Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In die dagen trad Mattatias op, een zoon van Johannes en kleinzoon van Sjimon. Hij was priester uit het geslacht van Jojarib te Jerusalem, maar woonde in Modin.
1ΕΝ ταῖς ἡμέραις ἐκείναις ἀνέστη Ματταθίας υἱὸς Ἰωάννου τοῦ Συμεὼν ἱερεὺς τῶν υἱῶν Ἰωαρὶβ ἀπὸ Ἱερουσαλὴμ καὶ ἐκάθισεν ἐν Μωδεΐν.
2Hij had vijf zonen: Johannes met de bijnaam Gaddi,
2καὶ αὐτῷ υἱοὶ πέντε, Ἰωάννης ὁ καλούμενος Γαδδίς,
3Sjimon met de bijnaam Tassi,
3Σίμων ὁ καλούμενος Θασσί,
4Judas die Makkabeër genoemd werd,
4Ἰούδας ὁ καλούμενος Μακκαβαῖος,
5Elazar met de bijnaam Hauran, en Jonatan, die ook Affoes heette.
5Ἐλεάζαρ ὁ καλούμενος Αὐαράν, Ἰωνάθαν ὁ καλούμενος Ἀπφοῦς.
6Toen hij nu de gruwelen in Juda en Jerusalem aanschouwde,
6καὶ εἶδε τὰς βλασφημίας τὰς γινομένας ἐν Ἰούδᾳ καὶ ἐν Ἱερουσαλὴμ
7sprak hij: Wee mij! Waartoe werd ik geboren, Nu ik de ondergang van mijn volk aanschouw, de ruïne der heilige stad; Nu ik machteloos zit, terwijl zij aan den vijand wordt overgeleverd En het heiligdom in de handen van vreemden valt.
7καὶ εἶπεν· οἴμοι, ἱνατί τοῦτο ἐγεννήθην ἰδεῖν τὸ σύντριμμα τοῦ λαοῦ μου καὶ τὸ σύντριμμα τῆς πόλεως τῆς ἁγίας καὶ καθίσαι ἐκεῖ ἐν τῷ δοθῆναι αὐτὴν ἐν χειρὶ ἐχθρῶν καὶ τὸ ἁγίασμα ἐν χειρὶ ἀλλοτρίων;
8Haar tempel werd als een onteerde man, Nu haar heerlijke vaten als buit zijn geroofd.
8ἐγένετο ὁ ναὸς αὐτῆς ὡς ἀνὴρ ἄδοξος,
9Haar kinderen werden in haar straten vermoord, Haar jongemannen door het vijandig zwaard.
9τὰ σκεύη τῆς δόξης αὐτῆς αἰχμάλωτα ἀπήχθη, ἀπεκτάνθη τὰ νήπια αὐτῆς ἐν ταῖς πλατείαις, οἱ νεανίσκοι αὐτῆς ἐν ρομφαίᾳ ἐχθροῦ.
10Is er nog een volk, dat niet over haar heerste, En dat geen beslag heeft gelegd op een deel van de buit?
10ποῖον ἔθνος οὐκ ἐκληρονόμησε βασιλείαν αὐτῆς καὶ οὐκ ἐκράτησε τῶν σκύλων αὐτῆς;
11Al haar sieraden zijn haar ontnomen; Die vroeger vrij was, werd een slavin.
11πᾶς ὁ κόσμος αὐτῆς ἀφῃρέθη, ἀντὶ ἐλευθέρας ἐγένετο εἰς δούλην.
12Ziet eens, hoe ons heiligdom, ons juweel, Hoe onze trots is verwoest, En hoe de heidenen het hebben onteerd!
12καὶ ἰδοὺ τὰ ἅγια ἡμῶν καὶ ἡ καλλονὴ ἡμῶν καὶ ἡ δόξα ἡμῶν ἠρημώθη, καὶ ἐβεβήλωσαν αὐτὰ τὰ ἔθνη.
