Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Nadat Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, die uit het land Kittim was komen opzetten, Darius, den koning van Perzen en Meden, geheel had verslagen, volgde hij hem op als wereldheerser, na eerst alleen over Griekenland te hebben geregeerd.
1ΚΑΙ ἐγένετο μετὰ τὸ πατάξαι Ἀλέξανδρον τὸν Φιλίππου τὸν Μακεδόνα, ὃς ἐξῆλθεν ἐκ τῆς γῆς Χεττειείμ, καὶ ἐπάταξε τὸν Δαρεῖον βασιλέα Περσῶν καὶ Μήδων καὶ ἐβασίλευσεν ἀντ᾿ αὐτοῦ πρότερος ἐπὶ τὴν Ἑλλάδα.
2Talrijk waren zijn krijgstochten: hij veroverde vestingen en vermoordde koningen;
2καὶ συνεστήσατο πολέμους πολλοὺς καὶ ἐκράτησεν ὀχυρωμάτων πολλῶν καὶ ἔσφαξε βασιλεῖς τῆς γῆς·
3tot aan de grenzen der aarde drong hij door, en brandschatte vele volkeren. De aarde durfde zich voor hem niet verroeren, en hij begon er hoogmoedig en verwaand van te worden.
3καὶ διῆλθεν ἕως ἄκρων τῆς γῆς καὶ ἔλαβε σκῦλα πλήθους ἐθνῶν. καὶ ἡσύχασεν ἡ γῆ ἐνώπιον αὐτοῦ, καὶ ὑψώθη, καὶ ἐπήρθη ἡ καρδία αὐτοῦ.
4Hij bracht een ontzaggelijk leger op de been, maakte zich meester van landen, volken en vorsten, en liet hen schatting opbrengen.
4καὶ συνήγαγε δύναμιν ἰσχυρὰν σφόδρα καὶ ἦρξε χωρῶν καὶ ἐθνῶν καὶ τυράννων, καὶ ἐγένοντο αὐτῷ εἰς φόρον.
5Toen werd hij ziek. En daar hij begreep, dat hij sterven ging,
5καὶ μετὰ ταῦτα ἔπεσεν ἐπὶ τὴν κοίτην καὶ ἔγνω ὅτι ἀποθνήσκει.
6ontbood hij zijn eerste vertrouwelingen, die van jongsaf met hem waren opgevoed, en verdeelde nog bij zijn leven zijn rijk onder hen.
6καὶ ἐκάλεσε τοὺς παῖδας αὐτοῦ τοὺς ἐνδόξους τοὺς συντρόφους αὐτοῦ ἀπὸ νεότητος καὶ διεῖλεν αὐτοῖς τὴν βασιλείαν αὐτοῦ ἔτι ζῶντος αὐτοῦ.
7Alexander had twaalf jaar geregeerd, toen de dood hem verraste.
7καὶ ἐβασίλευσεν Ἀλέξανδρος ἔτη δώδεκα καὶ ἀπέθανε.
8Zijn vertrouwelingen, die het gebied bestuurden, dat ieder van hen was toegewezen,
8καὶ ἐπεκράτησαν οἱ παῖδες αὐτοῦ ἕκαστος ἐν τῷ τόπῳ αὐτοῦ.
9lieten zich allen na zijn dood tot koning kronen. Later deden hun zonen jarenlang hetzelfde, en brachten veel ellende over het land.
9καὶ ἐπέθεντο πάντες διαδήματα μετὰ τὸ ἀποθανεῖν αὐτὸν καὶ οἱ υἱοὶ αὐτῶν ὀπίσω αὐτῶν ἔτη πολλὰ καὶ ἐπλήθυναν κακὰ ἐν τῇ γῇ.
10Uit hen nu ontsproot een goddeloos wicht, Antiochus Epifanes, een zoon van koning Antiochus. Hij was in Rome gijzelaar geweest, en kwam aan de regering in het jaar 137 van de griekse heerschappij.
10καὶ ἐξῆλθεν ἐξ αὐτῶν ρίζα ἁμαρτωλὸς Ἀντίοχος Ἐπιφανής, υἱὸς Ἀντιόχου βασιλέως, ὃς ἦν ὅμηρα ἐν τῇ Ρώμῃ· καὶ ἐβασίλευσεν ἐν ἔτει ἑκατοστῷ καὶ τριακοστῷ καὶ ἑβδόμῳ βασιλείας Ἑλλήνων.
