Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Nu zond Antiochus, de zoon van koning Demétrius, van de eilanden in de Middellandse Zee een brief aan Sjimon, den priester en vorst der Joden, en aan heel het volk.
1ΚΑΙ ἀπέστειλεν ὁ Ἀντίοχος υἱὸς Δημητρίου τοῦ βασιλέως ἐπιστολὰς ἀπὸ τῶν νήσων τῆς θαλάσσης Σίμωνι ἱερεῖ καὶ ἐθνάρχῃ τῶν Ἰουδαίων καὶ παντὶ τῷ ἔθνει.
2De inhoud luidde als volgt: Koning Antiochus aan Sjimon, den hogepriester en vorst, en aan het volk der Joden: heil!
2καὶ ἦσαν περιέχουσαι τὸν τρόπον τοῦτον· ‘Βασιλεὺς Ἀντίοχος Σίμωνι ἱερεῖ μεγάλῳ καὶ ἐθνάρχῃ καὶ ἔθνει Ἰουδαίων χαίρειν,
3Nadat enige booswichten zich van het rijk onzer vaderen hadden meester gemaakt, ben ik besloten, de heerschappij weer aan mij te trekken en deze in de vroegere staat te herstellen.
3ἐπειδὴ ἄνδρες λοιμοὶ κατεκράτησαν τῆς βασιλείας τῶν πατέρων ἡμῶν, βούλομαι δὲ ἀντιποιήσασθαι τῆς βασιλείας, ὅπως ἀποκαταστήσω αὐτὴν ὡς ἦν τὸ πρότερον, ἐξενολόγησα δὲ πλῆθος δυνάμεων καὶ κατεσκεύασα πλοῖα πολεμικά,
4Daarom heb ik veel troepen aangeworven en oorlogsschepen uitgerust. Ik ben van plan, aan land te komen en allen te vervolgen, die ons land hebben verwoest en vele steden in mijn rijk hebben vernield.
4βούλομαι δὲ ἐκβῆναι κατὰ τὴν χώραν, ὅπως μετέλθω τοὺς κατεφθαρκότας τὴν χώραν ἡμῶν καὶ τοὺς ἠρημωκότας πόλεις πολλὰς ἐν τῇ βασιλείᾳ·
5En hiermede bekrachtig ik de vrijstelling van al de lasten, die mijn koninklijke voorgangers u hebben verleend, met alle andere vrijstellingen, die zij u hebben toegestaan.
5νῦν οὖν ἵστημί σοι πάντα τὰ ἀφαιρέματα, ἃ ἀφῆκάν σοι οἱ πρὸ ἐμοῦ βασιλεῖς καὶ ὅσα ἄλλα δόματα ἀφῆκάν σοι.
6Ik geef u verder verlof, eigen munten voor uw land te slaan.
6καὶ ἐπέτρεψά σοι ποιῆσαι κόμμα ἴδιον νόμισμα τῇ χώρᾳ σου,
7Jerusalem en het heiligdom zullen vrij zijn; alle wapens, die gij hebt aangeschaft, en de vestingen, die gij hebt gebouwd en die in uw bezit zijn, moogt gij in de toekomst behouden.
7Ἱερουσαλὴμ δὲ καὶ τὰ ἅγια εἶναι ἐλεύθερα· καὶ πάντα τὰ ὅπλα ὅσα κατεσκεύασας, καὶ τὰ ὀχυρώματα, ἃ ᾠκοδόμησας ὧν κρατεῖς, μενέτω σοι.
8Van al wat gij aan de kroon zijt verschuldigd en van alle andere toekomstige rijksbelastingen zijt gij van heden af voor altijd vrijgesteld.
8καὶ πᾶν ὀφείλημα βασιλικὸν καὶ τὰ ἐσόμενα βασιλικά, ἀπὸ τοῦ νῦν καὶ εἰς τὸν ἅπαντα χρόνον ἀφιέσθω σοι·
9Zodra wij ons rijk weer hebben bemachtigd, zullen wij u, uw volk en de tempel op bijzondere wijze eren, zodat uw roem over geheel de aarde bekend wordt.
