Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het jaar 172 riep koning Demétrius zijn troepen bijeen, en trok naar Medië, om daar versterking te zoeken voor zijn strijd tegen Trúfon.
1ΚΑΙ ἐν ἔτει δευτέρῳ καὶ ἑβδομηκοστῷ καὶ ἑκατοστῷ συνήγαγε Δημήτριος ὁ βασιλεὺς τὰς δυνάμεις αὐτοῦ καὶ ἐπορεύθη εἰς Μηδίαν τοῦ ἐπισπάσασθαι βοήθειαν αὐτῷ, ὅπως πολεμήσῃ τὸν Τρύφωνα.
2Toen echter Arsakes, de koning van Perzië en Medië vernam, dat Demétrius in zijn gebied was doorgedrongen, zond hij een van zijn veldheren, om hem levend gevangen te nemen.
2καὶ ἤκουσεν Ἀρσάκης ὁ βασιλεὺς τῆς Περσίδος καὶ Μηδίας ὅτι ἦλθε Δημήτριος εἰς τὰ ὅρια αὐτοῦ, καὶ ἀπέστειλεν ἕνα τῶν ἀρχόντων αὐτοῦ συλλαβεῖν αὐτὸν ζῶντα.
3Deze trok op, versloeg het leger van Demétrius, nam hem gevangen en bracht hem voor Arsakes, die hem in de kerker liet werpen.
3καὶ ἐπορεύθη καὶ ἐπάταξε τὴν παρεμβολὴν Δημητρίου καὶ συνέλαβεν αὐτὸν καὶ ἤγαγεν αὐτὸν πρὸς Ἀρσάκην, καὶ ἔθετο αὐτὸν ἐν φυλακῇ.
4Al de dagen van Sjimon genoot het land van Juda rust; Want hij was bedacht op het heil van zijn volk. Zij verheugden zich over zijn macht, En over zijn roem al die tijd.
4Καὶ ἡσύχασεν ἡ γῆ Ἰούδα πάσας τὰς ἡμέρας Σίμωνος, καὶ ἐζήτησαν ἀγαθὰ τῷ ἔθνει αὐτοῦ, καὶ ἤρεσεν αὐτοῖς ἡ ἐξουσία αὐτοῦ καὶ ἡ δόξα αὐτοῦ πάσας τὰς ἡμέρας.
5Hij veroverde de haven van Jóppe, zijn hoogste roem, En opende een toegang voor de eilanden in zee;
5καὶ μετὰ πάσης τῆς δόξης αὐτοῦ ἔλαβε τὴν Ἰόππην εἰς λιμένα καὶ ἐποίησεν εἴσοδον ταῖς νήσοις τῆς θαλάσσης.
6De grenzen van zijn volk breidde hij uit, En maakte zich meester van het land.
6καὶ ἐπλάτυνε τὰ ὅρια τῷ ἔθνει αὐτοῦ καὶ ἐκράτησε τῆς χώρας.
7Hij hield velen gevangen, Bedwong Gézer, Bet-Soer en de burcht: Hij verwijderde de ontering er uit, Zonder dat iemand hem weerstand bood.
7καὶ συνήγαγεν αἰχμαλωσίαν πολλὴν καὶ ἐκυρίευσε Γαζάρων καὶ Βαιθσούρων καὶ τῆς ἄκρας· καὶ ἐξῇρε τὰς ἀκαθαρσίας ἐξ αὐτῆς, καὶ οὐκ ἦν ὁ ἀντικείμενος αὐτῷ.
8Men bebouwde zijn akker, En in vrede zijn land; De bodem bracht zijn gewassen voort, En de boom op het veld zijn vruchten.
8καὶ ἦσαν γεωργοῦντες τὴν γῆν αὐτῶν μετ᾿ εἰρήνης, καὶ ἡ γῆ ἐδίδου τὰ γεννήματα αὐτῆς καὶ τὰ ξύλα τῶν πεδίων τὸν καρπὸν αὐτῶν.
9Grijsaards zaten langs de straten, En bespraken allen de welvaart; De jongemannen waren met glorie bekleed En met het krijgsgewaad.