13Waartoe leven wij nog?
13ἱνατί ἡμῖν ἔτι ζῆν;
14Mattatias en zijn zonen scheurden hun klederen, hulden zich in boetezakken en waren diep bedroefd.
14καὶ διέρρηξε Ματταθίας καὶ υἱοὶ αὐτοῦ τὰ ἱμάτια αὐτῶν καὶ περιεβάλοντο σάκκους καὶ ἐπένθησαν σφόδρα.
15Op zekere dag verschenen er ook koninklijke beambten in Modin, om de stad tot afval en tot offeren te dwingen.
15Καὶ ἦλθον οἱ παρὰ τοῦ βασιλέως οἱ καταναγκάζοντες τὴν ἀποστασίαν εἰς Μωδεΐν τὴν πόλιν, ἵνα θυσιάσωσι.
16Vele Israëlieten liepen naar hen over, maar Mattatias en zijn zonen bleven standvastig.
16καὶ πολλοὶ ἀπὸ Ἰσραὴλ πρὸς αὐτοὺς προσῆλθον· καὶ Ματταθίας καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ συνήχθησαν.
17Daarom spraken de koninklijke beambten Mattatias hierover aan, en zeiden tot hem: In deze stad zijt gij een der leiders; ge staat hoog in aanzien en hebt grote invloed; bovendien staan uw zonen en uw familie achter u.
17καὶ ἀπεκρίθησαν οἱ παρὰ τοῦ βασιλέως καὶ εἶπον τῷ Ματταθίᾳ λέγοντες· ἄρχων καὶ ἔνδοξος καὶ μέγας εἶ ἐν τῇ πόλει ταύτῃ καὶ ἐστηριγμένος ἐν υἱοῖς καὶ ἀδελφοῖς·
18Treed gij dus het eerst naar voren, en doe wat de koning beveelt; alle volken hebben het reeds gedaan, en de mannen uit Juda met die in Jerusalem zijn achtergebleven, eveneens. Dan zult gij en uw zonen tot de vrienden van den koning worden gerekend, en goud, zilver en veel andere eregeschenken ontvangen.
18νῦν οὖν πρόσελθε πρῶτος καὶ ποίησον τὸ πρόσταγμα τοῦ βασιλέως, ὡς ἐποίησαν πάντα τὰ ἔθνη καὶ οἱ ἄνδρες Ἰούδα καὶ οἱ καταλειφθέντες ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ἔσῃ σὺ καὶ ὁ οἶκός σου τῶν φίλων τοῦ βασιλέως, καὶ σὺ καὶ οἱ υἱοί σου δοξασθήσεσθε ἀργυρίῳ καὶ χρυσίῳ καὶ ἀποστολαῖς πολλαῖς.
19Maar Mattatias antwoordde met luider stem: Al gehoorzamen hem alle volken in het rijksgebied van den koning, al valt iedereen van de godsdienst zijner vaderen af en voegt zich naar het bevel van den koning,
19καὶ ἀπεκρίθη Ματταθίας καὶ εἶπε φωνῇ μεγάλῃ· εἰ πάντα τὰ ἔθνη τὰ ἐν οἴκῳ τῆς βασιλείας τοῦ βασιλέως ἀκούουσιν αὐτοῦ, ἀποστῆναι ἕκαστος ἀπὸ λατρείας πατέρων αὐτοῦ καὶ ᾑρετίσαντο ἐν ταῖς ἐντολαῖς αὐτοῦ,
20ik, mijn zonen en mijn familie blijven trouw aan het verbond onzer vaderen!
20ἀλλ᾿ ἐγὼ καὶ οἱ υἱοί μου καὶ οἱ ἀδελφοί μου πορευσόμεθα ἐν διαθήκῃ πατέρων ἡμῶν.
21Wij denken er niet aan, de wet te verzaken en haar geboden.