9ὡς δ᾿ ἂν κρατήσωμεν τῆς βασιλείας ἡμῶν, δοξάσομέν σε καὶ τὸ ἔθνος σου καὶ τὸ ἱερὸν δόξῃ μεγάλῃ, ὥστε φανερὰν γενέσθαι τὴν δόξαν ὑμῶν ἐν πάσῃ τῇ γῇ’. 10 Ἔτους τετάρτου καὶ ἑβδομηκοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ ἐξῆλθεν Ἀντίοχος εἰς τὴν γῆν πατέρων αὐτοῦ, καὶ συνῆλθον πρὸς αὐτὸν πᾶσαι αἱ δυνάμεις, ὥστε ὀλίγους εἶναι τοὺς καταλειφθέντας σὺν Τρύφωνι.
10In het jaar 174 trok Antiochus dus het rijk van zijn vaderen binnen, en zoveel troepen sloten zich bij hem aan, dat er maar weinigen bij Trúfon bleven.
no verse 10 in this text
11Deze werd door koning Antiochus achtervolgd, en vluchtte naar Dora, dat aan de zee is gelegen.
11καὶ ἐδίωξεν αὐτὸν Ἀντίοχος ὁ βασιλεύς, καὶ ἦλθε φεύγων εἰς Δωρᾶ τὴν ἐπὶ τῆς θαλάσσης·
12Want hij begreep, dat hem onheil dreigde, nu de troepen hem hadden verlaten.
12εἶδε γὰρ ὅτι συνῆκται ἐπ᾿ αὐτὸν τὰ κακά, καὶ ἀφῆκαν αὐτὸν αἱ δυνάμεις.
13Daarom sloeg Antiochus het beleg om Dora met honderd twintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters.
13καὶ παρενέβαλεν Ἀντίοχος ἐπὶ Δωρᾶ καὶ σὺν αὐτῷ δώδεκα μυριάδες ἀνδρῶν πολεμιστῶν καὶ ὀκτακισχιλία ἵππος.
14Hij omsingelde de stad, terwijl de schepen aan de zeekant aanvielen. Zo bracht hij de stad aan de zee- en de landzijde in het nauw, en maakte het iedereen onmogelijk, er in of er uit te komen.
14καὶ ἐκύκλωσε τὴν πόλιν, καὶ τὰ πλοῖα ἀπὸ θαλάσσης συνῆψαν, καὶ ἔθλιβε τὴν πόλιν ἀπὸ τῆς γῆς καὶ τῆς θαλάσσης, καὶ οὐκ εἴασεν οὐδένα ἐκπορεύεσθαι καὶ εἰσπορεύεσθαι.
15En Noeménius kwam met zijn begeleiders van Rome terug met brieven voor de koningen en de landen, van de volgende inhoud:
15Καὶ ἦλθε Νουμήνιος καὶ οἱ παρ᾿ αὐτοῦ ἐκ Ρώμης ἔχοντες ἐπιστολὰς τοῖς βασιλεῦσι καὶ ταῖς χώραις, ἐν αἷς ἐγέγραπτο τάδε·
16Lúcius, romeins consul, aan koning Ptoleméus: heil!
16‘Λεύκιος ὕπατος Ρωμαίων Πτολεμαίῳ βασιλεῖ χαίρειν.
17De gezanten der Joden zijn bij ons gekomen als onze vrienden en bondgenoten, om de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap van vroeger te vernieuwen. Ze waren gezonden door den hogepriester Sjimon en het joodse volk,
17οἱ πρεσβευταὶ τῶν Ἰουδαίων ἦλθον πρὸς ἡμᾶς, φίλοι ἡμῶν καὶ σύμμαχοι, ἀνανεούμενοι τὴν ἐξ ἀρχῆς φιλίαν καὶ συμμαχίαν, ἀπεσταλμένοι ἀπὸ Σίμωνος τοῦ ἀρχιερέως καὶ τοῦ δήμου τῶν Ἰουδαίων·
18en brachten een gouden schild mee ter waarde van duizend pond.
18ἤνεγκαν δὲ ἀσπίδα χρυσῆν ἀπὸ μνῶν χιλίων.