9πρεσβύτεροι ἐν ταῖς πλατείαις ἐκάθηντο, πάντες περὶ ἀγαθῶν ἐκοινολογοῦντο, καὶ οἱ νεανίσκοι ἐνεδύσαντο δόξας καὶ στολὰς πολέμου.
10Hij voorzag de steden van voedsel, Rustte ze als vestingen uit, Zodat zijn naam met eer werd genoemd Tot aan de grenzen der aarde.
10ταῖς πόλεσιν ἐχορήγησε βρώματα καὶ ἔταξεν αὐτὰς ἐν σκεύεσιν ὀχυρώσεως, ἕως ὅτου ὠνομάσθη τὸ ὄνομα τῆς δόξης αὐτοῦ ἕως ἄκρου τῆς γῆς.
11Vrede bracht hij over het land, Israël juichte van vreugde.
11ἐποίησε τὴν εἰρήνην ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ εὐφράνθη Ἰσραὴλ εὐφροσύνην μεγάλην.
12Iedereen zat onder zijn wijnstok en vijg, Niemand, die hen verontrustte.
12καὶ ἐκάθισεν ἕκαστος ὑπὸ τὴν ἄμπελον αὐτοῦ καὶ τὴν συκῆν αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἦν ὁ ἐκφοβῶν αὐτούς.
13Er was in het land geen vijand meer over, De koningen waren machteloos in die dagen;
13καὶ ἐξέλιπεν ὁ πολεμῶν αὐτοὺς ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ οἱ βασιλεῖς συνετρίβησαν ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις.
14Voor alle wankelmoedigen van zijn volk Was hij een stut. Vol ijver was hij voor de wet, En roeide alle afvalligen en boosdoeners uit;
14καὶ ἐστήρισε πάντας τοὺς ταπεινοὺς τοῦ λαοῦ αὐτοῦ· τὸν νόμον ἐξεζήτησε καὶ ἐξῇρε πάντα ἄνομον καὶ πονηρόν·
15Hij was bezorgd voor de luister van het heiligdom, En vergrootte het getal der tempelvaten.
15τὰ ἅγια ἐδόξασε, καὶ ἐπλήθυνε τὰ σκεύη τῶν ἁγίων.
16Toen in Rome en Sparta het bericht was doorgedrongen, dat Jonatan was gestorven, was men daarover zeer bedroefd.
16Καὶ ἠκούσθη ἐν Ρώμῃ, ὅτι ἀπέθανεν Ἰωνάθαν, καὶ ἕως Σπάρτης, καὶ ἐλυπήθησαν σφόδρα.
17Maar toen ze vernamen, dat zijn broer Sjimon in zijn plaats hogepriester was geworden en over het land en de steden regeerde,
17ὡς δὲ ἤκουσαν, ὅτι Σίμων ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ γέγονεν ἀντ᾿ αὐτοῦ ἀρχιερεὺς καὶ ἐπικρατεῖ τῆς χώρας καὶ τῶν πόλεων τῶν ἐν αὐτῇ,
18schreven zij hem een brief op koperen platen, om de vriendschap en het bondgenootschap te vernieuwen, die zij met zijn broer Judas en Jonatan hadden gesloten.
18ἔγραψαν πρὸς αὐτὸν δέλτοις χαλκαῖς τοῦ ἀνανεώσασθαι πρὸς αὐτὸν φιλίαν καὶ τὴν συμμαχίαν, ἣν ἔστησαν πρὸς Ἰούδαν καὶ Ἰωνάθαν τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ.
19Dit schrijven werd in de volksvergadering te Jerusalem voorgelezen.
19καὶ ἀνεγνώσθησαν ἐνώπιον τῆς ἐκκλησίας ἐν Ἱερουσαλήμ.
20Het afschrift van de brief, die de Spartanen zonden, luidt als volgt: De opperhoofden van Sparta en de stad, aan den hogepriester Sjimon, de oudsten, de priesters en het overige volk der Joden, hun broeders: heil!
20καὶ τοῦτο τὸ ἀντίγραφον τῶν ἐπιστολῶν, ὧν ἀπέστειλαν οἱ Σπαρτιάται· ‘Σπαρτιατῶν ἄρχοντες καὶ ἡ πόλις Σίμωνι ἱερεῖ μεγάλῳ καὶ τοῖς πρεσβυτέροις καὶ τοῖς ἱερεῦσι καὶ τῷ λοιπῷ δήμῳ τῶν Ἰουδαίων ἀδελφοῖς χαίρειν.
