Jozua 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen Moses, de dienaar van Jahweh, gestorven was, sprak Jahweh tot Josuë, den zoon van Noen, die Moses’ dienaar was geweest:
1ΚΑΙ ἐγένετο μετὰ τὴν τελευτὴν Μωυσῆ, εἶπε Κύριος τῷ Ἰησοῖ υἱῷ Ναυὴ τῷ ὑπουργῷ Μωυσῆ λέγων·
2Mijn dienaar Moses is gestorven. Op! Trek met heel dit volk de Jordaan hier over naar het land, dat Ik hun geven zal.
2Μωυσῆς ὁ θεράπων μου τετελεύτηκε· νῦν οὖν ἀναστὰς διάβηθι τὸν Ἰορδάνην, σὺ καὶ πᾶς ὁ λαὸς οὗτος εἰς τὴν γῆν, ἣν ἐγὼ δίδωμι αὐτοῖς.
3Iedere plek, die uw voetzool betreedt, zal Ik u geven, zoals Ik aan Moses beloofd heb.
3πᾶς ὁ τόπος, ἐφ' ὃν ἂν ἐπιβῆτε τῷ ἴχνει τῶν ποδῶν ὑμῶν, ὑμῖν δώσω αὐτόν, ὃν τρόπον εἴρηκα τῷ Μωυσῇ,
4Van de woestijn tot de Libanon, en van de grote rivier de Eufraat tot aan de Grote Zee in het westen zal uw gebied zich uitstrekken.
4τὴν ἔρημον καὶ τὸν Ἀντιλίβανον ἕως τοῦ ποταμοῦ τοῦ μεγάλου ποταμοῦ Εὐφράτου, καὶ ἕως τῆς θαλάσσης τῆς ἐσχάτης ἀφ' ἡλίου δυσμῶν ἔσται τὰ ὅρια ὑμῶν.
5Zolang ge leeft, zal niemand tegen u bestand zijn! Zoals Ik met Moses was, zo zal Ik ook met u zijn; Ik zal u niet verlaten, en Mij niet van u terugtrekken.
5οὐκ ἀντιστήσεται ἄνθρωπος κατενώπιον ὑμῶν πάσας τὰς ἡμέρας τῆς ζωῆς σου, καὶ ὥσπερ ἤμην μετὰ Μωυσῆ, οὕτως ἔσομαι καὶ μετὰ σοῦ καὶ οὐκ ἐγκαταλείψω σε, οὐδ' ὑπερόψομαί σε.
6Wees sterk en dapper; want gij zult dit volk bezit doen nemen van het land, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, hun te geven.
6ἴσχυε καὶ ἀνδρίζου, σὺ γὰρ ἀποδιελεῖς τῷ λαῷ τούτῳ τὴν γῆν, ἣν ὤμοσα τοῖς πατράσιν ὑμῶν δοῦναι αὐτοῖς.
7Doe slechts uw uiterste best, om in alles nauwgezet te handelen volgens de wet, die mijn dienaar Moses voorgeschreven heeft; wijk er ter rechter noch ter linker zijde van af, opdat het u overal, waar ge heen trekt, goed moge gaan.
7ἴσχυε οὖν καὶ ἀνδρίζου, φυλάσσεσθαι καὶ ποιεῖν καθότι ἐνετείλατό σοι Μωυσῆς ὁ παῖς μου, καὶ οὐκ ἐκκλινεῖς ἀπ' αὐτῶν εἰς δεξιὰ οὐδὲ εἰς ἀριστερά, ἵνα συνῇς ἐν πᾶσιν οἷς ἐὰν πράσσῃς.
8Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond; dag en nacht moet gij het overwegen, om nauwgezet alles te volbrengen, wat er in geschreven staat. Dàn zult ge voorspoed hebben op uw weg, dàn zal het u goed gaan.
8καὶ οὐκ ἀποστήσεται ἡ βίβλος τοῦ νόμου τούτου ἐκ τοῦ στόματός σου, καὶ μελετήσεις ἐν αὐτῷ ἡμέρας καὶ νυκτός, ἵνα εἰδῇς ποιεῖν πάντα τὰ γεγραμμένα· τότε εὐοδωθήσῃ, καὶ εὐοδώσεις τὰς ὁδούς σου καὶ τότε συνήσεις.
9Ik beveel het u dus: Wees sterk en dapper, vrees niet en laat u geen schrik aanjagen; want Jahweh, uw God, is met u, overal waar ge gaat.
9ἰδοὺ ἐντέταλμαί σοι· ἴσχυε καὶ ἀνδρίζου, μὴ δειλιάσῃς, μηδὲ φοβηθῇς, ὅτι μετὰ σοῦ Κύριος ὁ Θεός σου εἰς πάντα, οὗ ἐὰν πορεύῃ.