19Daarop hebben wij besloten, aan alle koningen en landen schriftelijk bevel te geven, niets kwaads tegen hen te beramen, hen niet aan te vallen, noch hun steden noch hun gebied, en zich niet bij hun vijanden aan te sluiten.
19ἤρεσεν οὖν ἡμῖν γράψαι τοῖς βασιλεῦσι καὶ ταῖς χώραις ὅπως μὴ ἐκζητήσωσιν αὐτοῖς κακὰ καὶ μὴ πολεμήσωσιν αὐτοὺς καὶ τὰς πόλεις αὐτῶν καὶ τὴν χώραν αὐτῶν καὶ ἵνα μὴ συμμαχήσωσι τοῖς πολεμοῦσιν αὐτούς.
20Want het heeft ons behaagd, het schild van hen te aanvaarden.
20ἔδοξε δὲ ἡμῖν δέξασθαι τὴν ἀσπίδα παρ᾿ αὐτῶν.
21En mochten enkele onruststokers uit hun land naar u zijn gevlucht, dan moet gij hen uitleveren aan den hogepriester Sjimon, die hen volgens hun eigen wet zal bestraffen.
21εἴ τινες οὖν λοιμοὶ διαπεφεύγασιν ἐκ τῆς χώρας αὐτῶν πρὸς ἡμᾶς, παράδοτε αὐτοὺς Σίμωνι τῷ ἀρχιερεῖ, ὅπως ἐκδικήσῃ ἐν αὐτοῖς κατὰ τὸν νόμον αὐτῶν’. 22 Καὶ τὰ αὐτὰ ἔγραψε Δημητρίῳ τῷ βασιλεῖ καὶ Ἀττάλῳ, Ἀριαράθῃ καὶ Ἀρσάκῃ
22Hetzelfde schreef Lúcius aan de koningen Demétrius, Attalus, Ariarátes, en Arsakes;
no verse 22 in this text
23aan alle landen: aan Sámpsame, de Spartanen, Délos, Múndos, Sikuon, Kárië, Samos, Pamfúlië, Lúcië, Halikarnásses, Rodus, Fasélis, Kos, Side, Aradus, Górtuna, Knidus, Cyprus en Cyréne.
23καὶ εἰς πάσας τὰς χώρας καὶ Σαμψάμῃ καὶ Σπαρτιάταις καὶ εἰς Δῆλον καὶ Μύνδον καὶ Σικυῶνα καὶ εἰς τὴν Καρίαν καὶ εἰς Σάμον καὶ εἰς τὴν Παμφυλίαν καὶ εἰς τὴν Λυκίαν καὶ εἰς Ἁλικαρνασσὸν καὶ εἰς Ρόδον καὶ εἰς Φασηλίδα καὶ εἰς Κῶ καὶ εἰς Σίδην καὶ εἰς Ἄραδον καὶ εἰς Γόρτυναν καὶ Κνίδον καὶ Κύπρον καὶ Κυρήνην.
24En een afschrift hiervan liet hij voor Sjimon, den hogepriester maken.
24τὸ δὲ ἀντίγραφον αὐτῶν ἔγραψαν Σίμωνι τῷ ἀρχιερεῖ.
25Terwijl koning Antiochus dus Dora aan beide zijden belegerde, steeds nieuwe troepen deed aanrukken, belegeringswerktuigen liet opstellen, en Trúfon iedere toegang en uitgang belette,
25Ἀντίοχος δὲ ὁ βασιλεὺς παρενέβαλεν ἐπὶ Δωρᾶ ἐν τῇ δευτέρᾳ, προσάγων διὰ παντὸς αὐτῇ τὰς χεῖρας καὶ μηχανὰς ποιούμενος καὶ συνέκλεισε τὸν Τρύφωνα τοῦ μὴ εἰσπορεύεσθαι καὶ ἐκπορεύεσθαι.
26zond Sjimon hem tweeduizend uitstekende soldaten om hem te helpen, met zilver, goud en veel oorlogsmateriaal.
26καὶ ἀπέστειλεν αὐτῷ Σίμων δισχιλίους ἄνδρας ἐκλεκτοὺς συμμαχῆσαι αὐτῷ καὶ ἀργύριον καὶ χρυσίον καὶ σκεύη ἱκανά.