21De gezanten, die gij naar ons volk hebt afgevaardigd, hebben ons ingelicht over uw roem en aanzien, en wij hebben ons over hun komst verheugd.
21οἱ πρεσβευταὶ οἱ ἀποσταλέντες πρὸς τὸν δῆμον ἡμῶν ἀπήγγειλαν ἡμῖν περὶ τῆς δόξης ὑμῶν καὶ τιμῆς, καὶ ηὐφράνθημεν ἐπὶ τῇ ἐφόδῳ αὐτῶν.
22De onderhandelingen hebben wij als volgt in de staatsbesluiten opgenomen: Noeménius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jáson, zijn bij ons gekomen als gezanten der Joden, om de vriendschap met ons te vernieuwen.
22καὶ ἀνεγράψαμεν τὰ ὑπ᾿ αὐτῶν εἰρημένα ἐν ταῖς βουλαῖς τοῦ δήμου οὕτως· Νουμήνιος Ἀντιόχου καὶ Ἀντίπατρος Ἰάσωνος πρεσβευταὶ Ἰουδαίων ἤλθοσαν πρὸς ἡμᾶς ἀνανεούμενοι τὴν πρὸς ἡμᾶς φιλίαν.
23Het volk besloot, deze mannen eervol te ontvangen, en een afschrift van hun voorstellen in de staatsakten op te nemen, om het volk der Spartanen daaraan te herinneren. Een afschrift hiervan hebben zij den hogepriester Sjimon doen toekomen.
23καὶ ἤρεσε τῷ δήμῳ ἐπιδέξασθαι τοὺς ἄνδρας ἐνδόξως καὶ τοῦ θέσθαι τὸ ἀντίγραφον τῶν λόγων αὐτῶν ἐν τοῖς ἀποδεδειγμένοις τῶ δήμῳ βιβλίοις τοῦ ἔχειν μνημόσυνον τὸν δῆμον τῶν Σπαρτιατῶν. τὸ δὲ ἀντίγραφον τούτων ἐγράψαμεν Σίμωνι τῷ ἀρχιερεῖ’. 24 Μετὰ δὲ ταῦτα ἀπέστειλε Σίμων τὸν Νουμήνιον εἰς Ρώμην ἔχοντα ἀσπίδα χρυσῆν μεγάλην ὁλκῆς μνῶν χιλίων εἰς τὸ στῆσαι πρὸς αὐτοὺς τὴν συμμαχίαν.
24Daarna zond Sjimon Noeménius naar Rome met een groot gouden schild ter waarde van duizend pond, om het bondgenootschap met hen te vernieuwen.
no verse 24 in this text
25Toen het volk dit alles vernam, riep het uit: Hoe kunnen wij Sjimon en zijn zonen onze dankbaarheid betuigen?
25Ὡς δὲ ἤκουσεν ὁ δῆμος τῶν λόγων τούτων, εἶπαν· τίνα χάριν ἀποδώσομεν Σίμωνι καὶ τοῖς υἱοῖς αὐτοῦ;
26Want hijzelf, zijn broers en het huis van zijn vader hebben zich als helden gedragen, hebben Israël van zijn vijanden verlost en het zijn vrijheid verzekerd. Daarom lieten zij op koperen platen een oorkonde opmaken, welke men aan een zuil op de berg Sion liet slaan.
26ἐστήρισε γὰρ αὐτὸς καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ ὁ οἶκος τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ ἐπολέμησαν τοὺς ἐχθροὺς Ἰσραὴλ ἀπ᾿ αὐτῶν καὶ ἔστησαν αὐτῷ ἐλευθερίαν. καὶ κατέγραψαν ἐν δέλτοις χαλκαῖς καὶ ἔθεντο ἐν στήλαις ἐν ὄρει Σιών.