11In die tijd nu trokken er enige afvallige Israëlieten op uit, om veel anderen voor het volgende plan te winnen: Laat ons vriendschap gaan sluiten met de heidenen uit onze omgeving; want sinds wij de omgang met hen hebben verbroken, worden we telkens door rampen getroffen.
11Ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις ἐξῆλθον ἐξ Ἰσραὴλ υἱοὶ παράνομοι καὶ ἀνέπεισαν πολλοὺς λέγοντες· πορευθῶμεν καὶ διαθώμεθα διαθήκην μετὰ τῶν ἐθνῶν τῶν κύκλῳ ἡμῶν, ὅτι ἀφ᾿ ἧς ἐχωρίσθημεν ἀπ᾿ αὐτῶν, εὗρεν ἡμᾶς κακὰ πολλά.
12Dit voorstel vond bijval;
12καὶ ἠγαθύνθη ὁ λόγος ἐν ὀφθαλμοῖς αὐτῶν,
13en enige mannen uit het volk verklaarden zich aanstonds bereid, om naar den koning te gaan. Nadat deze hun volmacht verleend had, om de gebruiken der heidenen in te voeren,
13καὶ προεθυμήθησάν τινες ἀπὸ τοῦ λαοῦ, καὶ ἐπορεύθησαν πρὸς τὸν βασιλέα, καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς ἐξουσίαν ποιῆσαι τὰ δικαιώματα τῶν ἐθνῶν.
14bouwden zij in Jerusalem een athletenschool, zoals de heidenen hadden,
14καὶ ᾠκοδόμησαν γυμνάσιον ἐν Ἱεροσολύμοις κατὰ τὰ νόμιμα τῶν ἐθνῶν
15lieten bij zich de besnijdenis wegwerken en verzaakten aldus aan het heilig verbond. Ze heulden met de heidenen en verkochten zich aan de zonde.
15καὶ ἐποίησαν ἑαυτοῖς ἀκροβυστίας καὶ ἀπέστησαν ἀπὸ διαθήκης ἁγίας καὶ ἐζευγίσθησαν τοῖς ἔθνεσι καὶ ἐπράθησαν τοῦ ποιῆσαι τὸ πονηρόν.
16Zodra Antiochus de overtuiging had, dat zijn heerschappij genoeg was bevestigd, vatte hij het plan op, zijn macht ook over Egypte uit te strekken en zodoende over twee landen te regeren.
16Καὶ ἡτοιμάσθη ἡ βασιλεία ἐναντίον Ἀντιόχου, καὶ ὑπέβαλε βασιλεῦσαι τῆς Αἰγύπτου, ὅπως βασιλεύσῃ ἐπὶ τὰς δύο βασιλείας.
17Hij trok dus tegen Egypte op met een ontzaggelijk leger, met strijdwagens, olifanten en ruiters, en tevens met een grote vloot,
17καὶ εἰσῆλθεν εἰς Αἴγυπτον ἐν ὄχλῳ βαρεῖ, ἐν ἅρμασι καὶ ἐν ἐλέφασι καὶ ἐν ἱππεῦσι καὶ ἐν στόλῳ μεγάλῳ
18en viel Ptoleméus, den egyptischen koning, aan Ptoleméus sloeg voor hem op de vlucht en wist te ontkomen. Maar velen werden er gewond en gedood;
18καὶ συνεστήσαντο πόλεμον πρὸς Πτολεμαῖον βασιλέα Αἰγύπτου· καὶ ἐνετράπη Πτολεμαῖος ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ καὶ ἔφυγε, καὶ ἔπεσον τραυματίαι πολλοί.
19de vestingen in Egypte werden veroverd en het Egypteland leeggeplunderd.
19καὶ κατελάβοντο τὰς πόλεις τὰς ὀχυρὰς ἐν γῇ Αἰγύπτῳ, καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα γῆς Αἰγύπτου.
20Nadat Antiochus Egypte verslagen had, keerde hij in het jaar 143 terug, en trok met een geweldig leger op tegen Israël en Jerusalem.