27Maar hij wilde het niet aannemen; hij verklaarde zelfs, dat alle verdragen, die hij vroeger met hem had gesloten, ongeldig waren, en dat hij met hem had gebroken.
27καὶ οὐκ ἠβούλετο αὐτὰ δέξασθαι, ἀλλ᾿ ἠθέτησε πάντα, ὅσα συνέθετο αὐτῷ τὸ πρότερον, καὶ ἠλλοτριοῦντο αὐτῷ.
28Hij zond zijn vertrouweling Atenóbius naar hem toe, om met hem te onderhandelen. Hij moest hem zeggen: Gij houdt Jóppe, Gézer en de burcht van Jerusalem in uw macht, steden, die tot mijn rijk behoren.
28καὶ ἀπέστειλε πρὸς αὐτὸν Ἀθηνόβιον ἕνα τῶν φίλων αὐτοῦ κοινολογησάμενον αὐτῷ λέγων· ὑμεῖς κατακρατεῖτε τῆς Ἰόππης καὶ Γαζάρων καὶ τῆς ἄκρας τῆς ἐν Ἱερουσαλήμ, πόλεις τῆς βασιλείας μου.
29Gij hebt hun gebied verwoest, het land grote schade toegebracht, en u van veel plaatsen in mijn rijk meester gemaakt.
29τὰ ὅρια αὐτῶν ἠρημώσατε καὶ ἐποιήσατε πληγὴν μεγάλην ἐπὶ τῆς γῆς καὶ ἐκυριεύσατε τόπων πολλῶν ἐν τῇ βασιλείᾳ μου.
30Gij hebt dus de steden terug te geven, die gij bezet hebt, tegelijk met de belastingen van die plaatsen, waarvan gij u buiten het gebied van Judea hebt meester gemaakt.
30νῦν οὖν παράδοτε τὰς πόλεις, ἃς κατελάβεσθε, καὶ τοὺς φόρους τῶν τόπων, ὧν κατεκυριεύσατε ἐκτὸς τῶν ὁρίων τῆς Ἰουδαίας.
31Doet gij dit niet, dan moet gij inplaats daarvan vijfhonderd talenten zilver betalen, en verder nog vijfhonderd talenten voor de schade, die gij hebt aangericht en voor de achterstallige belastingen dezer steden. Blijft gij in gebreke, dan zullen wij komen, om u te beoorlogen.
31εἰ δὲ μή, δότε ἀντ᾿ αὐτῶν πεντακόσια τάλαντα ἀργυρίου καὶ τῆς καταφθορᾶς, ἧς κατεφθάρκατε, καὶ τῶν φόρων τῶν πόλεων ἄλλα τάλαντα πεντακόσια· εἰ δὲ μή, παραγενόμενοι ἐκπολεμήσομεν ὑμᾶς.
32Atenóbius, de vriend van den koning, ging dus naar Jerusalem. En toen hij de praal van Sjimon zag, de schenktafel met de gouden en zilveren schalen en de talrijke bedienden, stond hij verbaasd. Maar toen hij Sjimon de boodschap van den koning had overgebracht,
32καὶ ἦλθεν Ἀθηνόβιος φίλος τοῦ βασιλέως εἰς Ἱερουσαλὴμ καὶ εἶδε τὴν δόξαν Σίμωνος καὶ κυλικεῖον μετὰ χρυσωμάτων καὶ ἀργυρωμάτων καὶ παράστασιν ἱκανὴν καὶ ἐξίστατο καὶ ἀπήγγειλεν αὐτῶ τοὺς λόγους τοῦ βασιλέως.
33gaf deze ten antwoord: Wij hebben ons niet meester gemaakt van andermans land of goed, maar wel van het erfdeel onzer vaderen, dat onze vijanden, toen ze er de kans toe zagen, wederrechtelijk hebben bemachtigd.