27De oorkonde luidde aldus: Op de achttiende Eloel van het jaar 172, het derde jaar van Sjimon, hogepriester
27καὶ τοῦτο τὸ ἀντίγραφον τῆς γραφῆς· ‘ Ὀκτωκαιδεκάτῃ Ἐλούλ, ἔτους δευτέρου καὶ ἑβδομηκοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ καὶ τοῦτο τρίτον ἔτος ἐπὶ Σίμωνος ἀρχιερέως
28en vorst van Gods volk, hebben wij in een grote vergadering van priesters en volk, van volksleiders en oudsten des lands het volgende besluit genomen:
28ἐν ἀσαραμὲλ ἐπὶ συναγωγῆς μεγάλης ἱερέων καὶ λαοῦ καὶ ἀρχόντων ἔθνους καὶ τῶν πρεσβυτέρων τῆς χώρας ἐγνώρισεν ἡμῖν·
29In de talrijke oorlogen, die in ons land zijn uitgebroken, hebben Sjimon, de zoon van Mattatias en afstammeling van de zonen van Jojarib, alsmede zijn broeders hun leven veil gehad en weerstand geboden aan de vijanden van hun volk, om hun heiligdom en de wet te behouden. Daardoor hebben zij hun volk in hoog aanzien gebracht.
29ἐπεὶ πολλάκις ἐγενήθησαν πόλεμοι ἐν τῇ χώρᾳ, Σίμων δὲ ὁ υἱὸς Ματταθίου ὁ υἱὸς τῶν υἱῶν Ἰωαρὶβ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ ἔδωκαν ἑαυτοὺς τῷ κινδύνῳ καὶ ἀντέστησαν τοῖς ὑπεναντίοις τοῦ ἔθνους αὐτῶν, ὅπως σταθῇ τὰ ἅγια αὐτῶν καὶ ὁ νόμος, καὶ δόξῃ μεγάλῃ ἐδόξασαν τὸ ἔθνος αὐτῶν.
30Zodra Jonatan, die het volk bijeen had gebracht en hun hogepriester was geworden, bij zijn vaderen was verzameld,
30καὶ ἤθροισεν Ἰωνάθαν τὸ ἔθνος αὐτῶν καὶ ἐγενήθη αὐτοῖς ἀρχιερεὺς καὶ προσετέθη πρὸς τὸν λαὸν αὐτοῦ,
31besloten de vijanden, hun land binnen te vallen, om het te verwoesten en de hand te slaan aan hun heiligdom.
31καὶ ἐβουλήθησαν οἱ ἐχθροὶ αὐτῶν ἐμβατεῦσαι εἰς τὴν χώραν αὐτῶν τοῦ ἐκτρῖψαι τὴν χώραν αὐτῶν καὶ ἐκτεῖναι χεῖρας ἐπὶ τὰ ἅγια αὐτῶν.
32Toen stond Sjimon op, en streed voor zijn volk! Een groot gedeelte van zijn persoonlijk vermogen offerde hij op, om het leger van zijn volk te bewapenen en te bezoldigen.
32τότε ἀνέστη Σίμων, καὶ ἐπολέμησε περὶ τοῦ ἔθνους αὐτοῦ καὶ ἐδαπάνησε χρήματα πολλὰ τῶν ἑαυτοῦ καὶ ὡπλοδότησε τοὺς ἄνδρας τῆς δυνάμεως τοῦ ἔθνους αὐτοῦ καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς ὀψώνια
33Hij versterkte de steden van Judea; eveneens Bet-Soer aan de joodse grens, waar tevoren een vijandelijke krijgspost was geweest, en dat hij met joodse soldaten bezette.
33καὶ ὠχύρωσε τὰς πόλεις τῆς Ἰουδαίας καὶ τὴν Βαιθσούραν τὴν ἐπὶ τῶν ὁρίων τῆς Ἰουδαίας, οὗ ἦν τὰ ὅπλα τῶν πολεμίων τὸ πρότερον, καὶ ἔθετο ἐκεῖ φρουρὰν ἄνδρας Ἰουδαίους.
34Ook versterkte hij de zeestad Jóppe; eveneens Gézer in het grensgebied van Asjdod, dat vroeger door den vijand bewoond was, en waar hij een joodse kolonie stichtte, die hij van alles voorzag, wat nodig was voor hun onderhoud.