20καὶ ἐπέστρεψεν Ἀντίοχος μετὰ τὸ πατάξαι Αἴγυπτον ἐν τῷ ἑκατοστῷ καὶ τεσσαρακοστῷ καὶ τρίτῳ ἔτει καὶ ἀνέβη ἐπὶ Ἰσραὴλ καὶ ἀνέβη εἰς Ἱερουσαλὴμ ἐν ὄχλῳ βαρεῖ.
21Brutaalweg drong hij het heiligdom binnen, nam er het gouden reukofferaltaar weg, de kandelaar met alles wat daarbij behoorde,
21καὶ εἰσῆλθον εἰς τὸ ἁγίασμα ἐν ὑπερηφανίᾳ καὶ ἔλαβε τὸ θυσιαστήριον τὸ χρυσοῦν καὶ τὴν λυχνίαν τοῦ φωτὸς καὶ πάντα τὰ σκεύη αὐτῆς
22de tafel der toonbroden, offerschalen en schotels, de gouden wierookvaten, het voorhangsel, en rukte alle gouden kransen en andere versieringen aan de tempelgevel af.
22καὶ τὴν τράπεζαν τῆς προθέσεως καὶ τὰ σπονδεῖα καὶ τὰς φιάλας καὶ τὰς θυΐσκας τὰς χρυσᾶς καὶ τὸ καταπέτασμα καὶ τοὺς στεφάνους καὶ τὸν κόσμον τὸν χρυσοῦν τὸν κατὰ πρόσωπον τοῦ ναοῦ καὶ ἐλέπισε πάντα.
23Hij stal het zilver en goud, de kostbare benodigdheden met al wat hij aan verborgen schatten kon vinden,
23καὶ ἔλαβε τὸ ἀργύριον καὶ τὸ χρυσίον καὶ τὰ σκεύη τὰ ἐπιθυμητὰ καὶ ἔλαβε τοὺς θησαυροὺς τοὺς ἀποκρύφους, οὓς εὗρε·
24en trok met heel die buit terug naar zijn land. Ook richtte hij een bloedbad aan, en braakte godslasteringen uit.
24καὶ λαβὼν πάντα ἀπῆλθεν εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ. καὶ ἐποίησε φονοκτονίαν καὶ ἐλάλησεν ὑπερηφανίαν μεγάλην.
25Toen barstte er in heel Israëls gebied een luide weeklacht los,
25καὶ ἐγένετο πένθος μέγα ἐπὶ Ἰσραὴλ ἐν παντὶ τόπῳ αὐτῶν.
26En vorsten en oudsten begonnen te jammeren; Meisjes en jongelingen kwijnden weg, De schoonheid der vrouwen verwelkte.
26καὶ ἐστέναξαν ἄρχοντες καὶ πρεσβύτεροι, παρθένοι καὶ νεανίσκοι ἠσθένησαν, καὶ τὸ κάλλος τῶν γυναικῶν ἠλλοιώθη.
27Iedere bruidegom was in rouw, De bruid zat in haar kamer te klagen;
27πᾶς νυμφίος ἀνέλαβε θρῆνον, καὶ καθημένη ἐν παστῷ ἐγένετο ἐν πένθει.
28Het land was geschokt om zijn bewoners, Heel het huis van Jakob met schande bedekt.
28καὶ ἐσείσθη ἡ γῆ ἐπὶ τοὺς κατοικοῦντας αὐτήν, καὶ πᾶς ὁ οἶκος Ἰακὼβ ἐνεδύσατο αἰσχύνην.
29Twee jaar later zond de koning den bevelhebber der Musiërs naar de steden van Juda. Toen deze met een groot leger voor Jerusalem verscheen,
29Καὶ μετὰ δύο ἔτη ἡμερῶν ἀπέστειλεν ὁ βασιλεὺς ἄρχοντα φορολογίας εἰς τὰς πόλεις Ἰούδα, καὶ ἦλθεν εἰς Ἱερουσαλὴμ ἐν ὄχλῳ βαρεῖ.
30bood hij hun zulke sluwe vredesvoorstellen aan, dat zij vertrouwen in hem stelden. Maar geheel onverwacht bestormde hij de stad, bracht haar een geweldige nederlaag toe, en vermoordde een groot aantal Israëlieten.