21ἵλεως ἡμῖν καταλιπεῖν νόμον καὶ δικαιώματα·
22Nooit gehoorzamen wij aan het bevel van den koning; van onze godsdienst wijken we niet af, niet rechts en niet links!
22τῶν λόγων τοῦ βασιλέως οὐκ ἀκουσόμεθα τοῦ παρελθεῖν τὴν λατρείαν ἡμῶν δεξιὰν ἢ ἀριστεράν.
23Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of er trad een jood voor aller ogen naar voren, om volgens het bevel van den koning een offer te brengen op het altaar van Modin.
23καὶ ὡς ἐπαύσατο λαλῶν τοὺς λόγους τούτους, προσῆλθεν ἀνὴρ Ἰουδαῖος ἐν ὀφθαλμοῖς πάντων, θυσιᾶσαι ἐπὶ τοῦ βωμοῦ τοῦ ἐν Μωδεΐν κατὰ τὸ πρόσταγμα τοῦ βασιλέως.
24Toen Mattatias dit zag, ontstak hij in heilige woede, en heel zijn wezen kwam in opstand. Hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige toorn, sprong vooruit, en sloeg hem neer bij het altaar.
24καὶ εἶδε Ματταθίας καὶ ἐζήλωσε, καὶ ἐτρόμησαν οἱ νεφροὶ αὐτοῦ, καὶ ἀνήνεγκε θυμὸν κατὰ τὸ κρίμα καὶ δραμὼν ἔσφαξεν αὐτὸν ἐπὶ τὸν βωμόν·
25Tegelijkertijd doodde hij den koninklijken beambte, die het offer had doorgedreven, en vernielde het altaar.
25καὶ τὸν ἄνδρα τοῦ βασιλέως τὸν ἀναγκάζοντα θύειν ἀπέκτεινεν ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ καὶ τὸν βωμὸν καθεῖλε.
26Zo kwam hij op voor de wet, evenals Pinechas tegen Zimri, den zoon van Sjalloem.
26καὶ ἐζήλωσε τῷ νόμῳ, καθὼς ἐποίησε Φινεὲς τῷ Ζαμβρὶ υἱῷ Σαλώμ.
27Nu liet Mattatias met luider stem in de stad afkondigen: Iedereen die het opneemt voor de wet en trouw blijft aan het verbond, volge mij!
27καὶ ἀνέκραξε Ματταθίας ἐν τῇ πόλει φωνῇ μεγάλῃ λέγων· πᾶς ὁ ζηλῶν τῷ νόμῳ καὶ ἱστῶν διαθήκην ἐξελθέτω ὀπίσω μου.
28Daarop vluchtte hij met zijn zonen naar het gebergte, en ze lieten have en goed in de stad.
28καὶ ἔφυγον αὐτὸς καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ εἰς τὰ ὄρη καὶ ἐγκατέλιπον ὅσα εἶχον ἐν τῇ πόλει.
29Toen trokken er velen, die naar recht en gerechtigheid snakten, naar de woestijn, en bleven daar wonen
29Τότε κατέβησαν πολλοὶ ζητοῦντες δικαιοσύνην καὶ κρίμα εἰς τὴν ἔρημον καθίσαι ἐκεῖ,
30met vrouwen, kinderen en vee, omdat de nood te hoog was geklommen.
30αὐτοὶ καὶ οἱ υἱοὶ αὐτῶν καὶ αἱ γυναῖκες αὐτῶν καὶ τὰ κτήνη αὐτῶν, ὅτι ἐπληθύνθη ἐπ᾿ αὐτοὺς τὰ κακά.