34καὶ Ἰόππην ὠχύρωσε τὴν ἐπὶ τῆς θαλάσσης καὶ τὴν Γάζαρα τὴν ἐπὶ τῶν ὁρίων Ἀζώτου, ἐν ᾗ ᾤκουν οἱ πολέμιοι τὸ πρότερον ἐκεῖ, καὶ κατῴκισεν ἐκεῖ Ἰουδαίους, καὶ ὅσα ἐπιτήδεια ἦν πρὸς τὴν τούτων ἐπανόρθωσιν, ἔθετο ἐν αὐτοῖς.
35Toen het volk zag, hoe trouw Sjimon volhield, en hoe hij er naar streefde, het volk in aanzien te brengen, stelde men hem tot vorst en hogepriester aan, uit dankbaarheid voor wat hij gedaan had, voor zijn gerechtigheid en trouw, aan zijn volk bewezen, en voor zijn streven, zijn volk in ieder opzicht te verheffen.
35καὶ εἶδεν ὁ λαὸς τὴν πρᾶξιν τοῦ Σίμωνος καὶ τὴν δόξαν, ἣν ἐβουλεύσατο ποιῆσαι τῷ ἔθνει αὐτοῦ, καὶ ἔθεντο αὐτὸν ἡγούμενον αὐτῶν καὶ ἀρχιερέα διὰ τὸ αὐτὸν πεποιηκέναι πάντα ταῦτα καὶ τὴν δικαιοσύνην καὶ τὴν πίστιν, ἣν συνετήρησε τῷ ἔθνει αὐτοῦ, καὶ ἐζήτησε παντὶ τρόπῳ ὑψῶσαι τὸν λαὸν αὐτοῦ.
36In die dagen is het door zijn toedoen gelukt de heidenen uit het land te verdrijven, heel bijzonder hen, die de Davidstad te Jerusalem tot een burcht hadden omgebouwd, waaruit zij telkens uitvallen deden, de omgeving van de tempel bezoedelden, en zijn heiligheid schandelijk ontwijdden.
36καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις αὐτοῦ εὐωδώθη ἐν ταῖς χερσὶν αὐτοῦ τοῦ ἐξαρθῆναι τὰ ἔθνη ἐκ τῆς χώρας αὐτῶν καὶ τοὺς ἐν τῇ πόλει Δαυὶδ τοὺς ἐν Ἱερουσαλήμ, οἳ ἐποίησαν ἑαυτοῖς ἄκραν, ἐξ ἧς ἐξεπορεύοντο καὶ ἐμίαινον κύκλῳ τῶν ἁγίων καὶ ἐποίουν πληγὴν μεγάλην ἐν τῇ ἁγνείᾳ.
37Hij legde er een joodse bezetting in, versterkte de burcht ter beveiliging van land en van stad, en verhoogde de muren van Jerusalem.
37καὶ κατῴκισεν ἐν αὐτῇ ἄνδρας Ἰουδαίους καὶ ὠχύρωσεν αὐτὴν πρὸς ἀσφάλειαν τῆς χώρας καὶ τῆς πόλεως καὶ ὕψωσε τὰ τείχη Ἱερουσαλήμ,
38Dientengevolge bekrachtigde koning Demétrius zijn aanstelling als hogepriester,
38καὶ ὁ βασιλεὺς Δημήτριος ἔστησεν αὐτῷ τὴν ἀρχιερωσύνην κατὰ ταῦτα
39nam hem onder zijn vertrouwelingen op en overlaadde hem met eerbewijzen.
39καὶ ἐποίησεν αὐτὸν τῶν φίλων αὐτοῦ καὶ ἐδόξασεν αὐτὸν δόξῃ μεγάλῃ.
40Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen tot vrienden, bondgenoten en broeders waren verklaard, en dat zij de gezanten van Sjimon eervol hadden ontvangen.
40ἤκουσε γὰρ ὅτι προσηγόρευνται οἱ Ἰουδαῖοι ὑπὸ Ρωμαίων φίλοι καὶ σύμμαχοι καὶ ἀδελφοί, καὶ ὅτι ἀπήντησαν τοῖς πρεσβευταῖς Σίμωνος ἐνδόξως,
41Daarom hebben de Joden en de priesters besloten, dat Sjimon voor altijd hun vorst en hogepriester zal zijn, totdat een betrouwbaar profeet zal opstaan.