30καὶ ἐλάλησεν αὐτοῖς λόγους εἰρηνικοὺς ἐν δόλῳ, καὶ ἐνεπίστευσαν αὐτῷ. καὶ ἐπέπεσεν ἐπὶ τὴν πόλιν ἐξάπινα καὶ ἐπάταξεν αὐτὴν πληγὴν μεγάλην καὶ ἀπώλεσε λαὸν πολὺν ἐξ Ἰσραήλ.
31Hij plunderde de stad, stak haar in brand, en liet huizen en ringmuren omverhalen.
31καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα τῆς πόλεως καὶ ἐνεπύρισεν αὐτὴν πυρὶ καὶ καθεῖλε τοὺς οἴκους αὐτῆς καὶ τὰ τείχη αὐτῆς κύκλῳ.
32Vrouwen en kinderen werden gevangen genomen, en er werd beslag gelegd op het vee.
32καὶ ᾐχμαλώτευσαν τὰς γυναῖκας καὶ τὰ τέκνα, καὶ τὰ κτήνη ἐκληρονόμησαν.
33Daarna herbouwden ze de Davidstad met hoge sterke muren en zware torens zodat zij een burcht voor hen werd.
33καὶ ᾠκοδόμησαν τὴν πόλιν Δαυὶδ τείχει μεγάλῳ καὶ ἰσχυρῷ, πύργοις ὀχυροῖς, καὶ ἐγένετο αὐτοῖς εἰς ἄκραν.
34Zij legden er een bezetting van goddeloze soldaten en afvalligen, die er zich in versterkten.
34καὶ ἔθηκαν ἐκεῖ ἔθνος ἁμαρτωλόν, ἄνδρας παρανόμους, καὶ ἐνίσχυσαν ἐν αὐτῇ.
35Ook voorzagen zij haar van wapens en levensmiddelen, terwijl de buit, die zij uit Jerusalem hadden weggesleept, hier eveneens werd ondergebracht. Zo werd de burcht een grote valstrik.
35καὶ παρέθεντο ὅπλα καὶ τροφὰς καὶ συναγαγόντες τὰ σκῦλα Ἱερουσαλὴμ ἀπέθεντο ἐκεῖ, καὶ ἐγένοντο εἰς μεγάλην παγίδα.
36Voor het heiligdom werd ze een hinderlaag, Voor Israël een steeds dreigende satan.
36καὶ ἐγένετο εἰς ἔνεδρον τῷ ἁγιάσματι καὶ εἰς διάβολον πονηρὸν τῷ Ἰσραὴλ διαπαντός.
37Rondom het heiligdom vergoten zij onschuldig bloed, En ontwijdden de heilige plaats.
37καὶ ἐξέχεαν αἷμα ἀθῷον κύκλῳ τοῦ ἁγιάσματος καὶ ἐμόλυναν τὸ ἁγίασμα.
38Jerusalems burgers sloegen voor hen op de vlucht, En zij werd een woonplaats voor vreemden; Voor het eigen kroost een onbekende, Door haar eigen kinderen verlaten.
38καὶ ἔφυγον οἱ κάτοικοι Ἱερουσαλὴμ δι᾿ αὐτούς, καὶ ἐγένετο κατοικία ἀλλοτρίων· καὶ ἐγένετο ἀλλοτρία τοῖς γενήμασιν αὐτῆς, καὶ τὰ τέκνα αὐτῆς ἐγκατέλιπον αὐτήν.
39Haar heiligdom was leeg als een steppe, Haar feesten verkeerden in rouw; Haar sabbatdagen in spot, Haar waardigheid in verachting.
39τὸ ἁγίασμα αὐτῆς ἠρημώθη ὡς ἔρημος, αἱ ἑορταὶ αὐτῆς ἐστράφησαν εἰς πένθος, τὰ σάββατα αὐτῆς εἰς ὀνειδισμόν, ἡ τιμὴ αὐτῆς εἰς ἐξουδένωσιν.
40Naar de maat van haar vroegere luister Werd zij met schande vervuld; En haar glorie van vroeger Werd in kommer veranderd.
40κατὰ τὴν δόξαν αὐτῆς ἐπληθύνθη ἡ ἀτιμία αὐτῆς, καὶ τὸ ὕψος αὐτῆς ἐστράφη εἰς πένθος.