10Toen gaf Josuë aan de leiders van het volk het bevel:
10Καὶ ἐνετείλατο Ἰησοῦς τοῖς γραμματεῦσι τοῦ λαοῦ λέγων·
11Trekt het kamp door, en gelast het volk: “Maakt proviand gereed; want over drie dagen moet ge hier de Jordaan oversteken, om het land in bezit te gaan nemen, dat Jahweh, uw God, u in eigendom geeft.”
11εἰσέλθατε κατὰ μέσον τῆς παρεμβολῆς τοῦ λαοῦ καὶ ἐντείλασθε τῷ λαῷ λέγοντες· ἑτοιμάζεσθε ἐπισιτισμόν, ὅτι ἔτι τρεῖς ἡμέραι καὶ ὑμεῖς διαβαίνετε τὸν Ἰορδάνην τοῦτον εἰσελθόντες κατασχεῖν τὴν γῆν, ἣν Κύριος ὁ Θεὸς τῶν πατέρων ὑμῶν δίδωσιν ὑμῖν.
12En tot de Rubenieten en de Gadieten en tot de halve stam van Manasse sprak Josuë:
12καὶ τῷ Ρουβὴν καὶ τῷ Γὰδ καὶ τῷ ἡμίσει φυλῆς Μανασσῆ εἶπεν Ἰησοῦς·
13Denkt aan het bevel, dat Moses, de dienaar van Jahweh, u heeft gegeven. Jahweh, uw God, heeft u een rustplaats verleend, en u dit land geschonken.
13μνήσθητε τὸ ρῆμα, ὃ ἐνετείλατο ὑμῖν Μωυσῆς ὁ παῖς Κυρίου λέγων· Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν κατέπαυσεν ὑμᾶς καὶ ἔδωκεν ὑμῖν τὴν γῆν ταύτην.
14Uw vrouwen, kinderen en vee mogen in het land blijven, dat Moses u in het Overjordaanse heeft gegeven. Maar gij allen moet als dappere mannen gewapend voor uw broeders uittrekken en hen helpen,
14αἱ γυναῖκες ὑμῶν καὶ τὰ παιδία ὑμῶν καὶ τὰ κτήνη ὑμῶν κατοικείτωσαν ἐν τῇ γῇ, ᾗ ἔδωκεν ὑμῖν, ὑμεῖς δὲ διαβήσεσθε εὔζωνοι πρότεροι τῶν ἀδελφῶν ὑμῶν, πᾶς ὁ ἰσχύων, καὶ συμμαχήσετε αὐτοῖς,
15totdat Jahweh aan uw broeders, als aan u, een rustplaats heeft verleend, en ook zij het land in bezit hebben genomen, dat Jahweh, uw God, hun wil geven. Dan moogt ge terugkeren naar het land, dat Moses, de dienaar van Jahweh, u gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan in het oosten, en het in bezit nemen.
15ἕως ἂν καταπαύσῃ Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν τοὺς ἀδελφοὺς ὑμῶν, ὥσπερ καὶ ὑμᾶς, καὶ κληρονομήσωσι καὶ οὗτοι τὴν γῆν, ἣν Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν δίδωσιν αὐτοῖς. καὶ ἀπελεύσεσθε ἕκαστος εἰς τὴν κληρονομίαν αὐτοῦ, ἣν ἔδωκεν ὑμῖν Μωυσῆς εἰς τὸ πέραν τοῦ Ἰορδάνου ἐπ' ἀνατολῶν ἡλίου.
16Ze antwoordden Josuë: Alles, wat ge ons beveelt, zullen we doen, en overal heengaan, waar ge ons zendt.
16καὶ ἀποκριθέντες τῷ Ἰησοῦ εἶπαν· πάντα ὅσα ἐὰν ἐντείλῃ ἡμῖν, ποιήσομεν καὶ εἰς πάντα τόπον, οὗ ἐὰν ἀποστείλῃς ἡμᾶς, πορευσόμεθα·
17Zoals we Moses in alles hebben gehoorzaamd, zo zullen we ook gehoorzaam zijn aan u. Moge Jahweh, uw God, slechts met u zijn, zoals Hij het was met Moses.
17κατὰ πάντα, ὅσα ἠκούσαμεν Μωυσῆ, ἀκουσόμεθά σου, πλὴν ἔστω Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν μετὰ σοῦ, ὃν τρόπον ἦν μετὰ Μωυσῆ.
18Iedereen, die zich tegen uw bevelen verzet en niet luistert naar al wat ge hem oplegt, zal sterven. Wees dus maar moedig en dapper!
18ὁ δὲ ἄνθρωπος, ὃς ἂν ἀπειθήσῃ σοι, καὶ ὅστις μὴ ἀκούσῃ τῶν ρημάτων σου καθότι ἐὰν ἐντείλῃ αὐτῷ, ἀποθανέτω. ἀλλὰ ἴσχυε καὶ ἀνδρίζου.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.