41καὶ ὅτι εὐδόκησαν οἱ Ἰουδαῖοι καὶ οἱ ἱερεῖς τοῦ εἶναι Σίμωνα ἡγούμενον καὶ ἀρχιερέα εἰς τὸν αἰῶνα ἕως τοῦ ἀναστῆναι προφήτην πιστὸν
42Hij zal hun veldheer zijn, en bekwame mannen kunnen aanstellen voor het landsbestuur, de bewapening en de verdediging.
42καὶ τοῦ εἶναι ἐπ᾿ αὐτῶν στρατηγὸν καὶ ὅπως μέλῃ αὐτῷ περὶ τῶν ἁγίων καθιστάναι αὐτοὺς ἐπὶ τῶν ἔργων αὐτῶν καὶ ἐπὶ τῆς χώρας καὶ ἐπὶ τῶν ὅπλων καὶ ἐπὶ τῶν ὀχυρωμάτων,
43Hij zal ook de zorg voor het heiligdom hebben. Men zal hem in alles moeten gehoorzamen, en alle contracten in het land moeten in zijn naam worden opgesteld. Hij zal zich in purper en goud mogen kleden.
43καὶ ὅπως μέλῃ αὐτῷ περὶ τῶν ἁγίων, καὶ ὅπως ἀκούηται ὑπὸ πάντων, καὶ ὅπως γράφωνται ἐπὶ τῷ ὀνόματι αὐτοῦ πᾶσαι συγγραφαὶ ἐν τῇ χώρᾳ, καὶ ὅπως περιβάλληται πορφύραν καὶ χρυσοφορῇ·
44En het zal niemand uit het volk of van de priesters geoorloofd zijn, een dezer bepalingen op te heffen, tegen zijn bevelen in te gaan of zonder zijn toestemming een vergadering in het land te beleggen, zich in purper te kleden, of een gouden gesp te dragen.
44καὶ οὐκ ἐξέσται οὐδενὶ τοῦ λαοῦ καὶ τῶν ἱερέων ἀθετῆσαί τι τούτων καὶ ἀντειπεῖν τοῖς ὑπ᾿ αὐτοῦ ρηθησομένοις καὶ ἐπισυστρέψαι συστροφὴν ἐν τῇ χώρᾳ ἄνευ αὐτοῦ καὶ περιβάλλεσθαι πορφύραν καὶ ἐμπορποῦσθαι πόρπην χρυσῆν·
45Wie hiertegen misdoet of iets hiervan opheft, is strafbaar.
45ὃς δ᾿ ἂν παρὰ ταῦτα ποιήσῃ ἢ ἀθετήσῃ τι τούτων, ἔνοχος ἔσται’. 46 καὶ εὐδόκησε πᾶς ὁ λαὸς θέσθαι Σίμωνι καὶ ποιῆσαι κατὰ τοὺς λόγους τούτους.
46Heel het volk heeft het besluit genomen, deze voorrechten aan Sjimon te schenken, en daarnaar te handelen.
no verse 46 in this text
47En Sjimon heeft ze aangenomen en zich bereid verklaard, hogepriester, bevelhebber, vorst der Joden en der priesters, in één woord: hoofd van alles te zijn.
47καὶ ἐπεδέξατο Σίμων καὶ εὐδόκησεν ἀρχιερατεύειν καὶ εἶναι στρατηγὸς καὶ ἐθνάρχης τῶν Ἰουδαίων καὶ ἱερέων καὶ τοῦ προστατῆσαι πάντων.
48Zij hebben deze oorkonde op koperen platen laten graveren, en die in de nabijheid van de tempel op een in het oog vallende plaats laten vastslaan.
48καὶ τὴν γραφὴν ταύτην εἶπον θέσθαι ἐν δέλτοις χαλκαῖς καὶ στῆσαι αὐτὰς ἐν περιβόλῳ τῶν ἁγίων ἐν τόπῳ ἐπισήμῳ,
49Ook hebben zij een afschrift hiervan in de schatkamer gelegd, opdat Sjimon en zijn zonen het bij de hand kunnen hebben.
49τὰ δὲ ἀντίγραφα αὐτῶν θέσθαι ἐν τῷ γαζοφυλακίῳ, ὅπως ἔχῃ Σίμων καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.