2 Kronieken 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen Salomon, de zoon van David, het bewind vast in handen had, doordat Jahweh, zijn God, met hem was en hem steeds machtiger maakte,
1ΚΑΙ ἐνίσχυσε Σαλωμὼν υἱὸς Δαυὶδ ἐπὶ τὴν βασιλείαν αὐτοῦ, καὶ Κύριος ὁ Θεὸς αὐτοῦ μετ' αὐτοῦ καὶ ἐμεγάλυνεν αὐτὸν εἰς ὕψος.
2riep hij heel Israël bij zich, de aanvoerders van duizend en van honderd, de rechters, de familiehoofden en de meest vooraanstaanden in heel Israël,
2καὶ εἶπε Σαλωμὼν πρὸς πάντα Ἰσραήλ, τοῖς χιλιάρχοις καὶ τοῖς ἑκατοντάρχοις καὶ τοῖς κριταῖς καὶ πᾶσι τοῖς ἄρχουσιν ἐναντίον Ἰσραὴλ τοῖς ἄρχουσι τῶν πατριῶν.
3en ging met al het vergaderde volk naar de offerhoogte in Gibon; want daar bevond zich de openbaringstent van God, die Moses, de dienaar van Jahweh, in de woestijn had laten bouwen.
3καὶ ἐπορεύθη Σαλωμὼν καὶ πᾶσα ἡ ἐκκλησία εἰς τὴν ὑψηλὴν τὴν ἐν Γαβαών, οὗ ἐκεῖ ἦν ἡ σκηνὴ τοῦ μαρτυρίου τοῦ Θεοῦ, ἣν ἐποίησε Μωυσῆς παῖς Κυρίου ἐν τῇ ἐρήμῳ·
4Wel had David de ark van God uit Kirjat-Jearim overgebracht naar de plaats, die hij ervoor had ingericht, en er in Jerusalem een tent voor gespannen,
4ἀλλὰ κιβωτὸν τοῦ Θεοῦ ἀνήνεγκε Δαυὶδ ἐκ πόλεως Καριαθιαρίμ, ὅτι ἡτοίμασεν αὐτῇ Δαυίδ, ὅτι ἔπηξεν αὐτῇ σκηνὴν ἐν Ἱερουσαλήμ.
5maar het bronzen altaar, dat vervaardigd was door Besalel, den zoon van Oeri, zoon van Choer, bevond zich voor de tabernakel van Jahweh. Daarheen richtten Salomon en het vergaderde volk hun schreden.
5καὶ τὸ θυσιαστήριον τὸ χαλκοῦν, ὃ ἐποίησε Βεσελεὴλ υἱὸς Οὐρίου, υἱοῦ Ὤρ, ἐκεῖ ἦν ἔναντι τῆς σκηνῆς Κυρίου, καὶ ἐξεζήτησεν αὐτὸ Σαλωμὼν καὶ ἡ ἐκκλησία,
6Daar, op het bronzen altaar, dat voor Jahweh stond, en tot de openbaringstent behoorde, droeg Salomon duizend brandoffers op.
6καὶ ἤνεγκε Σαλωμὼν ἐκεῖ ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον τὸ χαλκοῦν ἐνώπιον Κυρίου τὸ ἐν τῇ σκηνῇ καὶ ἤνεγκεν ἐπ' αὐτῷ ὁλοκαύτωσιν χιλίαν.
7In diezelfde nacht verscheen God aan Salomon, en zeide tot hem: Doe uw verzoek; wat zal Ik u geven?
7ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ ὤφθη Θεὸς τῷ Σαλωμὼν καὶ εἶπεν αὐτῷ· αἴτησαι τί σοι δῶ.
8Salomon antwoordde God: Gij zijt mijn vader, uw dienaar David, zeer goedgunstig geweest; en nu hebt Gij mij koning gemaakt in zijn plaats.
8καὶ εἶπε Σαλωμὼν πρὸς τὸν Θεόν· σὺ ἐποίησας μετὰ Δαυὶδ τοῦ πατρός μου ἔλεος μέγα καί ἐβασίλευσάς με ἀντ' αὐτοῦ·
9Laat dan, Jahweh mijn God, de belofte worden vervuld, die Gij aan mijn vader David gedaan hebt. Gij hebt mij koning gemaakt over een volk, dat zo talrijk is als het stof der aarde;
9καὶ νῦν, Κύριε ὁ Θεός, πιστωθήτω δὴ τὸ ὄνομά σου ἐπὶ Δαυὶδ τὸν πατέρα μου, ὅτι σὺ ἐβασίλευσάς με ἐπὶ λαὸν πολύν, ὡς ὁ χοῦς τῆς γῆς·
10verleen mij nu ook wijsheid en kennis, opdat ik dit volk zal kunnen leiden. Hoe zou ik anders in staat zijn, dit machtig volk van U te besturen?