33καὶ ἀποκριθεὶς Σίμων εἶπεν αὐτῷ· οὔτε γῆν ἀλλοτρίαν εἰλήφαμεν οὔτε ἀλλοτρίων κεκρατήκαμεν, ἀλλὰ τῆς κληρονομίας τῶν πατέρων ἡμῶν, ὑπὸ δὲ ἐχθρῶν ἡμῶν ἔν τινι καιρῷ ἀκρίτως κατεκρατήθη·
34En nu de kans ons gunstig is, houden we vast aan het erfdeel onzer vaderen.
34ἡμεῖς δὲ καιρὸν ἔχοντες ἀντεχόμεθα τῆς κληρονομίας τῶν πατέρων ἡμῶν.
35Wat echter uw eisen aangaande Jóppe en Gézer betreft: zij hebben ons volk en ons land grote schade toegebracht; toch willen wij u daarvoor honderd talenten geven.
35περὶ δὲ Ἰόππης καὶ Γαζάρων, ὧν αἰτεῖς, αὗται ἐποίουν ἐν τῷ λαῷ πληγὴν μεγάλην κατὰ τὴν χώραν ἡμῶν, τούτων δώσομεν τάλαντα ἑκατόν. καὶ οὐκ ἀπεκρίθη αὐτῷ Ἀθηνόβιος λόγον,
36Atenóbius gaf hierop geen antwoord, maar ging woedend naar den koning terug, en stelde hem op de hoogte van Sjimons beslissing, van zijn praal en pracht en van alles, wat hij gezien had. Toen barstte de koning in woede uit.
36ἀπέστρεψε δὲ μετὰ θυμοῦ πρὸς τὸν βασιλέα καὶ ἀπήγγειλεν αὐτῷ τοὺς λόγους τούτους καὶ τὴν δόξαν Σίμωνος καὶ πάντα, ὅσα εἶδε, καὶ ὠργίσθη ὁ βασιλεὺς ὀργὴν μεγάλην.
37Intussen had Trúfon toch scheep kunnen gaan en was naar Ortósia gevlucht.
37Τρύφων δὲ ἐμβὰς εἰς πλοῖον ἔφυγεν εἰς Ὀρθωσιάδα.
38Nu stelde de koning Kendebéus tot onderbevelhebber over de zeekust aan, voorzag hem van voetvolk en ruiters,
38καὶ κατέστησεν ὁ βασιλεὺς τὸν Κενδεβαῖον στρατηγὸν τῆς παραλίας καὶ δυνάμεις πεζικὰς καὶ ἱππικὰς ἔδωκεν αὐτῷ·
39en gaf hem bevel, zich tegen Judea te keren, Kedron tot vesting te verbouwen, de andere steden te versterken, en het volk te beoorlogen. De koning zelf zou Trúfon achtervolgen.
39καὶ ἐνετείλατο αὐτῷ παρεμβαλεῖν κατὰ πρόσωπον τῆς Ἰουδαίας καὶ ἐνετείλατο αὐτῷ οἰκοδομῆσαι τὴν Κεδρὼν καὶ ὀχυρῶσαι τὰς πύλας καὶ ὅπως πολεμήσῃ τὸν λαόν· ὁ δὲ βασιλεὺς ἐδίωκε τὸν Τρύφωνα.
40Kendebéus trok dus naar Jámnia, en begon het volk te verontrusten door telkens Judea binnen te vallen, en de mensen gevangen te nemen en te vermoorden.
40καὶ παρεγενήθη Κενδεβαῖος εἰς Ἰάμνειαν καὶ ἤρξατο τοῦ ἐρεθίζειν τὸν λαὸν καὶ ἐμβατεύειν εἰς τὴν Ἰουδαίαν καὶ αἰχμαλωτίζειν τὸν λαὸν καὶ φονεύειν,
41Ook bouwde hij Kedron tot vesting om, en legde er ruiterij en voetvolk in, om volgens het bevel van den koning uitvallen te kunnen doen langs de wegen van Judea.
41καὶ ᾠκοδόμησε τὴν Κεδρὼν καὶ ἔταξεν ἐκεῖ ἱππεῖς καὶ δυνάμεις, ὅπως ἐκπορευόμενοι ἐξοδεύωσι τὰς ὁδοὺς τῆς Ἰουδαίας, καθὰ συνέταξεν αὐτῷ ὁ βασιλεύς.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.