31Maar zodra de koninklijke beambte en de bezetting, die zich te Jerusalem in de Davidstad ophield, te weten waren gekomen, dat velen van hen, die het koninklijk bevel in de wind hadden geslagen, naar de holen in de woestijn waren gevlucht,
31καὶ ἀνηγγέλη τοῖς ἀνδράσι τοῦ βασιλέως καὶ ταῖς δυνάμεσιν, αἵ ἦσαν ἐν Ἱερουσαλὴμ πόλει Δαυίδ, ὅτι κατέβησαν ἄνδρες, οἵτινες διασκέδασαν τὴν ἐντολὴν τοῦ βασιλέως εἰς τοὺς κρύφους ἐν τῇ ἐρήμῳ.
32trokken ze hen met een groot leger achterna, haalden hen in en omsingelden hen. Doch eerst op de sabbat gingen ze tot de aanval over,
32καὶ ἔδραμον ὀπίσω αὐτῶν πολλοὶ καὶ καταλαβόντες αὐτοὺς παρενέβαλον ἐπ᾿ αὐτοὺς καὶ συνεστήσαντο πρὸς αὐτοὺς πόλεμον ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῶν σαββάτων
33en riepen hun toe: Nu is het genoeg; komt er uit! Als gij u onderwerpt aan het bevel van den koning, blijft gij in leven!
33καὶ εἶπον πρὸς αὐτούς· ἕως τοῦ νῦν ἱκανόν· ἐξέλθετε καὶ ποιήσατε κατὰ τὸν λόγον τοῦ βασιλέως καὶ ζήσεσθε.
34Men riep hun terug: Wij komen er niet uit; wij onderwerpen ons niet aan het bevel van den koning, en willen nog minder de sabbat schenden.
34καὶ εἶπον· οὐκ ἐξελευσόμεθα οὐδὲ ποιήσομεν τὸν λόγον τοῦ βασιλέως τοῦ βεβηλῶσαι τὴν ἡμέραν τῶν σαββάτων.
35Nu vielen ze hen onmiddellijk aan.
35καὶ ἐτάχυναν ἐπ᾿ αὐτοὺς πόλεμον.
36Maar de anderen verweerden zich niet; ze wierpen geen enkele steen naar hen, en sloten zelfs de holen niet af.
36καὶ οὐκ ἀπεκρίθησαν αὐτοῖς οὐδὲ λίθον ἐνετίναξαν αὐτοῖς, οὐδὲ ἐνέφραξαν τοὺς κρύφους
37Ze riepen: We willen allen sterven met een rein geweten! Hemel en aarde zijn onze getuigen, dat gij ons wederrechtelijk vermoordt.
37λέγοντες· ἀποθάνωμεν πάντες ἐν τῇ ἁπλότητι ἡμῶν· μαρτυρεῖ ἐφ᾿ ἡμᾶς ὁ οὐρανὸς καὶ ἡ γῆ ὅτι ἀκρίτως ἀπόλλυτε ἡμᾶς.
38Zij vielen hen dus op sabbat aan, en ongeveer duizend mannen, vrouwen en kinderen vonden de dood met het vee.
38καὶ ἀνέστησαν ἐπ᾿ αὐτοὺς ἐν τῷ πολέμῳ τοῖς σάββασι, καὶ ἀπέθανον αὐτοὶ καὶ αἱ γυναῖκες αὐτῶν, καὶ τὰ τέκνα αὐτῶν, καὶ τὰ κτήνη αὐτῶν ἕως χιλίων ψυχῶν ἀνθρώπων.
39Toen Mattatias en zijn vrienden dit vernamen, betreurden ze hen diep.
39Καὶ ἔγνω Ματταθίας καὶ οἱ φίλοι αὐτοῦ καὶ ἐπένθησαν ἐπ᾿ αὐτοὺς ἕως σφόδρα.
40Maar ze zeiden ook tegen elkander: Wanneer wij allen doen als onze broeders, en ons leven en onze wet niet tegen de heidenen verdedigen dan zullen ze ons al heel gauw van de aarde verdelgen.