10νῦν σοφίαν καὶ σύνεσιν δός μοι, καὶ ἐξελεύσομαι ἐνώπιον τοῦ λαοῦ τούτου καὶ εἰσελεύσομαι, ὅτι τίς κρινεῖ τὸν λαόν σου τὸν μέγαν τοῦτον;
11En God sprak tot Salomon: Omdat ge Mij dit verzoek hebt gedaan, en Mij niet rijkdom, schatten en aanzien, of de dood uwer vijanden en zelfs niet een lang leven gevraagd hebt, maar gebeden hebt om wijsheid en kennis, om het volk te besturen, waarover Ik u tot koning heb aangesteld:
11καὶ εἶπεν ὁ Θεὸς πρὸς Σαλωμών· ἀνθ' ὧν ἐγένετο τοῦτο ἐν τῇ καρδίᾳ σου καὶ οὐκ ᾐτήσω πλοῦτον χρημάτων οὐδὲ δόξαν οὐδὲ τὴν ψυχὴν τῶν ὑπεναντίων καὶ ἡμέρας πολλὰς οὐκ ᾐτήσω, καὶ ᾔτησας σεαυτῷ σοφίαν καὶ σύνεσιν, ὅπως κρίνῃς τὸν λαόν μου, ἐφ' ὃν ἐβασίλευσά σε ἐπ' αὐτόν,
12daarom worden u wijsheid en kennis geschonken, en geef Ik u bovendien zo grote rijkdom, schatten en aanzien, als geen vorige of latere koning ze ooit heeft gehad, of zal hebben.
12τὴν σοφίαν καὶ τὴν σύνεσιν δίδωμί σοι καὶ πλοῦτον καὶ χρήματα καὶ δόξαν δώσω σοι, ὡς οὐκ ἐγενήθη ὅμοιός σοι ἐν τοῖς βασιλεῦσι τοῖς ἔμπροσθέν σου, καὶ μετὰ σὲ οὐκ ἔσται οὕτως.
13Toen keerde Salomon van de openbaringstent op de offerhoogte in Gibon naar Jerusalem terug, en aanvaardde de regering over Israël.
13καὶ ἦλθε Σαλωμὼν ἐκ βαμὰ τῆς ἐν Γαβαὼν εἰς Ἱερουσαλὴμ πρὸ προσώπου τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου καὶ ἐβασίλευσεν ἐπὶ Ἰσραήλ.
14Ook schafte Salomon strijdwagens aan, en zorgde hij voor een ruiterij. Hij had veertienhonderd strijdwagens en twaalfduizend ruiters, die hij onderbracht in de wagensteden en de koninklijke gebouwen te Jerusalem.
14Καὶ συνήγαγε Σαλωμὼν ἅρματα καὶ ἱππεῖς, καὶ ἐγένοντο αὐτῷ χίλια καὶ τετρακόσια ἅρματα καὶ δώδεκα χιλιάδες ἱππέων· καὶ κατέλιπεν αὐτὰ ἐν πόλεσι τῶν ἁρμάτων, καὶ ὁ λαὸς μετὰ τοῦ βασιλέως ἐν Ἱερουσαλήμ.
15Door het beleid van den koning werd het zilver en goud te Jerusalem zo overvloedig als stenen, en het cederhout zo overvloedig als de moerbei in de kustvlakte.
15καὶ ἔθηκεν ὁ βασιλεὺς τὸ ἀργύριον καὶ τὸ χρυσίον ἐν Ἱερουσαλὴμ ὡς λίθους, καὶ τὰς κέδρους ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ ὡς συκαμίνους τὰς ἐν τῇ πεδινῇ εἰς πλῆθος.
16De paarden van Salomon werden uit Moesri en Kóa betrokken; de kooplieden van den koning gingen ze in Kóa kopen.
16καὶ ἡ ἔξοδος τῶν ἵππων Σαλωμὼν ἐξ Αἰγύπτου, καὶ ἡ τιμὴ τῶν ἐμπόρων τοῦ βασιλέως· ἐμπορεύεσθαι ἠγόραζον.
17Ook de strijdwagens werden in Moesri gekocht, en kostten zeshonderd zilveren sikkels; voor een paard werden er honderd vijftig betaald. Voor deze prijs werden ze door hen ook aan al de koningen der Chittieten en de koningen van Aram geleverd.
17καὶ ἀνέβαινον καὶ ἐξῆγον ἐξ Αἰγύπτου ἅρμα ἓν ἑξακοσίων ἀργυρίου καὶ ἵππον πεντήκοντα καὶ ἑκατὸν ἀργυρίου· καὶ οὕτω πᾶσι τοῖς βασιλεῦσι τῶν Χετταίων καὶ τοῖς βασιλεῦσι Συρίας ἐν χερσὶν αὐτῶν ἔφερον.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.