2 Kronieken 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1De koningin van Sjeba, die veel van Salomon gehoord had, kwam om hem met raadsels op de proef te stellen. Vergezeld van een groot gevolg trok ze met een tros kamelen, die met reukwerken en heel veel goud en edelstenen beladen waren, naar Jerusalem. Bij Salomon aangekomen, vroeg ze hem alles, wat haar in de gedachte kwam.
1ΚΑΙ βασίλισσα Σαβὰ ἤκουσε τὸ ὄνομα Σαλωμὼν καὶ ἦλθε τοῦ πειράσαι Σαλωμὼν ἐν αἰνίγμασιν εἰς Ἱερουσαλὴμ ἐν δυνάμει βαρείᾳ σφόδρα καὶ κάμηλοι αἴρουσαι ἀρώματα εἰς πλῆθος καὶ χρυσίον καὶ λίθον τίμιον καὶ ἦλθε πρὸς Σαλωμὼν καὶ ἐλάλησε πρὸς αὐτὸν πάντα, ὅσα ἦν ἐν τῇ ψυχῇ αὐτῆς.
2Maar Salomon verklaarde haar de zin van al haar woorden; niets bleef voor den koning verborgen, zodat hij het haar niet verklaren kon.
2καὶ ἀνήγγειλεν αὐτῇ Σαλωμὼν πάντας τοὺς λόγους αὐτῆς καὶ οὐ παρῆλθε λόγος ἀπὸ Σαλωμών, ὃν οὐκ ἀπήγγειλεν αὐτῇ.
3Toen nu de koningin van Sjeba bemerkte, hoe wijs Salomon was, en zij het paleis zag, dat hij gebouwd had,
3καὶ εἶδε βασίλισσα Σαβὰ τὴν σοφίαν Σαλωμὼν καὶ τὸν οἶκον, ὃν ᾠκοδόμησε,
4de spijzen van zijn tafel, de aanzittende hovelingen, de rijen bedienden in hun kledij en de schenkers, verder nog de slachtoffers, die hij opdroeg in de tempel van Jahweh, raakte zij buiten zichzelf,
4καὶ τὰ βρώματα τῶν τραπεζῶν καὶ καθέδραν παίδων αὐτοῦ καὶ στάσιν λειτουργῶν αὐτοῦ καὶ ἱματισμὸν αὐτῶν καὶ οἰνοχόους αὐτοῦ καὶ στολισμὸν αὐτῶν καὶ τὰ ὁλοκαυτώματα, ἃ ἀνέφερεν ἐν οἴκῳ Κυρίου, καὶ ἐξ ἑαυτῆς ἐγένετο.
5en sprak tot den koning: Het is dus waar geweest, wat ik in mijn land over uw bezit en uw wijsheid gehoord heb.
5καὶ εἶπε πρὸς τὸν βασιλέα· ἀληθινὸς ὁ λόγος, ὃν ἤκουσα ἐν τῇ γῇ μου περὶ τῶν λόγων σου καὶ περὶ τῆς σοφίας σου,
6Ik geloofde het niet, voordat ik hier kwam en het met eigen ogen zag. Maar waarlijk, nog niet de helft heeft men mij verteld; want gij bezit meer wijsheid en rijkdom, dan ik gehoord heb!
6καὶ οὐκ ἐπίστευσα τοῖς λόγοις, ἕως οὗ ἦλθον καὶ εἶδον οἱ ὀφθαλμοί μου, καὶ ἰδοὺ οὐκ ἀπηγγέλη μοι ἥμισυ τοῦ πλήθους τῆς σοφίας σου, προσέθηκας ἐπὶ τὴν ἀκοήν, ἣν ἤκουσα.
7Gelukkig uw onderdanen, en gelukkig uw dienaren hier, die altijd voor u mogen staan, om uw wijsheid te horen.
7μακάριοι οἱ ἄνδρες σου, μακάριοι οἱ παῖδες οὗτοι οἱ παρεστηκότες σοι διαπαντὸς καὶ ἀκούοντες τὴν σοφίαν σου·
8Gezegend zij Jahweh, uw God, die u zo heeft liefgehad, dat Hij u op zijn troon heeft geplaatst, als plaatsvervanger van Jahweh, uw God, en u, in zijn onvergankelijke liefde voor Israël, tot koning heeft aangesteld, om volgens recht en billijkheid te regeren.