40καὶ εἶπεν ἀνὴρ τῷ πλησίον αὐτοῦ· ἐὰν πάντες ποιήσωμεν ὡς οἱ ἀδελφοὶ ἡμῶν ἐποίησαν, καὶ μὴ πολεμήσωμεν πρὸς τὰ ἔθνη ὑπὲρ τῶν ψυχῶν ἡμῶν καὶ τῶν δικαιωμάτων ἡμῶν, νῦν τάχιον ἡμᾶς ἐξολοθρεύσουσιν ἀπὸ τῆς γῆς.
41Nog diezelfde dag maakten ze dan ook het besluit: We grijpen iedereen aan, die ons aanvalt op sabbat, en laten ons niet tot den laatsten man uitmoorden, zoals onze broeders, die in de holen gedood zijn.
41καὶ ἐβουλεύσαντο τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ λέγοντες· πᾶς ἄνθρωπος, ὃς ἐὰν ἔλθῃ πρὸς ἡμᾶς εἰς πόλεμον τῇ ἡμέρᾳ τῶν σαββάτων, πολεμήσωμεν κατέναντι αὐτοῦ καὶ οὐ μὴ ἀποθάνωμεν πάντες καθὼς ἀπέθανον οἱ ἀδελφοὶ ἡμῶν ἐν τοῖς κρύφοις.
42Nu sloot zich ook een groep chasidéen bij hen aan; het waren dappere Israëlieten, die allen met hart en ziel voor de wet opkwamen.
42τότε συνήχθησαν πρὸς αὐτοὺς συναγωγὴ Ἁσιδαίων, ἰσχυροὶ δυνάμει ἀπὸ Ἰσραήλ, πᾶς ὁ ἑκουσιαζόμενος τῷ νόμῳ·
43Ook allen, die voor de nood moesten vluchten, sloten zich bij hen aan, en versterkten hun macht.
43καὶ πάντες οἱ φυγαδεύοντες ἀπὸ τῶν κακῶν προσετέθησαν αὐτοῖς καὶ ἐγένοντο αὐτοῖς εἰς στήριγμα.
44Zo vormden zij een legerschare, en In hun verbittering sloegen zij de goddelozen neer, En de afvalligen in hun woede! De rest wist zich te redden, door naar de heidenen te vluchten.
44καὶ συνεστήσαντο δύναμιν καὶ ἐπάταξαν ἁμαρτωλοὺς ἐν ὀργῇ αὐτῶν καὶ ἄνδρας ἀνόμους ἐν θυμῷ αὐτῶν· καὶ οἱ λοιποὶ ἔφυγον εἰς τὰ ἔθνη σωθῆναι.
45Nu trokken Mattatias en zijn vrienden overal rond, en vernielden de altaren.
45καὶ ἐκύκλωσε Ματταθίας καὶ οἱ φίλοι αὐτοῦ καὶ καθεῖλον τοὺς βωμοὺς
46En wanneer ze ergens binnen het gebied van Israël een onbesneden kind ontdekten, lieten zij het desnoods met geweld besnijden;
46καὶ περιέτεμον τὰ παιδάρια τὰ ἀπερίτμητα, ὅσα εὗρον ἐν ὁρίοις Ἰσραήλ, ἐν ἰσχύϊ
47die zich hooghartig verzetten, joegen ze er uit. Hun werk werd met goede uitslag bekroond:
47καὶ ἐδίωξαν τοὺς υἱοὺς τῆς ὑπερηφανίας, καὶ κατευωδώθη τὸ ἔργον ἐν χειρὶ αὐτῶν.
48ze beschermden de wet tegen heidenen en koningen, en gaven de goddelozen geen kans.
48καὶ ἀντελάβοντο τοῦ νόμου ἐκ χειρὸς τῶν ἐθνῶν καὶ ἐκ χειρὸς τῶν βασιλέων καὶ οὐκ ἔδωκαν κέρας τῷ ἁμαρτωλῷ.
