτων αὐτῆς, καὶ τὸ ἁγίασμα καταπατούμενον, καὶ υἱοὶ ἀλλογενῶν ἐν τῇ ἄκρᾳ, κατάλυμα τοῖς ἔθνεσι· καὶ ἐξῃ£ρθη τέρψις ἐξ Ἰακώβ, καὶ ἐξέλιπεν αὐλὸς καὶ κινύρα.
46In dichte drommen trokken ze daarom naar Mispa, dat tegenover Jerusalem ligt; want Mispa was vroeger de plaats geweest waar Israël kwam bidden.
46καὶ συνήχθησαν καὶ ἤλθοσαν εἰς Μασσηφὰ κατέναντι Ἱερουσαλήμ, ὅτι τόπος προσευχῆς εἰς Μασσηφὰ τὸ πρότερον τῷ Ἰσραήλ.
47Zij vastten die dag, hulden zich in boetezakken, strooiden as op hun hoofd en scheurden hun klederen.
47καὶ ἐνήστευσαν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ καὶ περιεβάλοντο σάκκους καὶ σποδὸν ἐπὶ τὰς κεφαλὰς αὐτῶν καὶ διέρρηξαν τὰ ἱμάτια αὐτῶν.
48Daarna rolden zij het wetboek open, met hetzelfde doel, waarmee de heidenen hun afgodsbeelden ondervragen.
48καὶ ἐξεπέτασαν τὸ βιβλίον τοῦ νόμου, περὶ ὧν ἐξηρεύνων τὰ ἔθνη τὰ ὁμοιώματα τῶν εἰδώλων αὐτῶν.
49Ook hadden zij de priesterlijke gewaden, de eerstelingen en tienden meegenomen, en de Nazireërs opgeroepen, wier tijd was verstreken.
49καὶ ἤνεγκαν τὰ ἱμάτια τῆς ἱερωσύνης καὶ τὰ πρωτογενήματα καὶ τὰς δεκάτας καὶ ἤγειραν τοὺς ναζιραίους, οἳ ἐπλήρωσαν τὰς ἡμέρας,
50Nu begonnen ze met luider stem naar de hemel te roepen: Wat vangen we hiermee toch aan, waar brengen we ze heen?
50καὶ ἐβόησαν φωνῇ εἰς τὸν οὐρανὸν λέγοντες· τί ποιήσωμεν τούτοις καὶ ποῦ αὐτοὺς ἀπαγάγωμεν;
51Want uw heiligdom is vertrapt en ontwijd, uw priesters treuren en zijn vernederd.
no verse 51 in this text
52Zie, hoe de heidenen samenspannen, om ons te vernielen; U is het bekend, welke plannen ze tegen ons smeden.
52καὶ τὰ ἅγιά σου καταπεπάτηται καὶ βεβήλωται καὶ οἱ ἱερεῖς σου ἐν πένθει καὶ ταπεινώσει. καὶ ἰδοὺ τὰ ἔθνη συνῆκται ἐφ᾿ ἡμᾶς τοῦ ἐξᾶραι ἡμᾶς· σὺ οἶδας ἃ λογίζονται ἐφ᾿ ἡμᾶς.
53Als Gij ons niet helpt, hoe houden wij dan tegen hen stand?
53πῶς δυνησόμεθα ὑποστῆναι κατὰ πρόσωπον αὐτῶν, ἐὰν μὴ σὺ βοηθήσῃς ἡμῖν;
54Toen bliezen zij op de trompetten en begonnen hardop te schreeuwen.
54καὶ ἐσάλπισαν ταῖς σάλπιγξι καὶ ἐβόησαν φωνῇ μεγάλῃ.
55Nu benoemde Judas aanvoerders van het volk, die het bevel moesten voeren over duizend, honderd, vijftig en tien.
55καὶ μετὰ τοῦτο κατέστησεν Ἰούδας ἡγούμενος τοῦ λαοῦ χιλιάρχους καὶ ἑκατοντάρχους καὶ πεντηκοντάρχους καὶ δεκάρχους.
56Maar hij beval, dat allen, die een huis hadden gebouwd, een vrouw hadden getrouwd of een wijnberg geplant, met de vreesachtigen naar huis zouden gaan, zoals de wet het had voorgeschreven.
56καὶ εἶπον τοῖς οἰκοδομοῦσιν οἰκίας καὶ μνηστευομένοις γυναῖκας καὶ φυτεύουσιν ἀμπελῶνας καὶ δειλοῖς ἀποστρέφειν ἕκαστον εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ κατὰ τὸν νόμον.
57Daarna zette het leger zich in beweging en sloeg het kamp op ten zuiden van Emmaus.
57καὶ ἀπῇρεν ἡ παρεμβολή, καὶ παρενέβαλε κατὰ νότον Ἀμμαούς.
58Toen sprak Judas: Houdt u gereed en weest dappere mannen! Morgen vroeg moet gij klaar staan, om tegen deze heidenen te strijden, die tegen ons zijn verenigd, om ons en ons heiligdom te verdelgen.
58καὶ εἶπεν Ἰούδας· περιζώσασθε καὶ γίνεσθε εἰς υἱοὺς δυνατοὺς καὶ γίνεσθε ἕτοιμοι εἰς τὸ πρωΐ τοῦ πολεμῆσαι ἐν τοῖς ἔθνεσι τούτοις τοῖς ἐπισυνηγμένοις ἐφ᾿ ἡμᾶς ἐξᾶραι ἡμᾶς καὶ τὰ ἅγια ἡμῶν·
59Want het is beter voor ons, op het slagveld te sterven, dan de ellende te zien van ons volk en ons heiligdom.
59ὅτι κρεῖσσον ἡμᾶς ἀποθανεῖν ἐν τῷ πολέμῳ ἢ ἐπιδεῖν ἐπὶ τὰ κακὰ τοῦ ἔθνους ἡμῶν καὶ τῶν ἁγίων.
60Maar het geschiede, zoals in de Hemel is besloten!
60ὡς δ᾿ ἂν ᾖ θέλημα ἐν οὐρανῷ, οὕτω ποιήσει.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.