8ἔστω Κύριος ὁ Θεός σου εὐλογημένος, ὃς ἠθέλησεν ἐν σοὶ τοῦ δοῦναί σε ἐπὶ θρόνον αὐτοῦ εἰς βασιλέα Κυρίῳ Θεῷ σου· ἐν τῷ ἀγαπῆσαι Κύριον τὸν Θεόν σου τὸν Ἰσραὴλ τοῦ στῆσαι αὐτὸν εἰς αἰῶνα καὶ ἔδωκέ σε ἐπ' αὐτοὺς εἰς βασιλέα τοῦ ποιῆσαι κρίμα καὶ δικαιοσύνην.
9Toen gaf zij den koning honderd twintig talenten goud, edelstenen en ontzaglijk veel reukwerk. Nooit is er zoveel reukwerk aangevoerd, als de koningin van Sjeba toen aan koning Salomon heeft geschonken.
9καὶ ἔδωκε τῷ βασιλεῖ ἑκατὸν εἴκοσι τάλαντα χρυσίου καὶ ἀρώματα εἰς πλῆθος πολὺ καὶ λίθον τίμιον· καὶ οὐκ ἦν κατὰ τὰ ἀρώματα ἐκεῖνα, ἃ ἔδωκε βασίλισσα Σαβὰ τῷ βασιλεῖ Σαλωμών. (10 καὶ οἱ παῖδες Σαλωμὼν καὶ οἱ παῖδες Χιρὰμ ἔφερον χρυσίον τῷ Σαλωμὼν ἐκ Σουφὶρ καὶ ξύλα πεύκινα καὶ λίθον τίμιον·
10Bovendien bracht de vloot van Chirom en die van Salomon, welke goud uit O fir haalde, ook sandelhout en edelstenen mee.
no verse 10 in this text
11Van dit sandelhout maakte de koning bijzondere meubels voor de tempel van Jahweh en zijn eigen paleis, en verder nog citers en harpen voor de zangers. Tot op heden is er nooit meer zoveel sandelhout in het land Juda bij elkaar gezien.
11καὶ ἐποίησεν ὁ βασιλεὺς τὰ ξύλα τὰ πεύκινα ἀναβάσεις τῷ οἴκῳ Κυρίου καὶ τῷ οἴκῳ τοῦ βασιλέως καὶ κιθάρας καὶ νάβλας τοῖς ᾠδοῖς, καὶ οὐκ ὤφθησαν τοιαῦτα ἔμπροσθεν ἐν γῇ Ἰούδα).
12Van zijn kant gaf Salomon aan de koningin van Sjeba al wat ze maar wenste en vroeg, behalve wat hij haar met koninklijke mildheid uit eigen beweging schonk. Hierop aanvaardde zij de terugreis, en ging met haar dienaren weer naar haar land.
12καὶ ὁ βασιλεὺς Σαλωμὼν ἔδωκε τῇ βασιλίσσῃ Σαβὰ πάντα τὰ θελήματα αὐτῆς, ἃ ᾔτησεν, ἐκτὸς πάντων, ὧν ἤνεγκε τῷ βασιλεῖ Σαλωμών· καὶ ἀπέστρεψεν εἰς τὴν γῆν αὐτῆς.
13Het gewicht van het goud, dat jaarlijks bij Salomon binnenkwam, bedroeg zeshonderd zes en zestig talenten.
13Καὶ ἦν ὁ σταθμὸς τοῦ χρυσίου τοῦ ἐνεχθέντος τῷ Σαλωμὼν ἐν ἐνιαυτῷ ἑνὶ ἑξακόσια ἑξηκονταὲξ τάλαντα χρυσίου,
14Hierbij kwamen de inkomsten van de kooplieden en kramers, en van alle koningen der Arabieren, en van de stadhouders van het land, die goud en zilver aan Salomon brachten.