49Toen de tijd aanbrak, dat Mattatias zou sterven, sprak hij tot zijn zonen: Nu hebben trots en geweld de overhand, Het is een tijd van verwoesting en grimmige woede.
49Καὶ ἤγγισαν αἱ ἡμέραι τοῦ Ματταθίου ἀποθανεῖν, καὶ εἶπε τοῖς υἱοῖς αὐτοῦ· νῦν ἐστηρίχθη ὑπερηφανία καὶ ἐλεγμὸς καὶ καιρὸς καταστροφῆς καὶ ὀργὴ θυμοῦ.
50Strijdt dus, mijn kinderen, voor de wet, En geeft uw leven voor het verbond onzer vaderen.
50καὶ νῦν, τέκνα, ζηλώσατε τῷ νόμῳ καὶ δότε τὰς ψυχὰς ὑμῶν ὑπὲρ διαθήκης πατέρων ἡμῶν.
51Denkt aan het werk van uw vaderen, Dat zij bij hun leven hebben verricht: Dan valt u grote eer ten deel, En eeuwige roem!
51μνήσθητε τῶν πατέρων ἡμῶν τὰ ἔργα, ἃ ἐποίησαν ἐν ταῖς γενεαῖς αὐτῶν, καὶ δέξασθε δόξαν μεγάλην καὶ ὄνομα αἰώνιον.
52Toonde Abraham zich niet trouw in de beproeving, En werd hem dit niet tot gerechtigheid gerekend?
52Ἁβραὰμ οὐχὶ ἐν πειρασμῷ εὑρέθη πιστός, καὶ ἐλογίσθη αὐτῷ εἰς δικαιοσύνην;
53In zijn nood hield Josef vast aan de wet, En hij werd heer van Egypte.
53Ἰωσὴφ ἐν καιρῷ στενοχωρίας αὐτοῦ ἐφύλαξεν ἐντολὴν καὶ ἐγένετο κύριος Αἰγύπτου.
54Pinechas, onze vader, was een voorbeeld van ijver; Daarom werd hem een priesterschap voor eeuwig beloofd.
54Φινεὲς ὁ πατὴρ ἡμῶν ἐν τῷ ζηλῶσαι ζῆλον ἔλαβε διαθήκην ἱερωσύνης αἰωνίας.
55Omdat Josuël zijn plicht vervulde, Werd hij rechter in Israël.
55Ἰησοῦς ἐν τῷ πληρῶσαι λόγον ἐγένετο κριτὴς ἐν Ἰσραήλ.
56Omdat Kaleb voor het volk heeft getuigd, Kreeg hij een erfdeel in bezit.
56Χάλεβ ἐν τῷ ἐπιμαρτύρασθαι ἐν τῇ ἐκκλησίᾳ ἔλαβε γῆς κληρονομίαν.
57David ontving voor zijn vroomheid De koningstroon voor altijd.
57Δαυὶδ ἐν τῷ ἐλέῳ αὐτοῦ ἐκληρονόμησε θρόνον βασιλείας εἰς αἰῶνα αἰῶνος.
58Omdat Elias voor de wet had geijverd, Werd hij in de hemel opgenomen.
58Ἠλίας ἐν τῷ ζηλῶσαι ζῆλον νόμου ἀνελήφθη ἕως εἰς τὸν οὐρανόν.
59Ananja, Azarja en Misjaël werden door hun geloof Voor de vuurdood behoed.
59Ἀνανίας, Ἀζαρίας, Μισαήλ, πιστεύσαντες ἐσώθησαν ἐκ φλογός.
60De onschuld van Daniël Redde hem uit de muil van de leeuwen.
60Δανιὴλ ἐν τῇ ἁπλότητι αὐτοῦ ἐρρύσθη ἐκ στόματος λεόντων.
61Zo kunt gij nagaan van geslacht tot geslacht, Dat niemand, die op God vertrouwt, het onderspit delft.