41Daarna vaardigde koning Antiochus voor heel zijn rijk het bevel uit, dat allen één volk moesten worden,
41Καὶ ἔγραψεν ὁ βασιλεὺς Ἀντίοχος πάσῃ τῇ βασιλείᾳ αὐτοῦ εἷναι πάντας εἰς λαὸν ἕνα
42en dat iedereen zijn eigen gebruiken moest opgeven. Alle volken legden zich neer bij dit koninklijk bevel,
42καὶ ἐγκαταλιπεῖν ἕκαστον τὰ νόμιμα αὐτοῦ. καὶ ἐπεδέξατο πάντα τὰ ἔθνη κατὰ τὸν λόγον τοῦ βασιλέως.
43en zelfs onder de Israëlieten waren er velen, die de godsdienst van den koning omhelsden, aan de afgoden offerden en de sabbat schonden.
43καὶ πολλοὶ ἀπὸ Ἰσραὴλ εὐδόκησαν τῇ λατρείᾳ αὐτοῦ καὶ ἔθυσαν τοῖς εἰδώλοις καὶ ἐβεβήλωσαν τὸ σάββατον.
44Ook naar Jerusalem en de steden van Juda zond de koning beambten met brieven, waarin werd bevolen, dat zij zich moesten aanpassen aan de uitheemse levenswijze.
44καὶ ἀπέστειλεν ὁ βασιλεὺς βιβλία ἐν χειρὶ ἀγγέλων εἰς Ἱερουσαλὴμ καὶ τὰς πόλεις Ἰούδα πορευθῆναι ὀπίσω νομίμων ἀλλοτρίων τῆς γῆς
45Men moest een eind maken aan de slacht-, brand- en plengoffers in de tempel, de sabbat en andere feesten ontheiligen,
45καὶ κωλῦσαι ὁλοκαυτώματα καὶ θυσίαν καὶ σπονδὴν ἐκ τοῦ ἁγιάσματος καὶ βεβηλῶσαι σάββατα καὶ ἑορτὰς
46en de tempel met de heilige personen ontwijden.
46καὶ μιᾶναι ἁγίασμα καὶ ἁγίους,
47Men moest altaren, heilige plaatsen en afgodstempels oprichten, en er het vlees van varkens en andere onreine dieren offeren.
47καὶ οἰκοδομῆσαι βωμοὺς καὶ τεμένη καὶ εἰδωλεῖα καὶ θύειν ὕεια καὶ κτήνη κοινὰ
48Men moest zijn zonen onbesneden laten, en hun zielen met allerlei bederf en onreinheid bezoedelen,
48καὶ ἀφιέναι τοὺς υἱοὺς αὐτῶν ἀπεριτμήτους, βδελύξαι τὰς ψυχὰς αὐτῶν ἐν παντὶ ἀκαθάρτῳ καὶ βεβηλώσει,
49zodat zij de wet zouden vergeten en al haar bevelen laten varen.
49ὥστε ἐπιλαθέσθαι τοῦ νόμου καὶ ἀλλάξαι πάντα τὰ δικαιώματα·
50En wie niet zou gehoorzamen aan het bevel van den koning, zou worden gedood.
50καὶ ὃς ἂν μὴ ποιήσῃ κατὰ τὸ ρῆμα τοῦ βασιλέως, ἀποθανεῖται.
51Zo luidden de bevelschriften, die hij in heel zijn rijk liet verbreiden. Tegelijkertijd stelde hij toeziende beambten aan over de gehele bevolking met de opdracht, dat alle steden van Juda één voor één moesten offeren.
51κατὰ πάντας τοὺς λόγους τούτους ἔγραψε πάσῃ τῇ βασιλείᾳ αὐτοῦ καὶ ἐποίησεν ἐπισκόπους ἐπὶ πάντα τὸν λαὸν καὶ ἐνετείλατο ταῖς πόλεσιν Ἰούδα θυσιάζειν κατὰ πόλιν καὶ πόλιν.
52Nu sloot zich een groot gedeelte der bevolking bij hen aan, namelijk allen, die afvallig werden van de wet.
52καὶ συνηθροίσθησαν ἀπὸ τοῦ λαοῦ πρὸς αὐτοὺς πολλοί, πᾶς ὁ ἐγκαταλιπὼν τὸν νόμον, καὶ ἐποίησαν κακὰ ἐν τῇ γῇ
53Overal in het land gaf men zich over aan het kwaad, zodat de goede Israëlieten gedwongen werden, zich op alle mogelijke schuilplaatsen verborgen te houden.