14πλὴν τῶν ἀνδρῶν τῶν ὑποτεταγμένων καὶ τῶν ἐμπορευομένων, ὧν ἔφερον, καὶ πάντων τῶν βασιλέων τῆς Ἀραβίας καὶ σατραπῶν τῆς γῆς, πάντες ἔφερον χρυσίον καὶ ἀργύριον τῷ βασιλεῖ Σαλωμών.
15Daarenboven vervaardigde koning Salomon tweehonderd beukelaars van geslagen goud; zeshonderd sikkels goud waren voor iedere beukelaar nodig.
15καὶ ἐποίησεν ὁ βασιλεὺς Σαλωμὼν διακοσίους θυρεοὺς χρυσοῦς ἐλατούς, ἑξακόσιοι χρυσοῖ καθαροὶ ἐπῆσαν ἐπὶ τὸν ἕνα θυρεόν·
16Verder driehonderd schilden, eveneens van geslagen goud; driehonderd sikkels goud waren er nodig voor elk schild. De koning hing ze op in het huis Libanonwoud.
16καὶ τριακοσίας ἀσπίδας ἐλατὰς χρυσᾶς, τριακοσίων χρυσῶν ἀνεφέρετο ἐπὶ τὴν ἀσπίδα ἑκάστην· καὶ ἔδωκεν αὐτὰς ὁ βασιλεὺς ἐν οἴκῳ δρυμοῦ τοῦ Λιβάνου.
17Ook maakte de koning een grote ivoren troon, die hij met fijn goud bekleedde.
17καὶ ἐποίησεν ὁ βασιλεὺς θρόνον ἐλεφαντίνων ὀδόντων μέγαν καὶ κατεχρύσωσεν αὐτὸν χρυσίῳ δοκίμῳ·
18Deze troon had zes treden. De rugleuning was van boven rond, en aan beide kanten van de zitting waren armleuningen aangebracht. Daarnaast stonden twee leeuwen.
18καὶ ἓξ ἀναβαθμοὶ τῷ θρόνῳ ἐνδεδεμένοι χρυσίῳ καὶ ἀγκῶνες ἔνθεν καὶ ἔνθεν ἐπὶ τοῦ θρόνου τῆς καθέδρας, καὶ δύο λέοντες ἑστηκότες παρὰ τοὺς ἀγκῶνας,
19Op de zes trappen stonden twaalf leeuwen, aan weerskanten één op iedere trap. Voor geen enkel koninkrijk werd ooit zo iets gemaakt!
19καὶ δώδεκα λέοντες ἑστηκότες ἐκεῖ ἐπὶ τῶν ἓξ ἀναβαθμῶν ἔνθεν καὶ ἔνθεν· οὐκ ἐγενήθη οὕτως ἐν πάσῃ τῇ βασιλείᾳ.
20Al de drinkschalen van Salomon waren van goud, zelfs het gerief van het huis Libanonwoud was van zuiver goud. Zilver was er niet; dat was in Salomons dagen niet in tel.
20καὶ πάντα τὰ σκεύη τοῦ βασιλέως Σαλωμὼν χρυσίου, καὶ πάντα τὰ σκεύη οἴκου δρυμοῦ τοῦ Λιβάνου χρυσίῳ κατειλημμένα, οὐκ ἦν ἀργύριον λογιζόμενον ἐν ἡμέραις Σαλωμὼν εἰς οὐθέν·
21Want de koning had een Tarsjisjvloot op zee met schepen van Chirom; en eens in de drie jaar kwam die Tarsjisjvloot binnen met een lading goud, behalve het zilver en ivoor, de apen en de pauwen.
21ὅτι ναῦς τῷ βασιλεῖ ἐπορεύετο εἰς Θαρσεῖς μετὰ τῶν παίδων Χιράμ, ἅπαξ διὰ τριῶν ἐτῶν ἤρχετο πλοῖα ἐκ Θαρσεῖς τῷ βασιλεῖ γέμοντα χρυσίου καὶ ἀργυρίου καὶ ὀδόντων ἐλεφαντίνων καὶ πιθήκων.
22Zo stak Salomon in rijkdom en wijsheid boven alle koningen der aarde uit,
22καὶ ἐμεγαλύνθη Σαλωμὼν ὑπὲρ πάντας τοὺς βασιλεῖς καὶ πλούτῳ καὶ σοφίᾳ.