61καὶ οὕτως ἐννοήθητε κατὰ γενεὰν καὶ γενεάν, ὅτι πάντες οἱ ἐλπίζοντες ἐπ᾿ αὐτὸν οὐκ ἀσθενήσουσι.
62Weest dus niet bang voor het dreigen van den goddeloze; Want zijn pracht vervuilt en valt de wormen ten prooi.
62καὶ ἀπὸ λόγων ἀνδρὸς ἁμαρτωλοῦ μὴ φοβηθῆτε, ὅτι ἡ δόξα αὐτοῦ εἰς κοπρίαν καὶ εἰς σκώληκας·
63Vandaag nog is hij hoog verheven, Morgen niet eens meer te vinden; Tot zijn stof keert hij terug, En met zijn plannen is het gedaan.
63σήμερον ἐπαρθήσεται καὶ αὔριον οὐ μὴ εὑρεθῇ, ὅτι ἐπέστρεψεν εἰς τὸν χοῦν αὐτοῦ, καὶ ὁ διαλογισμὸς αὐτοῦ ἀπώλετο.
64Dus kinderen, weest moedig, en staat pal voor de wet, Want daarin alleen ligt uw roem!
64καὶ ὑμεῖς τέκνα ἰσχύσατε καὶ ἀνδρίζεσθε ἐν τῷ νόμῳ, ὅτι ἐν αὐτῷ δοξασθήσεσθε.
65En omdat ik weet, dat uw broer Sjimon een man is met doorzicht, moet gij altijd naar hem luisteren; hij zal uw vader zijn.
65καὶ ἰδοὺ Συμεὼν ὁ ἀδελφὸς ὑμῶν, οἶδα ὅτι ἀνὴρ βουλῆς ἐστιν, αὐτοῦ ἀκούετε πάσας τὰς ἡμέρας, αὐτὸς ὑμῖν ἔσται εἰς πατέρα.
66Maar Judas de Makkabeër moet uw legeraanvoerder zijn, omdat hij van jongsaf een dapper held is geweest; hij moet de leiding nemen in de oorlog tegen de heidenen.
66καὶ Ἰούδας Μακκαβαῖος ἰσχυρὸς δυνάμει ἐκ νεότητος αὐτοῦ, οὗτος ὑμῖν ἔσται ἄρχων στρατιᾶς καὶ πολεμήσει πόλεμον λαῶν.
67Verzamelt dan allen, die de wet onderhouden, om u heen, en neemt wraak voor uw volk.
67καὶ ὑμεῖς προσάξατε πρὸς ὑμᾶς πάντας τοὺς ποιητὰς τοῦ νόμου καὶ ἐκδικήσατε ἐκδίκησιν τοῦ λαοῦ ὑμῶν.
68Vergeldt de heidenen wat ze ons deden, en houdt vast aan de wet en haar geboden.
68ἀνταπόδοτε ἀνταπόδομα τοῖς ἔθνεσι καὶ προσέχετε εἰς τὰ προστάγματα τοῦ νόμου.
69Daarna zegende hij hen, en ging tot zijn vaderen.
69καὶ εὐλόγησεν αὐτούς, καὶ προσετέθη πρὸς τοὺς πατέρας αὐτοῦ.
70Hij stierf in het jaar 146, en werd in het familiegraf te Modin begraven. Heel Israël hield over hem een plechtige rouwklacht.
70καὶ ἀπέθανεν ἐν τῷ ἕκτῳ καὶ τεσσαρακοστῷ καὶ ἑκατοστῷ ἔτει, καὶ ἔθαψαν αὐτὸν οἱ υἱοὶ αὐτοῦ ἐν τάφοις πατέρων αὐτῶν ἐν Μωδεΐν, καὶ ἐκόψαντο αὐτὸν πᾶς Ἰσραὴλ κοπετὸν μέγαν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.