53καὶ ἔθεντο τὸν Ἰσραὴλ ἐν κρύφοις ἐν παντὶ φυγαδευτηρίῳ αὐτῶν.
54Op de vijftiende Kislew van het jaar 145 plaatsten ze de gruwel der ontheiliging op het offeraltaar, terwijl men overal in de steden van Juda altaren oprichtte,
54καὶ τῇ πεντεκαιδεκάτῃ ἡμέρᾳ Χασελεῦ τῷ πέμπτῳ καὶ τεσσαρακοστῷ καὶ ἑκατοστῷ ἔτει ᾠκοδόμησαν βδέλυγμα ἐρημώσεως ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον καὶ ἐν πόλεσιν Ἰούδα κύκλῳ ᾠκοδόμησαν βωμούς·
55en reukoffers ging brengen voor de huisdeuren en op de straten.
55καὶ ἐπὶ τῶν θυρῶν τῶν οἰκιῶν καὶ ἐν ταῖς πλατείαις ἐθυμίων.
56Alle wetboeken, die men kon opsporen, werden in stukken gescheurd en verbrand;
56καὶ τὰ βιβλία τοῦ νόμου, ἃ εὗρον, ἐνεπύρισαν πυρὶ κατασχίσαντες.
57en iedereen, bij wien een boek van het verbond werd ontdekt, of die aan de wet vasthield, werd volgens koninklijk besluit ter dood gebracht.
57καὶ ὅπου εὑρίσκετο παρά τινι βιβλίον διαθήκης, καὶ εἴ τις συνευδόκει τῷ νόμῳ, τὸ σύγκριμα τοῦ βασιλέως ἐθανάτου αὐτόν.
58Met dergelijke geweldmaatregelen gingen zij maandenlang tegen iederen Israëliet te keer, die zij in een of andere stad konden betrappen.
58ἐν ἰσχύϊ αὐτῶν ἐποίουν οὕτως τῷ Ἰσραὴλ τοῖς εὑρισκομένοις ἐν παντὶ μηνὶ καὶ μηνὶ ἐν ταῖς πόλεσι.
59De vijf en twintigste van de maand offerden zij op het altaar, dat op het brandofferaltaar was geplaatst.
59καὶ τῇ πέμπτῃ καὶ εἰκάδι τοῦ μηνὸς θυσιάζοντες ἐπὶ τὸν βωμόν, ὃς ἦν ἐπὶ τοῦ θυσιαστηρίου.
60Volgens voorschrift vermoordden zij de vrouwen, die haar kinderen hadden laten besnijden,
60καὶ τὰς γυναῖκας τὰς περιτετμηκυίας τὰ τέκνα αὐτῶν ἐθανάτωσαν κατὰ τὸ πρόσταγμα
61hingen haar de kinderen aan de hals, en plunderden haar huizen; en men doodde hen, die de besnijdenis hadden voltrokken.
61καὶ ἐκρέμασαν τὰ βρέφη ἐκ τῶν τραχήλων αὐτῶν, καὶ τοὺς οἴκους αὐτῶν προενόμευσαν καὶ τοὺς περιτετμηκότας αὐτοὺς ἐθανάτωσαν.
62Toch waren er veel Israëten, die standvastig waren en vastbesloten bleven, geen onreine spijzen te eten.
62καὶ πολλοὶ ἐν Ἰσραὴλ ἐκραταιώθησαν καὶ ὠχυρώθησαν ἐν ἑαυτοῖς τοῦ μὴ φαγεῖν κοινὰ
63Zij wilden liever sterven, dan zich aan spijzen verontreinigen en het heilig verbond verbreken. Zij stierven dan ook.
63καὶ ἐπελέξαντο ἀποθανεῖν, ἵνα μὴ μιανθῶσι τοῖς βρώμασι καὶ μὴ βεβηλώσωσι διαθήκην ἁγίαν, καὶ ἀπέθανον.
64En ontzettend zwaar bleef Gods toorn op Israël drukken.
64καὶ ἐγένετο ὀργὴ μεγάλη ἐπὶ Ἰσραὴλ σφόδρα.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.