23en iedereen verlangde Salomon te zien, om de wijsheid te horen, die God in zijn hart had gestort.
23καὶ πάντες οἱ βασιλεῖς τῆς γῆς ἐζήτουν τὸ πρόσωπον Σαλωμὼν ἀκοῦσαι τῆς σοφίας αὐτοῦ, ἧς ἔδωκεν ὁ Θεὸς ἐν καρδίᾳ αὐτοῦ.
24Een ieder bracht dan geschenken mee, gouden en zilveren voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. En dit geschiedde jaar in, jaar uit.
24καὶ αὐτοὶ ἔφερον ἕκαστος τὰ δῶρα αὐτοῦ, σκεύη ἀργυρᾶ καὶ σκεύη χρυσᾶ καὶ ἱματισμόν, στακτὴν καὶ ἡδύσματα, ἵππους καὶ ἡμιόνους, τὸ κατ' ἐνιαυτὸν ἐνιαυτόν.
25Salomon bezat vierduizend span paarden en wagens, en twaalfduizend ruiters, die hij onderbracht in de wagensteden en de koninklijke gebouwen te Jerusalem.
25καὶ ἦσαν τῷ Σαλωμὼν τέσσαρες χιλιάδες θήλειαι ἵπποι εἰς ἅρματα καὶ δώδεκα χιλιάδες ἱππέων, καὶ ἔθετο αὐτοὺς ἐν πόλεσι τῶν ἁρμάτων καὶ μετὰ τοῦ βασιλέως ἐν Ἱερουσαλήμ.
26Hij heerste over alle koningen, van de Rivier af tot aan het land der Filistijnen en de grens van Egypte.
26καὶ ἦν ἡγούμενος πάντων τῶν βασιλέων ἀπὸ τοῦ ποταμοῦ καὶ ἕως γῆς ἀλλοφύλων καὶ ἕως ὁρίων Αἰγύπτου.
27Door het beleid van den koning werd het zilver te Jerusalem zo overvloedig als stenen, en het cederhout zo overvloedig als de moerbei op de kustvlakte.
27καὶ ἔδωκεν ὁ βασιλεὺς τὸ χρυσίον καὶ τὸ ἀργύριον ἐν Ἱερουσαλὴμ ὡς λίθους καὶ τὰς κέδρους ὡς συκαμίνους τὰς ἐν τῇ πεδινῇ εἰς πλῆθος.
28De paarden van Salomon werden uit Moesri en allerlei andere landen betrokken.
28καὶ ἡ ἔξοδος τῶν ἵππων ἐξ Αἰγύπτου τῷ Σαλωμὼν καὶ ἐκ πάσης τῆς γῆς.
29De verdere geschiedenis van Salomon, de vroegere zowel als de latere, staat beschreven in de Geschiedenis van den profeet Natan, in de profetie van Achi-ja van Sjilo, en in de visioenen van den ziener Jedo over Jeroboam, den zoon van Nebat.
29Καὶ οἱ κατάλοιποι λόγοι Σαλωμὼν οἱ πρῶτοι καὶ οἱ ἔσχατοι ἰδοὺ οὗτοι γεγραμμένοι ἐπὶ τῶν λόγων Νάθαν τοῦ προφήτου καὶ ἐπὶ τῶν λόγων Ἀχιὰ τοῦ Σηλωνίτου καὶ ἐν ταῖς ὁράσεσιν Ἰωὴλ τοῦ ὁρῶντος περὶ Ἱεροβοὰμ υἱοῦ Ναβάτ.
30Veertig jaren regeerde Salomon te Jerusalem over heel Israël.
30καὶ ἐβασίλευσε Σαλωμὼν ἐπὶ πάντα Ἰσραὴλ τεσσαράκοντα ἔτη.
31Toen ging hij bij zijn vaderen te ruste. Hij werd in de stad van zijn vader David begraven, en zijn zoon Roboam volgde hem op.
31καὶ ἐκοιμήθη Σαλωμών, καὶ ἔθαψαν αὐτὸν ἐν πόλει Δαυὶδ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, καὶ ἐβασίλευσε Ροβοὰμ υἱὸς αὐτοῦ ἀντ' αὐτοῦ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.